Hoe kun je tegenwoordig nog eerlijk zijn? 

To be honest…’ Die woorden hoor je tegenwoordig steeds vaker. Zodra iemand een gesprek begint met de mededeling dat hij nu eens eerlijk zal zijn, spits ik mijn oren. Niet omdat ik verwacht eindelijk de waarheid te horen, maar juist omdat ik wantrouwig ben geworden. De waarheid kondigt zichzelf niet aan. Zij dient zich zelden aan met tromgeroffel of morele stelligheid. Wie nadrukkelijk beweert dat hij eindelijk zegt waar het op staat, heeft meestal meer op het oog dan alleen de waarheid. Hij wil overtuigen, ontregelen, gezag verwerven of de suggestie wekken dat alle anderen liegen. De woorden ‘to be honest’ zijn de retorische variant geworden van: geloof mij, want ik ben anders dan de rest.

Die houding zie je tegenwoordig overal terug. Politici bedienen zich ervan, opiniemakers evenzeer en op sociale media is zij uitgegroeid tot een vast stijlmiddel. Juist degenen die beweren eindelijk de waarheid te spreken, blijken vaak het meest bedreven in het scheppen van een eigen werkelijkheid. Dat is misschien wel de grootste paradox van onze tijd. Nog nooit werd er zo veel gesproken over authenticiteit, transparantie en eerlijkheid, terwijl de grens tussen werkelijkheid en voorstelling steeds poreuzer wordt. Kunstmatige intelligentie schrijft teksten die niet van menselijke teksten zijn te onderscheiden, algoritmen bepalen welke werkelijkheid wij voorgeschoteld krijgen en beelden zijn tegenwoordig even gemakkelijk te fabriceren als vroeger een alinea tekst.

Hoe kun je tegenwoordig nog eerlijk zijn? Niemand doet dat. Zelfs de eerlijkste autobiografie is een selectie. Elke herinnering is al een interpretatie, iedere bekentenis een vorm van regie. De schrijver laat iets zien, maar bepaalt tegelijkertijd wat verborgen blijft. Juist daardoor ontstaat het merkwaardige verschijnsel dat de waarheid zich vaak vermomt als een leugen, terwijl de leugen zich voordoet als waarheid.

Dat geldt misschien nog sterker voor een weblog. Toen ik daar jaren geleden mee begon, had ik geen idee wat zo’n medium met een mens doet. Ik beschouwde het aanvankelijk als een digitaal notitieboek, een plaats waar persoonlijke observaties, herinneringen en beschouwingen elkaar konden ontmoeten. Maar gaandeweg ontdekte ik dat een weblog nooit alleen een verzameling teksten is. Het wordt een spiegel waarin je jezelf langzaam ziet veranderen. Niet omdat je bewust een rol speelt, maar omdat schrijven altijd een vorm van zelfconstructie is. Iedere tekst voegt iets toe aan het beeld dat anderen van je vormen. Uiteindelijk ga je dat beeld ook zelf geloven.

Een weblog is daarom tegelijk een bekentenis en een maskerade. Alles wat ik over mijzelf schrijf, berust op feiten, maar feiten vormen nog geen waarheid. Zij krijgen pas betekenis binnen een verhaal. Dat verhaal is nooit neutraal. Je kiest accenten, legt verbanden en laat stiltes vallen. De schrijver wordt ongemerkt ook een personage. Hij observeert niet alleen de wereld, maar ook zichzelf, alsof hij tegelijk acteur en toeschouwer is.

Dat inzicht is overigens niet nieuw. Al in zijn Belijdenissen ontdekte Augustinus dat volledige eerlijkheid onmogelijk is. Hij richtte zich rechtstreeks tot God, maar juist daardoor ontstond een merkwaardige spanning. Tegen wie sprak hij eigenlijk? Tot God? Tot zichzelf? Of toch vooral tot de toekomstige lezer? Eeuwen later begon Rousseau zijn Bekentenissen met de hoogmoedige belofte dat hij eindelijk een mens zou tonen zoals hij werkelijk was. Het is misschien wel de beroemdste overdrijving uit de geschiedenis van de autobiografie. Juist op het moment dat iemand beweert zich volledig bloot te geven, begint de literatuur.

Dat geldt nog steeds. Wie voortdurend benadrukt hoe authentiek hij is, roept eerder wantrouwen op dan vertrouwen. Bescheidenheid kan een strategie zijn om bewondering af te dwingen. Eerlijkheid evenzeer. Achter de meest oprechte ontboezeming kan een zorgvuldig geregisseerde voorstelling schuilgaan. Dat is geen moreel verwijt; het is een menselijke eigenschap. Wij leven nu eenmaal niet zonder maskers. Misschien is een mens zelfs niets anders dan de verzameling maskers die hij gedurende zijn leven leert dragen.

Toch heeft die oude waarheid de laatste jaren een nieuwe betekenis gekregen. Het masker is niet langer uitsluitend een psychologisch verschijnsel, maar ook een technologisch. Sociale media hebben van identiteit een permanent project gemaakt. Iedereen bouwt aan een publieke versie van zichzelf. Niet alleen influencers of politici, maar ook gewone burgers onderhouden een digitaal zelfportret dat voortdurend wordt bijgewerkt. Tegelijkertijd kijken algoritmen met ons mee. Zij registreren onze voorkeuren, voorspellen ons gedrag en sturen ongemerkt onze aandacht. De oude vraag ‘wie ben ik?’ heeft plaatsgemaakt voor een andere vraag: ‘welke versie van mij ziet het algoritme?’

