‘De strijd tegen de almacht van big tech is een noodzakelijke strijd voor autonomie. Waar de Verenigde Staten onder invloed van Thiel, Andreessen en Musk kiezen voor accelereren naar een transhumanistische toekomst en een ongekende fusie van staats- en bedrijfsmacht – de ‘autoritaire stack’ waar de Italiaanse onderzoeker Francesca Bria voor waarschuwt – zal Europa voor een ander pad moeten kiezen. Niet het pad van de Chinese staatscontrole, noch dat van het Amerikaanse surveillancekapitalisme, maar een eigen, derde weg van digitale soevereiniteit waarbij mens, aarde en het hier en nu niet langer het onderspit delven.’
Dat schrijven George van Hal en Laurens Verhagen in hun boek De Techbro’s. Hoe de futuristische fantasieën van enkele miljardairs de wereld veranderen in een nachtmerrie (2026). Hun centrale boodschap is dat de toekomst die wordt voorgesteld door een kleine groep machtige techondernemers niet alleen een kwestie is van nieuwe uitvindingen en technische vooruitgang. Het gaat om een veel fundamentelere verandering: een ander mensbeeld en een andere inrichting van de samenleving. Achter de belofte van een grenzeloze technologische toekomst schuilt een wereld waarin steeds meer aspecten van het menselijk bestaan worden vertaald in data, algoritmen en systemen die worden beheerst door private ondernemingen. Het probleem is daarbij niet de technologie zelf, maar de concentratie van macht over de richting waarin die technologie zich ontwikkelt.
De waarschuwing van Van Hal en Verhagen raakt daarom aan een vraag die verder reikt dan de invloed van enkele miljardairs in Silicon Valley. De inzet van deze strijd is uiteindelijk niet alleen wie de digitale infrastructuur van de toekomst beheerst, maar ook wat er gebeurt met onze verhouding tot de werkelijkheid. Technologie verandert niet alleen de manier waarop wij communiceren, werken en produceren, maar ook de manier waarop wij kijken, ervaren en betekenis geven. De vraag naar digitale soevereiniteit blijkt daarmee verbonden met een diepere vraag: hoe bewaren wij het vermogen om onderscheid te maken tussen wat werkelijk is en wat slechts een overtuigende nabootsing daarvan lijkt?
Die ontwikkeling is overigens niet begonnen met de komst van de kunstmatige intelligentie. De wortels ervan liggen veel verder terug, in een culturele verschuiving die zich in de twintigste eeuw langzaam heeft voltrokken. Een veelzeggend voorbeeld zag ik onlangs in de BBC-documentaire A Night at the Rijksmuseum. Wat mij trof, waren niet alleen de meesterwerken die in beeld kwamen, maar vooral de manier waarop de presentator zich tot die kunst verhield. Hij bewoog zich door de zalen in een voortdurende staat van opwinding. Bij ieder schilderij volgde een uitroep van verbazing: “Wow! It’s unbelievable!” Zijn enthousiasme werd bijna een voorstelling op zichzelf. Op een gegeven moment gaf hij zelfs een conservator een high five. Het leek alsof niet alleen het kunstwerk bewonderd moest worden, maar vooral ook de ervaring van het bewonderen.
Juist die scène laat iets wezenlijks zien van onze tijd. Het museum is steeds minder uitsluitend een plaats van beschouwing geworden en steeds meer een omgeving waarin bezoekers worden ondergedompeld in een bepaalde sfeer. De bezoeker moet niet alleen kijken, maar deelnemen. Beleef het leven van Mata Hari. Stap binnen in de wereld van Rembrandt. Ruik de geschiedenis. Voel het verleden. De werkelijkheid wordt een decor waarin de ervaring van het individu zelf centraal staat.
Deze ontwikkeling beperkt zich allang niet meer tot musea. Vrijwel alles moet tegenwoordig worden beleefd. Een stad wordt niet langer alleen bezocht, maar ervaren. Een landschap wordt niet alleen bekeken, maar beleefd. Een restaurant verkoopt geen maaltijd, maar een totaalervaring. De taal van de marketing heeft zich verspreid naar vrijwel alle domeinen van het bestaan. Het woord ‘experience’ is uitgegroeid tot een sleutelbegrip van een cultuur waarin niet langer alleen de betekenis van iets telt, maar vooral de intensiteit van het gevoel dat het oproept. Gilmore en Pine beschreven die ontwikkeling al in 1999 in hun boek The Experience Economy.
