‘Profeet Lou Engle is een kopstuk van de snelst groeiende christelijk-extremistische beweging wereldwijd. Het is de beweging die Trump aan zijn verkiezingsoverwinningen in 2016 en 2024 hielp; die samen met rechts-extremistische milities als de Proud Boys en de complotdenkers van QAnon aanstichter was van de Capitool-bestorming op 6 januari 2021; wiens radicale ideeën doorklonken in Project 2025 – de blauwdruk voor Trumps autoritaire machtsgreep.’
Dit stond te lezen in een artikel in The Correspondent van Rinke Verkerk en Roan Smits: ‘Deze christenen willen overal ter wereld de democratie omverwerpen. Dankzij Donald Trump lukt het ze’ Wat mij bij de huidige discussie over christelijk extremisme in de Verenigde Staten vooral opvalt, is hoe snel het debat geneigd is te kantelen naar grote, bijna apocalyptische scenario’s. Alsof er ergens een strak georganiseerd plan zou bestaan om de democratie wereldwijd te ontmantelen, gedragen door een soort monolithische beweging van “radicale christenen”. Dat beeld is te eenvoudig en uiteindelijk ook misleidend. Wat wél zichtbaar is, is iets subtielers en misschien juist daarom belangrijker: de heropleving van politieke en religieuze stromingen die zich beroepen op een absoluut moreel kader in een wereld die steeds pluriformer en onzekerder wordt.
Wanneer ik dat probeer te duiden, sluit het aan bij mijn eerdere gedachten over de terugkeer van het terrorisme als een moderne vorm van het verlangen naar het absolute niets. Het sluit niet aleen op religieus terrorisme, maar ook op terrorisme in bredere zin als een extreme reactie op relativiteit, ambiguïteit en het verdwijnen van vaste metafysische ankerpunten. In die zin zijn christelijk nationalisme en gewelddadig extremisme geen identieke fenomenen, maar ze raken wel aan dezelfde onderstroom: het groeiend onvermogen om te leven in een wereld die niet langer door één waarheid wordt gedragen.
Het christelijk extremisme in de Verenigde Staten is daarvan een zorgwekkend voorbeeld. Het is geen eenduidige ideologie, maar eerder een spectrum van overtuigingen waarin religie en nationale identiteit in elkaar grijpen. In zijn mildere vorm gaat het om het idee dat de Verenigde Staten historisch gevormd zijn door christelijke waarden en dat die waarden een zichtbare plaats mogen behouden in het publieke leven. In zijn meer uitgesproken vorm wordt dat vertaald naar de wens dat wetgeving, instituties en culturele normen expliciet in het teken komen te staan van een christelijke moraal. En aan de uiterste rand duiken interpretaties op waarin pluralisme en seculiere democratie worden gezien als verschijnselen van verval, die al dan niet met geweld gecorrigeerd moeten worden.
Wat deze stroming zo zorgwekkend maakt, is niet alleen haar inhoud, maar vooral haar positie binnen een bredere culturele verschuiving. In een samenleving die gekenmerkt wordt door versnelling, digitalisering en globalisering, ontstaat bij sommige groepen een verlangen naar morele helderheid. Waar de moderne democratie draait om compromis biedt een religieus gefundeerd wereldbeeld een eenvoudiger structuur: goed versus kwaad, waarheid versus en leugen, wij versus zij. Die helderheid heeft een enorme aantrekkingskracht in tijden van groeiende onzekerheid op vele terreinen.
Dat verklaart ook waarom deze beweging vooral in Amerika politiek relevant is geworden. Niet omdat zij op zichzelf een meerderheid vormt, maar omdat zij zich heeft weten te verbinden met de centrale macht. Onder het presidentschap van Donald Trump is een alliantie ontstaan tussen populistische politiek en religieus-conservatieve kiezersblokken. Trump zelf is daarbij minder belangrijk als theoloog of ideoloog – dat is hij duidelijk niet – dan als katalysator. Hij functioneert als een voertuig waardoor het bestaande verlangen naar het herstel van een verloren gewaande orde politiek effect krijgt.
Hierbij gaat het niet alleen gaat over religie in engere zin, maar vooral over een dieper culturele spanningsveld. De vaag dient zich aan hoe een democratie kan functioneren als grote delen van de bevolking niet langer geloven in de neutraliteit van die democratie zelf. Zodra politieke tegenstanders niet meer worden gezien als legitieme opponenten, maar als existentiële bedreigingen van een morele orde, verschuift het speelveld fundamenteel. De democratie verandert dan van een systeem van gedeelde procedures in een strijdtoneel van absolute waarheden.
Op dat punt raakt deze ontwikkeling aan fenomenen als radicalisering en terrorisme. In mijn boek Jihad of verstandsverbijstering( 2017) heb ik terrorisme beschreven als een uiterste poging om een vorm van betekenis te herstellen in een wereld die als chaotisch of leeg wordt ervaren. Niet in de zin dat elke religieuze of politieke overtuiging tot geweld leidt, maar wel in de zin dat geweld ontstaat waar de ruimte voor ambiguïteit is ingestort. Terrorisme is in die lezing geen anomalie, maar een symptoom van een wereld waarin het verlangen naar absolute zekerheid sterker wordt dan de bereidheid om onzekerheid te verdragen.
