What’s going on?

‘AI maakt mogelijk dat je als kunstenaar ook nieuwe wegen verkent voor het uiten van je ideeën. Ik ben bijvoorbeeld nu voor het eerst een roman aan het schrijven, met hulp van AI. Over de kunstwereld, biologie en technologie. Wat ik moeilijk vind is een dialoog schrijven, en AI kan mij daarbij helpen. Ik moet wel alles invoeren, zo’n AI verzint het echt niet zelf. Ik zou nooit een roman gaan schrijven als AI niet bestond.’

Dat verklaarde Mieke Gerritzen, creatief directeur van het bedrijf Next Nature, op 14 juli jongstleden in de NRC. Ik vroeg me af hoe zo’n met behulp van AI geschreven roman eruit zou zien. Of sterker nog: hoe een roman eruitziet die je volledig door AI laat schrijven, zonder dat je zelf nog iets anders doet dan af en toe op de Enter-toets drukken en goedkeurend knikken.

Jaren geleden heb ik mij voorgenomen om ooit een roman te schrijven. Het is er helaas nooit van gekomen. Het was overigens ook geen gewone roman die ik voor ogen had, maar een roman die zich als het ware vanzelf zou schrijven, zonder dat ik daarvoor verantwoordelijk kon worden gehouden. Een roman die door het toeval zou ontstaan.

Mijn plan was eenvoudig. Elke dag zou ik mij naar de plaatselijke bibliotheek begeven en daar een tiental kranten van de leestafel pakken. Uit elke krant zou ik precies één zin overschrijven. Niet zomaar een willekeurige zin, maar één die volgens een streng mathematisch toevalsprocedé werd geselecteerd. Drie worpen met een dobbelsteen leverden drie cijfers op. Het eerste cijfer verwees naar de pagina van de krant, het tweede naar de kolom op die pagina en het derde naar de betreffende zin in die kolom. Zo zou ik elke dag tien zinnen mee naar huis nemen en ieder exemplaar zorgvuldig op een systeemkaart noteren.

Na een jaar – waarin 6 × 52 = 312 krantendagen voorbijgaan – beschikte ik over 3120 zinnen. Bij gemiddeld twaalf woorden per zin leverde dat een tekst op van 37.440 woorden. Na drie jaar had ik een respectabele roman van ruim 112.000 woorden verzameld. Het enige probleem was dat deze roman nog geen enkele structuur bezat. Alle zinnen zaten, keurig chronologisch geordend, in kaartenbakken opgeslagen. Ze moesten alleen nog in de juiste volgorde worden gezet.

Schrijven is uiteindelijk niets anders dan woordjes in de juiste volgorde plaatsen. Karel van het Reve zei ooit over zijn broer Gerard dat die daar toevallig uitzonderlijk goed in was. Ikzelf dacht een stap verder te zijn. Ik hoefde geen woorden meer te ordenen; ik hoefde alleen nog maar complete zinnen op de juiste plaats te leggen.

Daar had ik het volgende op bedacht. Ik zou een kamer in mijn huis volledig leegmaken. Alle systeemkaartjes zouden op de vloer worden uitgespreid. Wat dan ontstond, was een gigantische legpuzzel waarvan niemand wist hoe de afbeelding eruit hoorde te zien. Ik zou beginnen met de randen: de eerste en de laatste bladzijde. Daarna de hoofdstukken. Vervolgens de binnenstukken. 

Dagenlang zou ik gebukt door de kamer schuifelen, kaartjes verschuivend met de geconcentreerde blik van iemand die een moord probeert op te lossen die nog niet heeft plaatsgevonden. Soms zou een alinea ineens wonderwel aansluiten op een passage die twee meter verderop lag. Dan weer bleek een sportverslag verrassend goed te passen tussen een overlijdensadvertentie en een beursbericht. Geleidelijk zou uit duizenden losse zinnen een verhaal ontstaan dat niemand had bedacht, maar dat achteraf volstrekt onvermijdelijk leek.

Pas daarna zou ik mij de vrijheid veroorloven kleine wijzigingen aan te brengen. Een minister werd een kruidenier, een voetbaltrainer veranderde in een psychiater en verschillende namen zouden worden teruggebracht tot een handvol vaste personages. Misschien zou ik zelfs alle namen vervangen door dezelfde naam. Dat leek me overzichtelijk. Uiteindelijk zou een wonderlijke roman ontstaan, een boek dat niemand ooit bewust had kunnen schrijven. Uiteraard zou ik mijn werkwijze geheimhouden. 

Het manuscript zou ik naar een gerenommeerde uitgever sturen als een volledig oorspronkelijk werk. In zekere zin was dat ook zo. De recensies zouden lovend zijn. “Een radicale nieuwe stem.” “Een verbluffende compositie.” “De auteur slaagt erin de versnippering van de moderne werkelijkheid op magistrale wijze vorm te geven.” Geen recensent zou beseffen dat hoofdstuk zeven grotendeels afkomstig was uit de regionale editie van de Zwolse Courant.

Eigenlijk is mijn methode niet eens zo heel anders dan wat tegenwoordig met AI gebeurt. Alleen werkt AI aanzienlijk sneller. Waar ik drie jaar nodig had om honderdduizend woorden te verzamelen, produceert een taalmodel die hoeveelheid tekst tijdens een kop koffie. Het verschil is alleen dat mijn kaartenbak gevuld werd met zinnen die ooit werkelijk door mensen zijn geschreven, terwijl AI een statistische kansberekening maakt van wat waarschijnlijk de volgende zin zou moeten zijn. Het resultaat oogt even verrassend, maar de verrassing is zorgvuldig berekend.

