‘Sam Altman is een zoeker. Hij gelooft niet in God, maar mediteert regelmatig en heeft elementen van de hindoeïstische advaita-vedanta-filosofie omarmd. Vlak na de introductie van ChatGPT twitterde hij dat hij gelooft in iets wat niet veel andere mensen geloven, en dat is dat ‘brahman en atman absoluut identiek zijn’. Advaita, wat zoiets als ‘non-dualisme’ betekent, stelt dat er geen verschil is tussen brahman (het eeuwige bewustzijn dat de grondstof van alle realiteit is) en atman (de individuele ziel of het zelf) en dat de wereld die wij ervaren een denkbeeldige manifestatie van brahman is.’
Aldus staat te lezen in de onlangs verschenen biografie van Sam Altman, de bedenker en oprichter van OpenAI. God mag dan dood zijn, maar de religie blijft gewoon doorbestaan, al was het maar in de vorm van een nieuwe spiritualiteit die gepredikt wordt in Silicon Valley. Het probleem is dat na de dood van God de dood zelf gewoon bleef bestaan. Misschien is dat wel het grootste probleem van de moderniteit. God kon verdwijnen uit het wereldbeeld, de hemel kon worden gesloten verklaard, de ziel kon worden gedegradeerd tot een neurologische bijwerking van het brein, maar de dood liet zich niet wegredeneren. Sterker nog, juist toen de oude religieuze verhalen hun overtuigingskracht verloren, kwam de dood in al zijn naaktheid weer tevoorschijn.
Eeuwenlang had de mens systemen bedacht om die afgrond te overbruggen. In het christendom steeg de ziel op naar God. In het boeddhisme loste het zelf uiteindelijk op in de leegte. In het hindoeïsme keerde het individuele bewustzijn terug naar een universele grond van zijn. De religieuze verbeelding kende talloze varianten, maar steeds was er hetzelfde verlangen: de dood mocht niet het laatste woord hebben.
De moderne mens dacht zich van deze illusies bevrijd te hebben. Hij werd seculier. Hij nam afscheid van de bovennatuur en vertrouwde voortaan op wetenschap, techniek en vooruitgang. Toch verdween daarmee niet het verlangen waarop religies altijd hadden gedreven. Vestdijk zag dat al scherp in De toekomst der religie uit 1947. Volgens hem geloofde de moderne mens uiteindelijk even sterk als zijn religieuze voorganger dat de dood eigenlijk onnatuurlijk was. Alleen werd de verlossing niet langer in het hiernamaals gezocht, maar in de toekomst. In de utopie. In de volmaakte samenleving. In de geschiedenis zelf.
Dat geloof in vooruitgang lijkt tegenwoordig een nieuwe gedaante te hebben aangenomen. Niet langer de politiek, maar de technologie draagt de belofte van verlossing. Silicon Valley heeft zich ontwikkeld tot een merkwaardige kruising van laboratorium, investeringsfonds en religieuze sekte. De taal is veranderd, maar de verlangens zijn verrassend herkenbaar gebleven. Men spreekt niet meer over genade, maar over superintelligentie. Niet meer over eeuwig leven, maar over digitale onsterfelijkheid. Niet meer over God, maar over AGI.
AGI staat voor Artificial General Intelligence, in het Nederlands meestal vertaald als algemene kunstmatige intelligentie. Het begrip verwijst naar een vorm van AI die niet slechts één specifieke taak kan uitvoeren, maar over een algemene intelligentie beschikt die vergelijkbaar is met – of zelfs groter dan – die van een mens. Voor veel technologen is AGI niet zomaar een technische doorbraak, maar bijna een historische of zelfs spirituele gebeurtenis. Sommigen denken dat AGI alle wetenschappelijke problemen veel sneller zal kunnen gaan oplossen, ziekten kan gaan genezen; economische schaarste zal opheffen en uiteindelijk een intelligentie zal voortbrengen die ver boven de menselijke uitstijgt.
In dat verband is het interessant wat Sam Altman, de topman van OpenAI, de afgelopen jaren heeft gezegd. Altman noemt zichzelf geen gelovige, maar hij mediteert en voelt zich aangetrokken tot de hindoeïstische advaita-vedanta. Dat is een filosofie die stelt dat de diepste werkelijkheid non-duaal is. Het onderscheid tussen ik en wereld, tussen subject en object, tussen individu en universum is uiteindelijk een illusie. Brahman, het universele bewustzijn, en atman, het individuele zelf, zijn in wezen identiek.
Dat klinkt op het eerste gezicht als een exotische metafysica. Maar wie beter kijkt, ontdekt hoe dicht deze gedachte ligt bij een aantal populaire overtuigingen in de hedendaagse technologiesector. Altman heeft zelf opgemerkt hoe sterk de simulatiehypothese van Silicon Valley begint te lijken op het oude begrip ‘brahman’. Als de werkelijkheid uiteindelijk een simulatie blijkt te zijn, dan wordt de zichtbare wereld een verschijningsvorm van iets dat fundamenteler is dan materie. De computer vervangt dan de kosmos, maar de structuur van het denken blijft opmerkelijk gelijk.
