Een ruiter langs de lege hemel

Ik stond op een klein station ergens op de Veluwe, al weet ik niet meer zeker of het werkelijk Hulshorst was of alleen de herinnering aan Hulshorst. Sommige plaatsen verdwijnen namelijk niet wanneer je ze verlaat. Ze blijven ergens bestaan tussen een naam en een landschap. Het station lag verscholen tussen dennen en bittere coniferen. Er hing een stilte die niet zozeer afwezigheid van geluid was als wel de aanwezigheid van iets dat zich niet wilde laten benoemen. De rails liepen kaarsrecht naar de horizon, alsof ze een belofte deden die ze nooit van plan waren na te komen.

Ik wachtte op een trein. Tenminste, dat dacht ik. Later kreeg ik het vermoeden dat ik op iets anders wachtte. Misschien op een herinnering die nog moest ontstaan. Misschien op een onthulling die zich niet zou voltrekken. Borges schreef ergens dat schoonheid een ophanden zijnde onthulling is die zich niet voltrekt. Het station leek gebouwd om die gedachte te bewijzen. Zelfs de wind leek hier slechts met tegenzin te waaien.

Terwijl ik naar de rails keek, hoorde ik in de verte een geluid dat niet thuishoorde op een spoorlijn. Geen locomotief, geen geratel van wagons. Het was het ritmische slaan van hoeven. Eerst zwak, alsof het uit een droom kwam aanwaaien, daarna steeds duidelijker. Toen ik omhoog keek zag ik hem. Een eenzame ruiter joeg langs de hemel.

Hij reed niet over wolken en ook niet door de lucht. Het was alsof de hemel zelf zijn prairie was geworden. Zijn paard leek uit zonlicht te zijn opgebouwd. Achter hem sleepten flarden stof die geen stof konden zijn. Hij bewoog zich met een enorme snelheid voort en toch leek hij nauwelijks van zijn plaats te komen. Alsof hij al eeuwenlang dezelfde horizon achtervolgde. Heel even keek hij naar beneden. Ik kan niet uitleggen waarom, maar ik had het gevoel dat hij mij herkende. Niet als persoon, maar als medereiziger.

Hij maakte een kleine beweging met zijn hoofd, alsof hij mij uitnodigde iets te begrijpen. Op datzelfde moment reed een trein het station binnen met een godverlaten knars. De deuren gingen open. Niemand stapte uit. Niemand stapte in. De trein bleef enkele seconden staan en vertrok vervolgens weer. Meer gebeurde er niet.

Toch had ik de vreemde indruk dat juist daarin het geheim school. Niet in wat plaatsvond, maar in wat achterwege bleef. De trein verscheen, hield stil en verdween weer, alsof hij alleen gekomen was om een leegte zichtbaar te maken. Toen ik opnieuw omhoog keek, zag ik de ruiter nog altijd langs de hemel jagen. Hij leek zich niets aan te trekken van tijd of afstand. Misschien was hij al onderweg voordat de eerste trein hier ooit stopte. Misschien zou hij blijven rijden wanneer de laatste rails waren verroest. Zijn silhouet deed me denken aan een oude legende die niemand zich nog precies herinnerde. Aan iets dat verloren was gegaan en juist daardoor zijn betekenis had behouden.

Opeens moest ik denken aan die raadselachtige passage uit het gedicht over dit station:

als een oeroude legende
uit uw bossen: barse bende
rovers, rans en ruw
uit het witte veluwhart.

Jarenlang had ik geprobeerd te begrijpen wat die woorden betekenden. Later ontdekte ik dat er allerlei verklaringen bestonden op basis van biografische achtergronden van de dichter die het raadsel tot poëzie had verheven en wiens achternaam het tegendeel was van Voordal. Maar terwijl ik naar de ruiter keek, begreep ik dat zulke verklaringen mij nooit werkelijk hadden geïnteresseerd. Zodra een raadsel wordt opgelost, verliest het zijn kracht. Zoals een droom verbleekt wanneer je hem gaat interpreteren.

De ruiter wist dat kennelijk ook. Want hoewel hij bleef rijden, leek hij nergens heen te gaan. Alsof zijn bestemming niet lag aan het einde van de reis, maar in het onderweg zijn zelf. Mogelijk gold dat ook voor de trein. Misschien gold het wel voor alles wat beweegt. Mensen denken graag dat zij onderweg zijn naar een eindpunt, terwijl zij in werkelijkheid worden voortgedreven door een verlangen dat nooit helemaal vervuld wil worden.

Langzaam werd de gestalte kleiner. De hemel nam hem weer in zich op. Eerst verdween het paard, daarna de ruiter zelf, totdat er niets meer overbleef dan een trillende streep licht boven de horizon. Ik bleef alleen achter op het perron. Vanuit het bos kwam nauwelijks een geluid. Alleen wat weinig waaien van de wind, als een oeroude legende die zichzelf vergeten was. De rails glansden in de zon. De trein was verdwenen. De hemel was leeg.

Opeens wist ik niet meer zeker of ik werkelijk ergens heen wilde. De woorden van de ruiter bleven in mijn hoofd rondzingen, vermengd met een melodie die ik nog meende te kennen uit een oude country-song. Misschien, zo dacht ik bij mezelf, zijn er twee soorten reizigers: degenen die voortdurend vertrekken en degenen die op een perron ontdekken dat zij al die tijd op de juiste plaats hebben gestaan. En dan blijven staan tot het einde der tijden.  

Boven mij lag nog altijd die lege hemel, maar heel even leek het alsof daar nog een schaduw bewoog, een eenzame cowboy die achter een kudde spookrunderen aanreed. Daarna bleef alleen het zonlicht over, de stilte van het station en het vage refrein van een lied dat uit een andere wereld leek te komen, een lied over eeuwige reizigers die door de lucht blijven rijden omdat zij nooit hebben geleerd waar hun bestemming ligt. Het is een intrinsiek onvervulbaar verlangen, een heimwee naar een verloren staat van het bewustzijn, of beter gezegd een staat van on-bewustzijn dat hier op aarde niet mogelijk is.

.