Het komt niet zo vaak meer voor dat mijn brein mij ’s nachts op een van zijn wonderlijke dwaaltochten meesleept. Misschien hoort dat bij het ouder worden. De slaap wordt lichter, de dromen korter en het onderbewuste lijkt zijn wilde haren te hebben verloren. Maar vannacht was het weer raak. Ik droomde dat Hitler de oorlog gewonnen had. Dat was op zichzelf niet eens het vreemde van de droom. Het merkwaardige was dat niemand zich daar nog over verbaasde. Het was altijd zo geweest. Geschiedenisboeken vertelden dat de overwinning van het Derde Rijk een historisch onvermijdelijke ontwikkeling was geweest. Democratie gold als een ongelukkige vergissing uit een primitieve tijd. Vrijheid was een jeugdzonde van de mensheid, een ziekte die gelukkig was overwonnen. Niemand sprak nog over dictatuur. We leefden eenvoudigweg in de best mogelijke samenleving. Alles werd geregeld door De Leider, De Partij, de Wetenschap en de Toekomst, en dat bleek wonderwel hetzelfde te zijn.
Na de oorlog waren er merkwaardig genoeg ook geen babyboomers gekomen. Tenminste, niet zoals wij die kennen. Toch liepen ze overal rond. Ze droegen sandalen, linnen jasjes en een permanent schuldbesef. Ze organiseerden verzetsbijeenkomsten tegen een verleden dat nooit had bestaan en ontvingen onderscheidingen voor hun morele moed. Babyboomers zijn tenslotte verzetsstrijders zonder Hitler. Ze zijn te laat geboren om helden te kunnen zijn en brengen daarom hun leven door met de overtuiging dat zij zich, als de omstandigheden maar iets ongunstiger waren geweest, ongetwijfeld dapper zouden hebben gedragen. In mijn droom kregen ze daarvoor jaarlijks een officiële medaille uitgereikt. De plechtigheid werd rechtstreeks uitgezonden op alle zenders en afgesloten met een minuut applaus voor hun denkbeeldige moed.
Werkelijk verzet bestond allang niet meer. Dat was ook niet nodig. Iedereen geloofde immers hetzelfde. Er was geen censuur meer, omdat niemand nog iets wilde zeggen dat afweek van de algemeen aanvaarde waarheid. Het systeem had ontdekt dat vrijwillige gehoorzaamheid veel efficiënter werkte dan dwang. Mensen corrigeerden elkaar voortdurend. De Partij hoefde nauwelijks nog in te grijpen; de burgers deden het werk zelf. Wie aarzelde werd niet gearresteerd, maar vriendelijk uitgenodigd voor een cursus Positief Vooruitgangsdenken. Daarna kwam vrijwel iedereen opgelucht terug. Men had eindelijk geleerd hoe prettig het is om niet langer zelf te hoeven nadenken.
De samenleving had intussen een bijna volmaakte vorm aangenomen. De oude slogan “Bloed en Bodem” was vervangen door een modernere variant: “Hoe meer techniek, hoe meer natuur.” Dat klonk aanvankelijk tegenstrijdig, maar juist daarom geloofde iedereen erin. Bossen werden gekapt om plaats te maken voor natuurbelevingscentra. Weilanden verdwenen onder distributiehallen waarin algoritmen berekenden hoe groen het landschap vroeger was geweest. Datacenters verbruikten de elektriciteit van duizenden windmolens om kunstmatige intelligenties draaiende te houden die onafgebroken onderzochten hoe de biodiversiteit kon worden verbeterd. Omdat de berekeningen steeds gunstiger uitvielen, hoefden vogels zelf nauwelijks nog terug te keren. Hun digitale tweelingen bleken veel betrouwbaarder.
Wetenschap was allang geen methode meer om de werkelijkheid te onderzoeken. Zij was de werkelijkheid geworden. Twijfel gold als een achterhaalde eigenschap uit de tijd dat mensen nog dachten dat waarheid ontdekt moest worden. Tegenwoordig werd waarheid geproduceerd. Iedere maand verscheen een nieuwe versie, zorgvuldig getest en gecertificeerd. Grafieken namen de plaats in van gebeden. Modellen vervingen het geweten. Professoren droegen priestergewaden waarop QR-codes waren geborduurd. Wie zo’n code scande, kreeg onmiddellijk de laatste update van de werkelijkheid binnen. Het gaf een geruststellend gevoel. Niemand hoefde zich nog af te vragen of iets waar was. De wetenschap had het immers al vastgesteld, en als dat morgen anders bleek te zijn, dan werd eenvoudig een nieuwe versie van de waarheid uitgerold.
De Toekomst was het enige tijdvak dat nog werkelijk bestond. Het heden fungeerde slechts als doorgangshuis en het verleden werd jaarlijks herschreven om beter aan te sluiten bij wat nog komen moest. Overal werden Autobahnen aangelegd. Niet omdat er zoveel verkeer was, maar omdat beweging een doel op zichzelf was geworden. Stilstand werd beschouwd als een gevaarlijke vorm van nostalgie. Zelfs de koeien droegen bewegingssensoren en ontvingen een waarschuwing wanneer zij te lang herkauwden. Regen viel uitsluitend nadat een algoritme daarvoor toestemming had verleend. Zonsondergangen waren alleen nog beschikbaar voor houders van een Premium-abonnement. De maan werd periodiek geüpdatet om beter aan te sluiten bij de Europese klimaatdoelen.
