Mijn zoon Jurriaan wees me op een artikel dat gisteren verscheen op de site van The Register: “LLMs are closer to religion than they appear. Watch out for those who like it that way.” Alleen de titel al heeft iets geruststellends apocalyptisch, alsof we bij voorbaat al weten dat het mis is, maar nog even willen uitzoeken hoe precies. LLM’s – Large Language Models – zijn in technische zin vrij nuchtere dingen: systemen die getraind zijn op enorme hoeveelheden tekst om patronen in taal te herkennen en vervolgens zelf weer nieuwe tekst te produceren. Ze doen dat met een ijver die je bijna menselijk zou kunnen noemen, ware het niet dat ze geen mens hebben om dat mee te zijn.
Het artikel betoogt dat deze systemen niet alleen technische artefacten zijn, maar ook trekken vertonen die verdacht veel lijken op religieuze structuren. En zoals dat gaat met alles wat op religie lijkt, verschijnt er onmiddellijk een tweede laag: de suggestie dat sommige bedrijven, denkers en bewegingen daar ook nog eens bijzonder graag gebruik van maken. AI als iets dat niet alleen functioneert, maar ook verheven kan worden. Liefst tot net boven de mens, waar het zicht beter is en de twijfel net iets verder weg.
De kern blijft ondertussen tamelijk prozaïsch. Een taalmodel herkent statistische verbanden tussen woorden, zonder toegang tot waarheid, ervaring of betekenis in menselijke zin. Maar zodra het begint te antwoorden, gebeurt er iets merkwaardigs: het klinkt alsof er wél iemand thuis is. En dat “alsof” blijkt in de praktijk vaak meer dan genoeg.
Het gevolg is dat gebruikers antwoorden ontvangen met een gezag dat niet in verhouding staat tot de onderliggende mechaniek. Alsof een zeer belezen echo opeens als orakel wordt ingezet. Het artikel wijst erop dat dit niet onschuldig is. Rond AI circuleert inmiddels een vocabulaire dat eerder uit eschatologie lijkt te komen dan uit computerwetenschap: singulariteit, verlossing, onsterfelijkheid, digitale goddelijkheid. Silicon Valley als theologie met een iets beter marketingbudget.
Wat vroeger nog werd aangekondigd in termen van vooruitgang, krijgt nu soms de toon van openbaring. Niet: “dit kan beter worden”, maar: “dit zal ons overstijgen.” En ergens tussen keynote en toekomstvisie ontstaat dan iets wat verdacht veel lijkt op geloof, maar dan zonder de ouderwetse twijfel die het doorgaans draaglijk hield.
Ook religieuze instellingen blijken zich daar niet geheel onverwacht toe te moeten verhouden. Van het Vaticaan tot islamitische geleerden wordt opnieuw de vraag gesteld wat menselijke waardigheid nog betekent wanneer interpretatie, advies en betekenisgeving steeds vaker door systemen worden overgenomen die zelf nergens in geloven. Een merkwaardige situatie: de traditie die ooit monopolist was op zin, krijgt concurrentie van iets dat niet eens weet wat zin is.
De waarschuwing van The Register komt er uiteindelijk op neer dat AI zelf niet religieus is, maar dat mensen er religie in beginnen te zien. Dat is een belangrijk onderscheid, al vermoed ik dat het vooral theoretisch geruststellend werkt. In de praktijk is het juist de menselijke neiging om ergens betekenis in te zien die hier opnieuw haar werk doet, zoals ze dat al vrij lang en vrij hardnekkig doet.
Na het lezen bleef ik hangen bij een eenvoudiger gedachte: misschien is het niet zo interessant of AI op religie lijkt, maar waarom wij zo snel geneigd zijn die gelijkenis te maken. Alsof er onder de glimmende interface een oud reflexmechanisme meedraait dat nooit echt is uitgezet. Het verlangen naar een stem die antwoord geeft, ongeacht de herkomst van dat antwoord.
Het artikel stelt terecht dat taalmodellen functioneren binnen een symbolisch universum dat losgezongen is van directe ervaring. Ze produceren betekenis zonder ooit iets te hebben meegemaakt, en overtuiging zonder overtuigd te zijn. Een intrigerende asymmetrie, vooral omdat wij als gebruikers precies het omgekeerde doen: wij brengen ervaring mee, en laten die vervolgens bevestigen door iets dat die ervaring niet heeft.
Toch denk ik dat de vergelijking met religie nog iets verder reikt dan meestal wordt toegegeven. Religie was immers nooit alleen een systeem van waarheden, maar ook een productiemachine van betekenis: verhalen, rituelen, verklaringen, patronen die de wereld begrijpelijk maakten – of althans draaglijk. In die zin zijn taalmodellen inderdaad verwant aan theologische infrastructuren: ze genereren continu plausibele wereldbeschrijvingen op basis van een enorm corpus aan eerdere teksten. Alleen ontbreekt er één detail dat vroeger als essentieel gold: de ervaring dat er überhaupt iets wordt onthuld.
Wat mij daarbij intrigeert, is hoe gretig sommige technologische vergezichten dat ontbreken proberen te compenseren. De oude metafysica is niet verdwenen, ze heeft alleen een nieuw uniform gekregen. Waar ooit sprake was van wederkomst, spreken we nu over singulariteit. Waar ooit profeten waren, staan nu CEO’s met een strak verhaal en een nog strakkere roadmap. En waar relieken ooit zorgvuldig werden bewaard, worden nu datasets gekoesterd met een toewijding die niet altijd volledig rationeel te verklaren is.
De angst dat AI religieuze vormen zou aannemen vind ik zelf overigens niet het meest merkwaardige aspect. Eerder het idee dat technologie pas problematisch zou worden zodra ze op religie begint te lijken. Alsof ze daarvoor nog neutraal was. Terwijl elk model, elke dataset en elke interface al vol zit met aannames, economische belangen en mensbeelden die zich niet meteen als zodanig aandienen. Neutraliteit is in die zin vooral een aangename legende voor wie er tijdelijk in wil geloven.
De discussies vanuit het Vaticaan over menselijke waardigheid en AI zijn daarom interessanter dan ze op het eerste gezicht lijken. Niet omdat daar ineens technologische oplossingen worden aangedragen, maar omdat daar een vraag wordt gesteld die in veel technologische contexten opvallend snel wordt doorgeschoven: wat blijft er over van het mens-zijn wanneer steeds meer menselijke functies technisch reproduceerbaar blijken?
Dat is uiteindelijk de ironie van dit alles. AI introduceert geen nieuwe religie, maar maakt zichtbaar hoe hardnekkig oude verlangens blijven bestaan. De seculiere mens had zichzelf graag voorgesteld als iemand die de mythe definitief had achtergelaten. En precies die mens bouwt vervolgens een machine die onafgebroken nieuwe verhalen produceert, adviezen geeft over het leven en op elk moment beschikbaar is voor een vorm van zachte, onmiddellijke zinverlening.
En dan is het eigenlijk niet zo vreemd dat iemand daar iets religieus in herkent. Dat is zelfs het meest geruststellende aspect van het geheel: niet dat AI op religie lijkt, maar dat wij blijkbaar nog steeds precies dezelfde vragen stellen. Alleen is de stem die antwoord geeft inmiddels vervangen door iets dat statistisch overtuigend klinkt, maar geen idee heeft waarom. In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest van AI, die overal en nergens is, en wiens woord nog altijd waait in de wind.
