Tussen Venetië en Silicon Valley

Venetië is altijd een stad geweest waar de tijd zich anders gedraagt. Elders stroomt de geschiedenis als een rivier die onverschillig naar zee trekt. In Venetië lijkt zij stil te staan, alsof het water weigert verder te stromen. Misschien is dat ook de reden waarom deze stad mij telkens weer bezighoudt. Venetië is geen museum, geen openluchtdecor voor toeristen en zelfs geen verzameling monumenten. Het is een spiegel waarin de beschaving zichzelf ziet verouderen. De stenen zakken langzaam weg in het water, terwijl de gevels nog altijd schitteren in het licht van de lagune. Schoonheid en verval hebben er een verbond gesloten dat nergens zo zichtbaar is als daar. De stad lijkt voortdurend te fluisteren dat niets eeuwig is, juist op het moment dat alles de schijn van eeuwigheid wekt.

Die gedachte dringt zich des te sterker op nu wij leven in een tijd waarin opnieuw de droom opduikt dat de geschiedenis overwonnen kan worden. Ooit geloofde men dat wetenschap en techniek de mens zouden bevrijden van ziekte, schaarste en oorlog. Tegenwoordig is dat oude vooruitgangsgeloof verschoven naar de digitale wereld. De nieuwe profeten wonen niet langer in kathedralen of universiteiten, maar in Silicon Valley. Hun heilige teksten zijn geen religieuze openbaringen, maar sciencefictionromans. Hun toekomstbeelden zijn bevolkt met kunstmatige intelligenties, digitale dubbelgangers, virtuele werelden en een mens die zichzelf achter zich laat. Opmerkelijk genoeg lijken zij zich nauwelijks af te vragen of de verhalen die hen inspireren ooit als waarschuwing bedoeld waren. Een dystopie wordt zonder veel moeite gelezen als een ondernemingsplan.

Misschien is dat wel het meest eigenaardige kenmerk van onze tijd. Waar eerdere generaties nog onderscheid maakten tussen utopie en waarschuwing, lijkt dat onderscheid te vervagen. Romans waarin de mens zijn vrijheid verliest aan machines of algoritmen worden gelezen als blauwdrukken voor innovatie. Alsof de literatuur haar ironie heeft verloren. Alsof de verbeelding niet langer een spiegel is, maar een handleiding. De droom van de totale virtualisering, waarin de werkelijkheid uiteindelijk wordt vervangen door een perfect ontworpen simulatie, is allang geen onderwerp meer voor schrijvers alleen. Ze leeft in laboratoria, investeringsfondsen en bestuurskamers.

Soms denk ik terug aan een droom die ik ooit had. Ik bevond mij in een ruimteschip boven Venetië. Onder mij lag de stad als een herinnering die zich had losgemaakt van de aarde. Er klonk muziek die nergens vandaan leek te komen. Het was alsof verleden en toekomst samenvielen in één gewichtloos ogenblik. Dat was geen droom over Venetië, maar over onze eigen tijd. Wij zijn bezig een werkelijkheid te bouwen waarin iedere plaats tegelijk aanwezig kan zijn, ieder verleden onmiddellijk oproepbaar is en iedere ervaring eindeloos reproduceerbaar wordt. De ruimte overwint de tijd. Alles wordt gelijktijdig. Alles wordt beschikbaar. Maar juist daardoor dreigt de tijd zelf te verdwijnen.

Walter Benjamin schreef ooit dat de geschiedenis niet bestaat uit een keten van vooruitgang, maar uit puinhopen waarop de storm van de vooruitgang blijft neerslaan. Ik moet daar vaak aan denken wanneer ik de dagelijkse nieuwsbeelden zie. Oorlogen keren terug alsof de twintigste eeuw nooit is afgelopen. Grenzen worden opnieuw betwist. Democratieën blijken minder vanzelfsprekend dan wij dachten. Achter de taal van veiligheid en nationale wedergeboorte verschijnt opnieuw het verlangen naar de sterke leider, de eenvoudige waarheid en de absolute vijand. Alsof de mens uiteindelijk toch moeilijk kan leven zonder een mythe die groter is dan hijzelf.

Extremisme is in wezen altijd een vlucht uit de onzekerheid geweest. Niet de twijfel, maar de zekerheid oefent de grootste verleiding uit. Wie beweert over de enige waarheid te beschikken, hoeft niet langer na te denken. Dat gold voor religieuze fanatici, voor revolutionairen en voor totalitaire ideologieën. Tegenwoordig krijgt hetzelfde verlangen een nieuwe technische gedaante. Algoritmen beloven de optimale beslissing. Kunstmatige intelligentie suggereert een vorm van objectiviteit die de menselijke twijfel overbodig maakt. Wat vroeger door God werd geweten, wordt straks berekend door een machine. De oude metafysica keert terug in digitale vorm.