In die context wordt ook duidelijk waarom “de terugkeer van het absolute” zo belangrijk is. De moderne westerse samenleving heeft zich lange tijd gepresenteerd als seculier en pragmatisch. Waarheid werd contextueel, moraal werd onderhandelbaar, identiteit vloeibaar. Maar onder die oppervlakte bleef altijd een spanning bestaan tussen die vloeibaarheid en het menselijke verlangen naar een vaste grond. Wanneer dat verlangen onvoldoende wordt aangesproken binnen democratische structuren, zoekt het naar alternatieve uitwegen, zoals religieuze herinterpretaties, complottheorieën, radicale politieke bewegingen of nihilistisch extremisme.
Zo bezien moet het opkomend christelijk extremisme niet zozeer worden gezien als een vreemd anachronisme, maar als een hedendaagse vorm van hernieuwde verankering van het geloof: een poging om een gefragmenteerde werkelijkheid opnieuw te ordenen vanuit één moreel perspectief. Dat verklaart ook de emotionele kracht van deze beweging. Het gaat niet alleen om beleid of politiek, maar primair om zingeving. Daarom is het debat over dit soort zaken ook zo geladen: het raakt aan de vraag wie überhaupt nog mag bepalen wat als ultieme waarheid mag gelden.
Daarnaast blijft het van belang om hier een grens te trekken tegen al te eenvoudige interpretaties. Het idee dat deze stroming één coherent plan zou hebben om democratieën wereldwijd omver te werpen, houdt bij nadere beschouwing geen stand. Wat wél aan ed orde is, is een groeiende interne spanning binnen liberale democratieën als zodanig. Dat is een spanning tussen pluralisme en homogeniteit, tussen relativiteit en absolutisme, tussen institutionele complexiteit en de menselijke behoefte aan eenvoud. In die spanning bewegen deze bewegingen zich, soms institutioneel, soms ontwrichtend, maar zelden als één centraal gestuurde kracht.
Wat mij daarbij vooral intrigeert, is dat dezelfde spanning ook zichtbaar is in andere vormen van radicalisering, inclusief de seculiere varianten. Het absolutisme van een ideologie hoeft niet religieus verankerd te zijn om dezelfde logica te volgen. Ook politieke of technologische utopieën kunnen een vergelijkbare structuur aannemen in het geloof dat de wereld te herstellen is door haar fundamenteel te herscheppen volgens één leidend principe. In die zin is het onderscheid tussen religieus en seculier absolutisme minder scherp dan vaal wordt verondersteld.
De terugkeer van het absolute, waar ik eerder op doelde, is daarom geen terugkeer naar één specifieke religie of ideologie, maar eerder een terugkeer van een primitieve mentale houding. Een manier van denken waarin onzekerheid niet langer wordt verdragen, maar acuut moet worden opgelost. Maar juist daar ontstaat het risico van escalatie: wanneer elke vorm van twijfel verdwijnt, verdwijnt ook de ruimte voor democratische frictie.
Tegen die achtergrond krijgt de opkomst van christelijk extremisme in de Verenigde Staten een bredere betekenis. Het maakt deel uit van een grotere herschikking van politiek en zingeving in een laat-moderne wereld. Dat is een wereld waarin instituties nog bestaan, maar waarin het vertrouwen in die instituties niet langer vanzelfsprekend is. Steeds meer mensen zoeken gaan dan op zoek naar vormen van zekerheid die buiten die instituties liggen.
Wat resteert is een ongemakkelijke vraag: is het niet zo dat elke religie – zelfs het christendom – in haar grondbeginselen een potentiële hang naar terroristisch geweld in zich draagt. De woorden uit Matteüs 10:34–36 over het “brengen van het zwaard” worden vaak gelezen als een rechtstreekse oproep tot geweld, terwijl ze in deze context ook kunnen wijzen op de ontregelende werking van een radicaal morele of spirituele keuze: het geloof scheurt bestaande loyaliteiten open, zelfs binnen het gezin. Juist die sfeer van breuk en absolutisme krijgt in het huidige Amerikaanse debat een nieuwe, en soms verontrustende lading.
In bepaalde stromingen van het hedendaagse christendom in de Verenigde Staten wordt de religieuze taal opnieuw verbonden met politieke strijd, waarbij het idee van een absolute waarheid zich zelfs tegen het pluralistische compromis van de democratie keert. Wat in het Matteüs-evangelie een existentiële metafoor is voor een innerlijke ommekeer, kan in zo’n maatschappelijke context verschuiven naar een legitimatie van een harde tegenstellingen tussen “ware gelovigen” en “afvalligen”, met nieuwe vormen van terreur als mogelijk gevolg hiervan.