De oorsprong van deze verschuiving ligt in een fundamentele verandering van het moderne bewustzijn. Aan het begin van de twintigste eeuw verloren oude zekerheden over mens en wereld stilaan hun vanzelfsprekendheid. een mens zag zichzelf steeds minder als onderdeel van een vaste kosmische orde en steeds meer als een wezen dat zijn bestaan zelf betekenis moest geven. De werkelijkheid was niet langer een onveranderlijk gegeven buiten de mens, maar werd verbonden met perspectief, tijd, herinnering en vooral: ervaring. Het innerlijk werd haast oneindig groot ten koste van de werkelijkheid zelf.
Dat inzicht heeft de moderne cultuur enorm verrijkt. Het maakte ruimte voor nieuwe vormen van kunst, literatuur en filosofie. De mens werd zich ervan bewust dat hij de wereld nooit volledig objectief waarneemt, maar altijd vanuit een bepaalde positie en vanuit een specifieke geschiedenis. In de kunst werd dit voor het eerst zichtbaar in het het impressionisme. Bij Monet ging het niet langer uitsluitend om het landschap zelf, maar om de manier waarop het landschap zich op een bepaald moment aan een waarnemer toont. Het schilderij werd een ontmoeting tussen werkelijkheid en bewustzijn: een weerslag van een momentane ervaring. Dat was en bevrijding uit het strakke stramien van traditionele codes die de nabootsing van de werkelijkheid tot dan toe hadden beheerst.
Maar in deze bevrijding lag ook een risico besloten. Wanneer de persoonlijke ervaring het belangrijkste criterium wordt, dreigt de werkelijkheid zelf voortaan steeds meer naar de achtergrond te verdwijnen. De vraag wat iets is, maakt dan plaats voor de vraag wat iets met mij doet. De ervaring wordt uiteindelijk een consumptiegoed: zij moet bijzonder zijn, intens en onmiddellijk beschikbaar. Zoiets vraagt als het waren om exploitatie en vercommercialisering.
De technologische ontwikkeling van de afgelopen eeuw heeft deze tendens gaandeweg steeds meer versterkt. De fotografie maakte het mogelijk om momenten vast te leggen. Film bracht beweging en emotie rechtstreeks in beeld. Televisie maakte de wereld gelijktijdig toegankelijk. Met internet en sociale media werd iedere gebeurtenis onmiddellijk deelbaar. Langzaam verdween de grens tussen beleven en tonen. Tenslotte heeft de smartphone deze ontwikkeling voltooid. Wij kijken steeds vaker naar de werkelijkheid met de vraag hoe zij zal verschijnen op een scherm. Een reis wordt een verzameling beelden. Een maaltijd wordt een foto. Een concert wordt een opname. Een persoonlijke gebeurtenis wordt een bericht aan een publiek. De ervaring lijkt pas volledig wanneer zij zichtbaar en deelbaar is geworden.
Daarmee is onze verhouding tot de werkelijkheid ingrijpend veranderd. Vroeger maakten wij beelden om ervaringen te bewaren. Nu beleven wij ervaringen steeds vaker om beelden te maken. De representatie komt niet meer achteraf, maar bepaalt hoe wij de gebeurtenis zelf beleven. Hier raken de ontwikkelingen die Van Hal en Verhagen beschrijven aan een bredere culturele verandering die al lange tijd gaande is. De macht van big tech berust niet alleen op controle over apparaten en infrastructuren, maar ook op het vermogen om onze aandacht te sturen en onze ervaringen te organiseren. De digitale economie draait uiteindelijk om één schaars goed: menselijke aandacht. Alles moet zichtbaar, aantrekkelijk en onmiddellijk beschikbaar zijn.
De paradox daarvan is dat een cultuur die voortdurend nieuwe indrukken aanbiedt, uiteindelijk steeds minder werkelijk lijkt te raken. De overvloed aan beelden leidt niet vanzelf tot meer inzicht. Wie voortdurend wordt overspoeld door prikkels, verliest juist het vermogen om onderscheid te maken tussen wat wezenlijk is en wat vluchtig blijft. Die wonderlijke tv-scène in het Rijksmuseum krijgt vanuit dat perspectief een andere betekenis. De enthousiaste presentator was geen uitzondering, maar een symbool van een veel bredere ontwikkeling. Zijn verwondering moest zichtbaar, hoorbaar en deelbaar zijn. Het kunstwerk werd onderdeel van een ervaring waarin ook de bezoeker zichzelf presenteert.