Daarin schuilt een gevaar dat groter is dan de techniek zelf. Machines zijn niet totalitair. Mensen kunnen dat wel zijn. Zodra een samenleving gelooft dat complexe morele vragen gereduceerd kunnen worden tot berekeningen, ontstaat een nieuw soort absolutisme. Niet langer gebaseerd op ras, klasse of religie, maar op data. De mens wordt een verzameling patronen, voorkeuren en voorspellingen. Vrijheid verandert ongemerkt in optimalisatie. Wie afwijkt van het model wordt niet veroordeeld, maar gecorrigeerd.

Venetië lijkt daar het volstrekte tegendeel van. Juist omdat de stad nooit rationeel is gebouwd. Zij is ontstaan uit improvisatie, toeval en overlevingskunst. Niets klopt er helemaal. Straten lopen dood, stegen buigen onverwacht af, bruggen verbinden oevers die nergens heen lijken te leiden. De stad laat zich niet optimaliseren. Misschien is zij daarom zo modern geworden. Zij herinnert eraan dat beschaving niet ontstaat uit perfectie, maar uit onvolmaaktheid.

Toch is ook Venetië niet geheel ontsnapt aan de logica van het systeem. De stad is steeds meer een decor geworden. Bezoekers fotograferen niet langer wat zij zien; zij zien wat gefotografeerd kan worden. Het beeld gaat vooraf aan de ervaring. Soms vraag ik mij af of wij inmiddels niet allemaal in een soort Venetië zijn gaan wonen: een wereld waarin representatie belangrijker is geworden dan aanwezigheid. Wij leven tussen schermen waarop de werkelijkheid voortdurend wordt nagebouwd, verbeterd en gefilterd. Het origineel raakt steeds verder uit zicht.

De gedachte aan het origineel doet mij opnieuw verdwalen in Venetië. En al dwalend herinner ik mij opeens een schilderij van Titiaan dat ik ooit zag op een tentoonstelling in deze stad. Het is een gruwelijk tafereel: het villen van Marsyas, een scene die ooit beschreven werd door Ovidius. De oude meester schilderde geen harmonie, maar horror. Alsof de schilder wilde zeggen dat iedere echte scheppingsdaad begint met het afstropen van een huid. Achter iedere schoonheid schuilt een wond. Achter iedere openbaring een verlies. Misschien geldt dat ook voor onze eigen tijd. De digitale revolutie belooft een nieuwe wereld, maar zij trekt tegelijkertijd de huid van de oude werkelijkheid af. Wat daaronder verschijnt weten wij nog niet.

Het merkwaardige is dat juist de makers van die nieuwe wereld zich vaak laten inspireren door verhalen waarin deze ontwikkeling desastreus afloopt. Zij bewonderen de visionaire kracht van de schrijver, maar vergeten diens waarschuwing. Het is alsof men de mythe van Icarus leest als een handleiding voor betere vleugels. Natuurlijk zal de mens blijven vliegen. Natuurlijk zal de techniek zich verder ontwikkelen. Maar de vraag waarom wij vliegen en waarheen, lijkt nauwelijks nog gesteld te worden.

Dit zou wel eens de de crisis van onze tijd kunnen zijn. Niet dat wij te weinig antwoorden hebben, maar dat wij de vragen vergeten. Alles moet sneller, slimmer en efficiënter, terwijl nauwelijks nog wordt gesproken over wijsheid. Kennis stapelt zich op in databanken, maar inzicht laat zich niet automatiseren. Kunstmatige intelligentie kan miljoenen teksten analyseren, maar zij kent geen heimwee. Zij weet niets van melancholie, niets van het gevoel dat je overvalt wanneer de avondzon de gevels van Venetië rood kleurt en je beseft dat schoonheid juist ontroert omdat zij vergankelijk is.

Daarin ligt het wezenlijke verschil tussen een mens en een machine. Een machine kent geen verlies. Zij bewaart alles. De mens leeft juist dankzij het vergeten. Herinneringen krijgen betekenis doordat zij vervagen. Liefde bestaat bij de gratie van haar kwetsbaarheid. Kunst ontstaat uit het besef dat alles voorbijgaat. Zonder eindigheid zou schoonheid betekenisloos worden. De esthetische ervaring is geen overwinning op de dood, maar een kort uitstel van executie.

Dat verklaart ook waarom de gedachte aan de zogenaamde digitale onsterfelijkheid mij eerder verontrust dan troost biedt. Wat blijft er over van een mens wanneer zijn stem, gezicht en herinneringen eindeloos kunnen worden gereproduceerd? Een schaduw zonder sterfelijkheid. Een echo zonder stilte. Venetië weet beter. De stad leeft dankzij haar kwetsbaarheid. Iedere vloed herinnert eraan dat zij ooit zal verdwijnen.

Juist daarom blijft deze stad ontroeren. Haar schoonheid is geen overwinning op het verval, maar een vorm van edele rotting. Zoals een grote wijn zijn karakter ontleent aan een subtiel begin van ontbinding, zo ontleent Venetië haar geheim aan het besef dat schoonheid en vergankelijkheid onafscheidelijk zijn. Wie de dood uit de wereld wil verwijderen, verwijdert uiteindelijk ook de schoonheid.