Daarmee verandert ook de positie van de schrijver. Vroeger schreef hij voor onbekende lezers. Tegenwoordig schrijft hij ook voor machines die zijn woorden analyseren, ordenen en doorgeven. Zelfs deze tekst zal ooit worden gelezen door systemen die hem samenvatten, classificeren of gebruiken als trainingsmateriaal voor weer nieuwe teksten. De schrijver is niet langer alleen in gesprek met zijn publiek, maar ook met een digitale infrastructuur die hij niet kent en nauwelijks begrijpt.

Dat verklaart ook waarom zoveel mensen tegenwoordig hunkeren naar absolute zekerheden. Hoe vloeibaarder de werkelijkheid wordt, des te groter de behoefte aan een onaantastbaar fundament. Dat fundament wordt gezocht in nationalisme, in complottheorieën, maar ook steeds vaker in religie. Niet de religie van twijfel, mystiek of naastenliefde, maar een religie die zich presenteert als een onwrikbare politieke waarheid.

Dat si tegelijk ook het verontrustende van de opkomst van het christelijk extremisme in de Verenigde Staten. Deze beweging beroept zich voortdurend op eerlijkheid. Zij zegt eindelijk hardop wat anderen niet meer durven te zeggen. Zij beweert de Bijbel letterlijk te nemen, de waarheid te herstellen en Gods orde terug te brengen in een wereld die door liberalisme, wetenschap en secularisatie zou zijn ontspoord. Maar achter die retoriek van waarheid gaat een politieke strategie schuil. Het Evangelie wordt niet gelezen als een uitnodiging tot zelfonderzoek, maar als een legitimatie van macht. De Bijbel verandert van een spiegel in een zwaard.

Wat zich hier aftekent is niet alleen een religieus of politiek verschijnsel, maar een verschuiving in de manier waarop waarheid zelf wordt opgevat. Waar waarheid vroeger iets was dat men zocht, onderzocht en benaderde, wordt zij steeds vaker voorgesteld als iets dat men bezit. Wie de waarheid bezit, hoeft niet meer te twijfelen. En wie niet twijfelt, hoeft ook niet meer te luisteren. Dat is precies het punt waarop waarheid omslaat in dogma, en dogma in rechtvaardiging van handelen dat zichzelf niet langer hoeft te verantwoorden.

In die zin is het christelijk extremisme niet zozeer een terugkeer naar het geloof van vroeger, maar eerder een moderne vorm van absolutisme. Het combineert religieuze taal met politieke directheid en mediale zichtbaarheid. Het spreekt in slogans die doen alsof zij onthullingen zijn. ‘To be honest’ wordt hier een politieke stijlfiguur: eindelijk zeggen wat iedereen diep van binnen al zou weten. Maar juist dat beroep op een veronderstelde vanzelfsprekendheid maakt het gevaarlijk. Want wat als dat ‘diep van binnen’ niet langer een moreel kompas is, maar een collectief geconstrueerde illusie?

In die context krijgt ook het schrijven zelf een andere lading. Een weblog, ooit begonnen als een persoonlijke ruimte van reflectie, blijkt achteraf een klein experiment in publieke zelfconstructie. Wat begon als observatie verandert in representatie. Wat begon als vrijheid verandert in zichtbaarheid. En zichtbaarheid is nooit neutraal. Wie zichtbaar is, wordt gelezen, gecodeerd, geïnterpreteerd en uiteindelijk ook gebruikt. Niet alleen door mensen, maar ook door systemen die het verschil tussen oprechte intentie en strategische formulering niet meer kennen.

Daarmee komt een oude filosofische vraag opnieuw terug, maar nu in een nieuwe gedaante. Augustinus vroeg zich af hoe een mens zich tot God kan richten als hij tegelijk gevangen zit in de tijd en in de taal. Vandaag zouden we kunnen vragen hoe een mens zich nog tot zichzelf kan richten in een wereld waarin zijn woorden onmiddellijk worden opgenomen in een eindeloze stroom van data, analyse en replicatie. De bekentenis is niet verdwenen, maar versnipperd geraakt. Zij circuleert zonder beginpunt en zonder eindpunt.

De hedendaagse cultuur is niet zozeer post-waar, maar post-eenstemmig. Er is niet één waarheid die verloren is gegaan, maar een veelheid van waarheden die elkaar voortdurend bestrijden zonder dat er nog een instantie is die daarboven kan oordelen. Het is in dat spanningsveld dat nieuwe vormen van radicalisering ontstaan. Niet alleen politiek of religieus, maar ook epistemologisch: het idee dat je toegang hebt tot een directe, onbemiddelde waarheid die anderen niet zien. Dat is de kern van veel hedendaags absolutisme, en ook van bepaalde vormen van christelijk extremisme. De ander is niet langer iemand met een afwijkend perspectief, maar iemand die blind is voor de waarheid die jij al bezit.