Aanvankelijk vond ik dat allemaal nog tamelijk geruststellend. Er ging iets troostrijks uit van een wereld waarin overal een verklaring voor bestond. Maar naarmate de droom voortduurde bekroop mij een groeiend ongemak. Het viel mij op dat niemand nog ergens naar verlangde. Alles wat ooit utopie was geweest, was beleid geworden. Alles wat ooit absurd had geleken, heette nu innovatie. Ik kreeg het gevoel dat de toekomst zichzelf voortdurend aan het verbeteren was zonder ooit ergens aan te komen. Opeens dacht ik: de toekomst kan mij gestolen worden. Op dat moment herinnerde ik mij iets wat ik allang vergeten was. Jaren geleden, zo wist ik ineens weer, had een buitenaards wezen tijdens mijn slaap een chip in mijn hersenen geplaatst. Niet zomaar een chip, maar een ontstekingsmechanisme. Wanneer ik slechts één woord uitsprak – “Vuur!” – explodeerde precies datgene waarnaar ik keek.
Ik stapte uit bed en liep de straat op. De zon kwam op boven Leeuwarden alsof ook zij volgens een gemeentelijke vergunning werkte. De stad lag er rustig bij. Niemand leek zich bewust van de naderende ramp. Ik keek naar het Paleis van Justitie op het Zaailand. Zonder enige emotie sprak ik het woord uit. Meteen volgde een oorverdovende explosie. Het gebouw steeg langzaam omhoog, alsof de zwaartekracht zelf even had besloten een vrije dag op te nemen. Duizenden brokstukken draaiden sierlijk door de lucht. Het had iets onwezenlijk moois. Ik bleef minutenlang staan kijken. Daarna daalden de stenen geruisloos neer, precies geordend volgens de laatste richtlijnen voor circulair bouwen.
Ik liep verder naar het Fries Museum. Ik heb nooit een bijzondere hekel aan dat gebouw gehad, maar dromen zijn niet geïnteresseerd in redelijkheid. Ook hier sprak ik hetzelfde woord uit. Opnieuw volgde een majestueuze ontploffing. De glazen gevel vouwde zich open als een kaartenhuis. Archeologen uit het jaar 3125 verschenen onmiddellijk ten tonele om de ruïne veilig te stellen als cultureel erfgoed van de toekomst. Nog voordat de laatste steen was neergekomen, werd een internationale architectuurprijs toegekend aan de esthetiek van de verwoesting. De jury sprak van “een baanbrekende bijdrage aan de duurzame beleving van vergankelijkheid.”
Ik begon er plezier in te krijgen. De Blokhuispoort ging eraan, gevolgd door de Achmeatoren, het Provinciehuis en uiteindelijk zelfs de Oldehove. Dat laatste vond ik eigenlijk jammer, want een scheve toren recht opblazen is een vorm van esthetisch vandalisme. Toch vloog ook de Oldehove met een daverende klap de lucht in, waarna hij kaarsrecht tussen de wolken bleef hangen. Het was een wonderlijk gezicht. Voor het eerst in zijn geschiedenis stond de toren volmaakt recht. Meteen ontstond er onder architectuurhistorici een felle discussie of de explosie misschien de oorspronkelijke bedoeling van de bouwmeester was geweest.
Het merkwaardigste moest toen nog komen. Na iedere explosie verschenen op grote schermen overal in de stad nieuwe cijfers. Mijn duurzaamheidsscore steeg spectaculair. Mijn CO₂-voetafdruk bleek onverwacht te zijn afgenomen. De beurskoersen schoten omhoog. Aannemers ontvingen onmiddellijk nieuwe opdrachten. Projectontwikkelaars prezen de ongekende kansen voor stedelijke vernieuwing. De minister sprak tevreden over een impuls voor de economische groei. Er werd een Taskforce Wederopbouw ingesteld, nog voordat het stof was neergedaald. Mijn verzet bleek de motor van het systeem te zijn. Iedere vernietiging leverde nieuwe investeringen op. Zelfs de puinhopen werden onmiddellijk opgenomen in een subsidieprogramma voor innovatieve erfgoed-ontwikkeling.
Toen drong het tot mij door dat ik helemaal geen rebel was. Ik speelde slechts de rol die voor mij was bedacht. Zelfs mijn verlangen naar vernietiging was al doorgerekend in de modellen. De revolutie maakte deel uit van het businessplan. Protest was een verdienmodel geworden. Iedere explosie voedde de machine die ik juist had willen stilzetten. Dat was misschien wel de grootste verschrikking van de hele droom. Niet dat de dictatuur alles beheerste, maar dat zelfs de opstand tegen de dictatuur zorgvuldig was ingepland. Er bestond geen buiten meer. Alles, zelfs de ontkenning, werd onmiddellijk opgenomen in het systeem dat zij bestreed.
Op dat moment werd ik wakker. Ik keek uit het raam. Leeuwarden lag er nog precies zo bij als de avond ervoor. De Oldehove helde onverstoorbaar uit het lood. Het Paleis van Justitie stond nog fier overeind. Zelfs het Fries Museum had de nacht zonder noemenswaardige schade doorstaan. Ik voelde opluchting, maar tegelijk ook een merkwaardige teleurstelling. Kennelijk schuilt er diep in ieder mens een verlangen om af en toe iets definitief te zien verdwijnen. Niet uit haat, maar uit nieuwsgierigheid. Een explosie is de kortste weg naar de waarheid. Alles wat overbodig is verdampt; alleen de brokstukken blijven over.
Dit is de verborgen aantrekkingskracht van iedere catastrofe. Niet de vernietiging zelf, maar de hoop dat onder het puin eindelijk weer iets zichtbaar wordt wat niet ontworpen, gepland, gemodelleerd of geoptimaliseerd is. Soms bekruipt mij de gedachte dat wij in een tijd leven waarin alles voortdurend vernieuwd moet worden om vooral hetzelfde te kunnen blijven. Vandaar wellicht dat zomaar een vreemd verlangen kan ontstaan naar de ruïnes van het heden.