Daarmee komen wij bij de kern van de huidige crisis: de prangende vraag naar authenticiteit. Lange tijd ging men ervan uit dat beelden, teksten en geluiden uiteindelijk verwezen naar een werkelijkheid buiten zichzelf. Een foto verwees naar iets dat werkelijk had plaatsgevonden. Een stemopname verwees naar een echte menselijke stem. Een document verwees naar een feit. Natuurlijk konden beelden worden gemanipuleerd en konden mensen liegen, maar er bleef een werkelijkheid bestaan waaraan waarheid en bedrog konden worden getoetst. Met de komst van kunstmatige intelligentie is die situatie uiteindelijk definitief veranderd. Beelden kunnen worden gemaakt van gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden. Stemmen kunnen worden nagebootst. Teksten kunnen worden geproduceerd die nauwelijks nog van menselijke geschriften te onderscheiden zijn. De AI-technologie maakt niet alleen representaties van de werkelijkheid, maar kan ook overtuigende alternatieve werkelijkheden produceren.
De vraag is daardoor niet langer alleen wat mooi is, maar vooral wat echt is. En die vraag raakt de fundamenten van een democratische samenleving die ook steeds meer onder druk komt te staan. Democratie kan alleen functioneren wanneer er, ondanks verschillen van mening, een gedeelde werkelijkheid bestaat. Wanneer feiten zelf voortdurend ter discussie staan, ontstaan niet alleen conflicten tussen opvattingen, maar tussen complete werkelijkheden. Sociale media versterken deze ontwikkeling. De enorme hoeveelheid informatie die ons bereikt, heeft niet automatisch geleid tot meer kennis. Nieuws, reclame, propaganda, persoonlijke meningen en verzonnen verhalen verschijnen naast elkaar in dezelfde informatiestroom. Het algoritme maakt daarbij geen onderscheid tussen waarheid en onwaarheid; het beloont vooral wat aandacht trekt.
Daarom is de crisis van onze tijd niet alleen een crisis van informatie, maar vooral van betekenisgeving. Een mens heeft behoefte aan samenhangende verhalen die het bestaan verbinden met iets groters. Wanneer traditionele verbanden verdwijnen, ontstaat ruimte voor nieuwe vormen van zingeving: politieke extremen, complottheorieën en digitale gemeenschappen waarin gelijkgestemden elkaar voortdurend bevestigen. De beleveniscultuur heeft daarmee een onverwachte keerzijde gekregen. Zij beloofde ogenschijnlijk een nieuw soort vrijheid en nieuwe vormen van zelfontplooiing, maar heeft inmiddels ook geleid tot een samenleving waarin het individu voortdurend bezig is zichzelf te produceren en te reproduceren. Het eigen ik werd een project, een profiel, een verzameling beelden en voorkeuren die voortdurend moet worden bijgewerkt. De eigen profielfoto is al verouderd zodra het op internet wordt geplaatst.
Kunstmatige intelligentie sluit naadloos aan bij deze ontwikkeling. Zij kan niet alleen teksten en beelden produceren, maar ook steeds beter voorspellen wat ons aanspreekt en welke prikkels onze aandacht trekken. De technologie die ons meer vrijheid lijkt te geven, wordt tegelijkertijd een systeem dat onze verlangens steeds nauwkeuriger in kaart brengt. Daarmee keert een oude vraag terug in een nieuwe gedaante: waar bevindt zich nog een ruimte waarin de mens zichzelf werkelijk kan ontmoeten? Niet als profiel, niet als consument, niet als een verzameling data, maar als iemand die openstaat voor een werkelijkheid die niet door hemzelf is gemaakt om het systeem te gerieven.
Omgekeerd ligt daar nog altijd de betekenis van kunst. Niet omdat kunst een vlucht biedt uit de werkelijkheid, maar omdat zij ons opnieuw met die werkelijkheid zelf confronteert. Een schilderij, een roman of een muziekstuk vraagt iets wat de digitale cultuur steeds moeilijker maakt: aandacht, geduld en de bereidheid om niet onmiddellijk door te gaan naar het volgende beeld. De grootste waarde van kunst ligt daarom niet in de ervaring die zij produceert, maar in de weerstand die zij biedt. Een belangrijk kunstwerk laat zich nooit volledig consumeren. Het behoudt iets wat zich daaraan onttrekt, en juist daarin ligt zijn betekenis.
In een wereld waarin steeds meer kan worden gesimuleerd, wordt het vermogen om onderscheid te maken tussen schijn en werkelijkheid misschien wel de belangrijkste menselijke vaardigheid. Zonder dat vermogen zouden we onder het juk belanden van nieuwe vormen van totalitaire macht, maar nu aangedreven door de technologie.