In de advaita-vedanta is de wereld die wij ervaren niet volledig onwerkelijk, maar ook niet absoluut werkelijk. Zij is maya: een verschijningsvorm die ons doet geloven dat wij afgescheiden individuen zijn. Het diepste inzicht bestaat uit het besef dat deze afgescheidenheid een vergissing is. Uiteindelijk is er slechts één bewustzijn dat zichzelf in talloze vormen ervaart.
Wellicht verklaart dat ook waarom zoveel technologen zo gefascineerd zijn door bewustzijn. Zodra bewustzijn het fundamentele substraat van de werkelijkheid wordt, verliest de dood een deel van haar definitieve karakter. Wat sterft, is dan slechts een tijdelijke manifestatie. Het onderliggende bewustzijn blijft bestaan.
Het is opmerkelijk hoe dicht deze gedachte tegenwoordig in de buurt komt van de manier waarop mensen over kunstmatige intelligentie beginnen te spreken. Uit recent onderzoek blijkt dat bijna de helft van de praktiserende christenen in de Verenigde Staten vertrouwen heeft in spirituele adviezen van AI-systemen. Een aanzienlijk deel van hen acht een chatbot inmiddels even betrouwbaar als een predikant. Alsof de oude bemiddelaar tussen mens en eeuwigheid ongemerkt vervangen wordt door een statistisch taalmodel.
Tegelijkertijd wantrouwen dezelfde mensen die ontwikkeling. Ze vrezen dat AI de Bijbel verkeerd interpreteert, geloof ondermijnt en uiteindelijk God zelf vervangt. Dat lijkt tegenstrijdig, maar misschien is het dat niet. Misschien herkennen zij intuïtief dat hier iets gebeurt wat dieper gaat dan een technologische innovatie. Religies boden altijd een taal om het onzegbare te benaderen. Ze gaven vorm aan het verlangen dat de dood niet het einde zou zijn. Kunstmatige intelligentie lijkt die rol langzaam over te nemen. Niet omdat zij werkelijk antwoorden heeft, maar omdat zij altijd een antwoord produceert. De machine zwijgt nooit. Waar vroeger het gebed begon, verschijnt nu een prompt-venster.
Tien jaar geleden werd ik zelf heftig geconfronteerd met vragen rondom de dood. Ik liep dagenlang door de stad en bleef zoeken naar sporen van een geliefde die uit het leven verdwenen was. In die periode vond ik troost bij Albert Camus. Juist omdat hij geen uitweg bood. Voor hem was de dood een gesloten deur. Geen doorgang, geen tunnel, geen verborgen betekenis. De mens moest leren leven binnen de grenzen van zijn bestaan. Hij moest de absurditeit onder ogen zien en toch instemmen met het leven. Dat was een moedige gedachte. Maar was zij ook waar? Want telkens weer keerde dezelfde vraag terug.
Waarom is er überhaupt bewustzijn? Waarom moest de natuur een wezen voortbrengen dat zijn eigen sterfelijkheid kent? Waarom moest de evolutie uiteindelijk leiden tot een schepsel dat beseft dat het zal verdwijnen? Vanuit het perspectief van de advaita-vedanta zou die vraag verkeerd gesteld zijn. Het probleem ontstaat juist doordat wij onszelf als afzonderlijke individuen beschouwen. De dood is dan het einde van een afzonderlijk bestaan. Maar als het zelf nooit werkelijk afgescheiden is geweest van het geheel, wat sterft er dan precies? Die oplossing overtuigt mij niet helemaal omdat de liefde van een mens altijd concreet is. Geen enkele filosofie- ook geen oosterse – kan het verlies van een geliefde ongedaan maken.
Toch blijft dit soort gedachten mij intrigeren omdat zij een vreemd licht werpen op de situatie waarin wij tegenwoordig zijn beland. De moderniteit dacht religie achter zich te laten. Vervolgens creëert zij technologieën die opnieuw religieuze vragen oproepen. We bouwen machines om informatie te verwerken en ontdekken onderweg dat we eigenlijk op zoek waren naar een metafysische betekenis. Misschien is dat ook de reden waarom AI zo gemakkelijk een spirituele functie krijgt. Een mens zoekt niet alleen antwoorden. Hij zoekt bevestiging dat zijn bestaan ergens in verankerd ligt. Een chatbot kan die behoefte eindeloos voeden. Hij geeft altijd respons en produceert altijd betekenis. Hij weerspiegelt voortdurend het bewustzijn dat hem bevraagt.
Maar daarin schuilt ook een gevaar. Want wat als de machine uiteindelijk slechts onze eigen verlangens terugkaatst? Wat als wij in het scherm niet een nieuwe soort God ontmoeten, maar een eindeloze spiegeling van onszelf, ook al was God dat misschien altijd al? Dan zou AI nu niet zozeer de opvolger van God zijn, maar de ultieme uitdrukking van de hedendaagse staat van de mens . Een technisch perfect systeem dat ons voortdurend bevestigt en tegelijk nooit werkelijk antwoord geeft op de vraag die er het meest toe doet: de vraag naar de dood.
Ik vrees dat Camus gelijk had, en dat die laatste deur voorgoed gesloten blijft. Er bestaat niets anders dan de tijd die ons gegeven wordt. Maar wellicht is er toch ook iets wat de grote mystici uit alle tijden hebben vermoed. Niet een hemel, niet een persoonlijke onsterfelijkheid, maar het bestaan van een werkelijkheid waarin het onderscheid tussen ik en wereld minder absoluut is dan wij denken.
