Opnieuw op weg naar het einde

Toen ik mij verdiepte in het werk van Harry Mulisch, aanvankelijk vanuit mijn zoektocht naar de betekenis van mijn eigen psychose, had ik niet kunnen vermoeden dat die zoektocht mij uiteindelijk ook zou brengen bij vragen die tegenwoordig vooral in verband worden gebracht met kunstmatige intelligentie, technologische singulariteit en de toekomst van God. Toch ligt juist daar een van de meest intrigerende aspecten van Mulisch’ denken. Veel van wat hij in de jaren zestig en zeventig intuïtief voorzag, lijkt vandaag een onverwachte actualiteit te hebben gekregen.

Opmerkelijk genoeg vond ik onlangs een hedendaagse denker die in een geheel andere traditie tot vergelijkbare inzichten is gekomen. In God, techniek en alwetendheid beschrijft Mehdi Belhaj Kacem een ontwikkeling waarin de mensheid, gedreven door de techniek, langzaam eigenschappen verwerft die vroeger uitsluitend aan God werden toegeschreven. Zijn betoog doet onwillekeurig denken aan een beroemde passage uit Wenken voor de Jongste Dag, waarin Mulisch schrijft dat onze berichten zich al met de snelheid van het licht verplaatsen, dat wij blinden ziende maken, doden opwekken en uiteindelijk misschien zelfs de sterfelijkheid zullen opheffen. De mens, zo suggereert Mulisch, is bezig zichzelf goddelijke vermogens toe te eigenen.

Die gedachte klinkt vandaag minder fantastisch dan zij destijds moet hebben geklonken. De ontwikkeling van kunstmatige intelligentie, genetische manipulatie en mondiale informatienetwerken maakt zichtbaar dat de grens tussen menselijke mogelijkheden en wat vroeger als goddelijke eigenschappen werd beschouwd, steeds vager wordt. Wat Mulisch in visionaire bewoordingen beschreef, wordt geleidelijk een concrete werkelijkheid.

Voor Mulisch betekende dit niet dat God eenvoudigweg verdwenen was. Integendeel. In een van zijn meest raadselachtige formuleringen stelde hij dat God gestorven is, dat wil zeggen: zichtbaar geworden is als de technologische wereld. Technologie was voor hem geen onttovering van de werkelijkheid, maar een nieuwe gedaante van het heilige. De metafysica stond volgens hem geparkeerd voor de deur, terwijl technologie een ander woord bleek te zijn voor eschatologie.

Dat zijn merkwaardige woorden. Zij doen denken aan de beroemde uitspraak van Nietzsche over de dood van God, maar bij Mulisch krijgt die dood een onverwachte betekenis. God verdwijnt niet; Hij transformeert. Met iedere technische uitvinding wordt de gekruisigde verder in het kruis veranderd, schreef hij eens. De symbolische werkelijkheid van de religie lost op in de concrete werkelijkheid van de techniek. Wat ooit werd voorgesteld in mythen en metaforen, verschijnt nu in de vorm van machines, communicatienetwerken en wetenschappelijke kennis.

Juist op dit punt zie ik een verrassende verwantschap met het denken van Mehdi Belhaj Kacem. Ook hij beschouwt de techniek niet als een verzameling neutrale instrumenten, maar als een beslissende kracht in de evolutie van de mens. Achter de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie en mondiale informatiesystemen ziet hij de contouren verschijnen van een nieuwe vorm van collectief bewustzijn. De mensheid is volgens hem bezig een toestand te bereiken waarin kennis en informatie zich in toenemende mate concentreren. Wat vroeger de eigenschappen van God waren — alwetendheid, alomtegenwoordigheid en scheppingsmacht — worden geleidelijk immanente eigenschappen van de techniek zelf.

In feite lijkt Belhaj Kacem daarmee een radicale secularisering te voltrekken van de ideeën van Pierre Teilhard de Chardin. Deze Franse jezuïet en paleontoloog zag de evolutie als een proces van toenemende complexiteit en bewustzijn. Materie ontwikkelt zich tot leven, leven tot denken en denken uiteindelijk tot een wereldomspannende noösfeer. Aan het einde van die ontwikkeling wacht het Punt Omega, waar de mensheid in een geestelijke eenheid met zichzelf en met het universum samenvalt.

Het fascinerende is dat deze wonderlijke gedachte tegenwoordig minder absurd klinkt dan enkele decennia geleden. De mondiale verwevenheid van informatie, communicatietechnologie en kunstmatige intelligentie doet onwillekeurig denken aan Teilhards noösfeer. Alsof de aarde bezig is een nieuwe laag van bewustzijn te ontwikkelen. Alleen bevindt dat bewustzijn zich niet meer uitsluitend in menselijke hersenen, maar in een steeds complexer netwerk van mensen en machines.

Teilhard zag in dit proces uiteindelijk de wording van Christus. Belhaj Kacem daarentegen denkt volledig immanent. Bij hem is er geen transcendente God meer die de evolutie van buitenaf richting geeft. Toch blijft de structuur van zijn denken opmerkelijk teilhardiaans. Ook hij denkt op kosmische schaal. Ook hij ziet de geschiedenis als een proces waarin bewustzijn zich concentreert. Alleen is het Punt Omega bij hem niet langer God, maar de techniek zelf.