Toch begint hier een interessant probleem. Stel dat je werkelijk een complete roman door AI laat schrijven. Niet als hulpmiddel, maar van begin tot eind. Je geeft één opdracht: “Schrijf een grote Nederlandse roman over liefde, klimaatverandering, de dood, een Friese postbode, een verdwaalde octopus en de teloorgang van de democratie.” Tien minuten later ligt er een manuscript van vierhonderd pagina’s. Het bezit een keurige spanningsboog, geloofwaardige dialogen, subtiele karakterontwikkeling en een ontroerend slot waarin de postbode de octopus loslaat in een overstroomde terp. Alles klopt. Misschien klopt het zelfs iets te goed.

Maar wie heeft die roman dan eigenlijk geschreven? De computer? De programmeurs? De miljoenen auteurs wier boeken ooit zijn gebruikt om het model te trainen? Of degene die de prompt bedacht? Misschien is de schrijver inmiddels gereduceerd tot iemand die steeds betere opdrachten formuleert. De muze is vervangen door een zoekvenster.

Het merkwaardige is bovendien dat AI juist buitengewoon slecht lijkt te zijn in echte dwaasheid. Het systeem kan moeiteloos een absurde scène produceren waarin Napoleon als pizzabezorger door Dokkum fietst terwijl Spinoza een Tikkie stuurt naar God. Maar na drie alinea’s begint alles weer verdacht logisch te worden. De dialogen krijgen psychologische diepgang, de personages ontwikkelen zich en ergens op bladzijde 276 blijkt de pizza een metafoor voor existentiële eenzaamheid. AI kan nauwelijks weerstand bieden aan betekenis. Zelfs de grootste onzin wordt uiteindelijk netjes opgeruimd.

Dat is misschien wel het fundamentele verschil met menselijke verbeelding. Een mens kan jarenlang vasthouden aan een volstrekt zinloos idee. Hij kan drie jaar lang krantenknipsels verzamelen om daarmee een roman te bouwen waarvan niemand begrijpt waarom hij überhaupt bestaat. Hij kan een kamer vol kaartenbakken aanleggen zonder ooit zeker te weten of er iets uit zal voortkomen. AI daarentegen wil altijd behulpzaam zijn. Zij heeft een ingebouwde neiging om orde te scheppen, verbanden te leggen en losse eindjes af te hechten. Het algoritme lijdt aan een ongeneeslijke vorm van beleefdheid.

Misschien zou je AI daarom juist moeten saboteren. Je zou haar elke ochtend een nieuwe opdracht moeten geven die de vorige tegenspreekt. Laat hoofdstuk drie zich afspelen vóór hoofdstuk één. Laat de hoofdpersoon onderweg vergeten dat hij de hoofdpersoon is. Laat de moordenaar sterven voordat hij geboren wordt. Introduceer een personage dat uitsluitend voorkomt in voetnoten. Of beter nog: laat alle personages langzaam ontdekken dat zij geschreven worden door een AI die zelf weer wordt aangestuurd door een tweede AI, die op haar beurt slechts een romanfiguur blijkt te zijn uit een boek van iemand die nooit heeft bestaan. Pas dan begint het misschien ergens op literatuur te lijken.

Het is natuurlijk een wonderlijke methode. Maar zo gek is zij nu ook weer niet. Ik heb mij eens laten vertellen dat Laurens ten Cate in de laatste jaren van zijn leven – na een ernstig verkeersongeluk – te kampen had met hersenletsel. Schrijven kostte hem steeds meer moeite. Om dat obstakel te overwinnen verzamelde hij zinnen in kaartenbakken. In zijn huis stonden op den duur nauwelijks nog meubels, alleen kaartenbakken vol taal. Zo schreef hij zijn laatste columns voor de Leeuwarder Courant: al puzzelend met eerder geformuleerde zinnen, net zolang totdat zich een tekst aandiende. Misschien had hij onbewust een analoge versie van ChatGPT gebouwd, bestaande uit kartonnen kaartjes, elastiekjes en een onverzettelijk geloof dat taal uiteindelijk vanzelf een vorm zoekt.

Zoiets zou je de ironie van de menselijke verbeelding kunnen noemen. We zijn geneigd te denken dat AI iets radicaal nieuws heeft voortgebracht: een machine die teksten schrijft zonder auteur. Maar de droom dat een tekst zichzelf schrijft is zo oud als de literatuur zelf. Eeuwenlang schreven dichters hun ingevingen toe aan de Muzen, kunstenaars aan inspiratie, surrealisten aan het toeval en psychologen aan het onderbewuste. Steeds weer dook dezelfde gedachte op: dat de schrijver niet zozeer de maker is, maar het medium waardoor een tekst zich aandient.

What’s going on? Het enige wat werkelijk veranderd is, is de naam die we aan die onzichtbare medeauteur geven. Vroeger heette hij inspiratie, toeval of de stem van het onbewuste. Tegenwoordig noemen we hem een prompt. Dat is wellicht de grootste grap van de geschiedenis van de literatuur: de schrijver heeft eindelijk een machine gebouwd die zijn oudste fantasie lijkt te verwezenlijken, om vervolgens te ontdekken dat die fantasie altijd al de motor van het schrijven is geweest.