Misschien was Harry Mulisch intuïtief al veel dichter bij deze gedachte gekomen dan hij zelf besefte. Zijn fascinatie voor techniek was immers nooit louter technisch. Achter zijn beschouwingen ging een metafysische intuïtie schuil. De techniek was voor hem niet het lijk van God, maar tevens de zichtbare gedaante van het goddelijke. De secularisering van de religie ging noodzakelijk gepaard met de mythologisering van de techniek.

Daarmee raken wij aan een gedachte die mij tijdens het schrijven van dit boek steeds sterker is gaan bezighouden. Misschien bestaat er een verborgen verband tussen deze technologische toekomstvisioenen en de structuur van de psychose. Dat klinkt op het eerste gezicht misschien gewaagd, maar de overeenkomst is opmerkelijk. In een psychose kan het bewustzijn de ervaring hebben dat de grenzen tussen het individu en het universum verdwijnen. Ruimte en tijd verliezen hun vertrouwde structuur. Alles lijkt met alles verbonden. Er ontstaat een gevoel van totale betekenis en van samenvallen met een kosmisch geheel.

Teilhard de Chardin beschreef zijn Punt Omega in termen die opvallend dicht in de buurt komen van dergelijke ervaringen. De mensheid zou uiteindelijk een toestand bereiken waarin de scheiding tussen individuele geesten en het universum verdwijnt. Ook Mulisch koesterde visioenen waarin mens en kosmos naar elkaar toegroeien. Zijn hele werk wordt beheerst door het verlangen om de gespletenheid tussen subject en object, tussen geest en materie, tussen mens en wereld op te heffen.

Ik ben mij er tijdens het schrijven van dit boek steeds meer van bewust geworden dat de psychose niet alleen een ziektebeeld is, maar ook een structuur van de verbeelding kan onthullen. Zij laat iets zien van een verlangen dat diep in de menselijke cultuur verankerd ligt: het verlangen naar totaliteit. Religie, kunst, filosofie en wetenschap lijken telkens opnieuw uitdrukking te geven aan datzelfde verlangen.

Van Ernst Mach via Nietzsche en Freud keert steeds weer het vermoeden terug dat het levende niet principieel tegenover het dode staat, maar er een bijzondere configuratie van vormt. Wanneer die gedachte wordt doorgetrokken naar onze huidige technologische situatie, ontstaat een merkwaardig perspectief. Misschien is het biologische leven slechts een tussenfase in een veel groter proces van zelforganisatie van materie en informatie. Misschien is het bewustzijn geen eindpunt, maar een doorgangsstadium.

Dat vooruitzicht kan utopische verwachtingen oproepen. Het kan ook omslaan in een dystopie. Want dezelfde techniek die de mensheid dichter bij een planetaire eenheid lijkt te brengen, kan ook leiden tot vernietiging. Mulisch wees daar al op. Het eerste werkelijk goddelijke privilege dat de mens had verworven, was immers de mogelijkheid om de wereld te vernietigen. Hiroshima en Nagasaki vormden voor hem de donkere keerzijde van de technologische verlossing.

Ook vandaag is die dubbelzinnigheid zichtbaar. De opkomst van kunstmatige intelligentie gaat gepaard met visioenen van onsterfelijkheid en collectieve intelligentie, maar ook met scenario’s van ecologische ineenstorting, verlies van menselijke autonomie en zelfs het einde van de mens zoals wij die kennen. Dezelfde ontwikkeling die in utopische zin kan worden opgevat als de geboorte van een nieuwe noösfeer, kan ook uitlopen op een collectieve catastrofe.

Misschien is juist die dubbelzinnigheid het meest wezenlijke kenmerk van onze tijd. Wij leven in een periode waarin de oude godsbeelden zijn verdwenen, maar waarin het verlangen naar transcendentie niet is verdwenen. Het heeft slechts een andere vorm aangenomen. Wat vroeger werd geprojecteerd op God, wordt nu geprojecteerd op de techniek. Wat vroeger werd verwacht van de wederkomst van Christus, verwachten sommigen tegenwoordig van kunstmatige intelligentie.

En soms vraag ik mij af of Harry Mulisch niet een van de eersten is geweest die deze omkering heeft voorzien. Hij zag dat de dood van God geen einde betekende, maar een gedaanteverwisseling. Misschien was hij daarin zijn tijd ver vooruit. En misschien is het daarom dat zijn werk mij blijft fascineren. Achter zijn beschouwingen over techniek, religie en schepping doemt een vraag op die nog altijd onbeantwoord is gebleven: wat als God niet verdwenen is, maar bezig is een andere vorm aan te nemen?

Het zou kunnen dat de toekomst van God niet achter ons ligt, maar vóór ons. Niet in de hemel, maar in de evolutie zelf. Niet als een bovennatuurlijke macht buiten de wereld, maar als een bewustzijn dat zich langzaam vormt in de geschiedenis van materie, leven en techniek. Een gedachte die Teilhard de Chardin nog in christelijke termen formuleerde, die Mehdi Belhaj Kacem volledig heeft geseculariseerd, en die Harry Mulisch op zijn eigen visionaire wijze al heeft vermoed.

En soms bekruipt mij de gedachte dat de waanzin, waarover ik in dit boek schrijf, niet alleen een ontsporing van het bewustzijn blootlegt, maar ook een voorgevoel. Alsof de menselijke geest, in zijn momenten van extase en ontregeling, vooruitloopt op een werkelijkheid die nog moet ontstaan. Misschien is de psychose, in haar meest extreme vorm, een spiegelbeeld van een toekomst die nog verborgen ligt. Een toekomst waarin de mens niet langer tegenover zijn eigen scheppingen staat, maar er onherroepelijk mee is samengegroeid.