Leven in een psychotische tijd

Dat we in een psychotische tijd leven is een gedachte die steeds vaker opduikt. Niet alleen in de journalistiek of de cultuurkritiek, maar ook in de filosofie en de theorie van de technologie. Toch roept deze gedachte onmiddellijk een vraag op. Is het wel legitiem om de psychose als metafoor te gebruiken voor de toestand van onze tijd? Dreigt de psychose dan niet te veranderen in een universele passe-partout, een wondersleutel die op alle sloten past, zelfs op dat van de ondergang? Misschien is enige terughoudendheid geboden. Maar tegelijk valt niet te ontkennen dat juist de psychose een opmerkelijke gevoeligheid bezit voor fenomenen die in de hedendaagse technologische cultuur steeds nadrukkelijker zichtbaar worden.

Een psychose is immers niet alleen een ziektebeeld. Zij is ook een ervaring van ontregeling, een breuk met de vanzelfsprekende orde van de werkelijkheid. De gemeenschappelijke bodem van het gezonde verstand valt weg. Grenzen vervagen. Betekenissen gaan zweven. Tekens verwijzen niet langer naar een vast referentiepunt, maar beginnen zich eindeloos met andere tekens te verbinden. Er ontstaat een wereld van voortdurende beweging, waarin alles met alles samenhangt en niets nog een definitieve bestemming lijkt te hebben. De gedachtevlucht van de psychoticus kent geen centrum, geen hiërarchie en geen eindpunt. Er is slechts een permanente proliferatie van betekenissen.

Juist hierin ligt de merkwaardige verwantschap tussen de ervaring van de psychose en bepaalde ontwikkelingen in de moderne technologie. Het internet, sociale media, kunstmatige intelligentie en de wereldwijde informatiestromen hebben een omgeving geschapen waarin eveneens een onophoudelijke circulatie van tekens plaatsvindt. Beelden, woorden, emoties en associaties verspreiden zich met een snelheid die iedere traditionele ordening overstijgt. Het onderscheid tussen nabij en veraf, tussen werkelijk en virtueel, tussen origineel en kopie wordt steeds diffuser. Alsof de wereld zelf een toestand van gedachtevlucht is binnengetreden.

Het is geen toeval dat juist Gilles Deleuze en Félix Guattari zulke processen hebben beschreven in termen die sterk aan de psychose herinneren. In Anti-Oedipus en Mille Plateaux ontwikkelden zij een filosofie van stromen, netwerken en verbindingen. Tegenover het traditionele denken in termen van oorsprong, identiteit en hiërarchie plaatsten zij een veelheid van krachten die zich voortdurend met elkaar verknopen. Hun beroemde metafoor van het rizoom verwijst naar een centrumloos netwerk zonder begin of einde, waarin iedere verbinding nieuwe verbindingen mogelijk maakt.

Voor Deleuze en Guattari was de schizofrenie niet uitsluitend een psychiatrische stoornis, maar ook een manifestatie van een bredere maatschappelijke dynamiek. Zij zagen in de schizofreen niet alleen de patiënt die lijdt onder zijn ontregeling, maar tevens een figuur die zichtbaar maakt hoe verlangens zich onttrekken aan de opgelegde structuren van gezin, staat en samenleving. Het onbewuste was volgens hen geen theater waarin steeds opnieuw het oedipale drama werd opgevoerd, zoals Freud had gedacht, maar een fabriek waarin voortdurend nieuwe verbindingen werden geproduceerd. Verlangen was productief, niet representatief.

Daarmee verschoof ook de betekenis van de waanzin. De psychose werd niet langer uitsluitend beschouwd als een tekort, een defect of een verlies van werkelijkheid, maar tevens als een poging om een nieuwe orde te scheppen wanneer de oude is ingestort. Waanzin kon, hoe pijnlijk en destructief ook, een uitzonderlijke vorm van vitaliteit bevatten. De psychoticus construeert een eigen kosmos van betekenissen om zichzelf staande te houden in een werkelijkheid die uiteen dreigt te vallen.

Het is niet moeilijk om hierin een voorafschaduwing te herkennen van de technologische wereld waarin wij inmiddels leven. Ook daar lijkt de traditionele orde uiteen te vallen. Het lineaire denken maakt plaats voor non-lineaire netwerken. Het onderscheid tussen subject en object vervaagt. Mens en machine raken steeds inniger verweven. Kunstmatige intelligentie produceert teksten en beelden die niet langer duidelijk aan een menselijke oorsprong zijn toe te schrijven. Het lichaam wordt uitgebreid met technische prothesen. Het bewustzijn raakt ingebed in een oceaan van digitale signalen. Steeds meer ontstaat een hybride werkelijkheid waarin natuur, cultuur en techniek niet langer scherp van elkaar te onderscheiden zijn.

In zekere zin hebben Deleuze en Guattari deze ontwikkeling niet alleen voorzien, maar ook verwelkomd. Hun denken ademt een groot vertrouwen in de creatieve mogelijkheden van de deterritorialisering, het proces waarin vaste structuren worden opengebroken en nieuwe verbindingen ontstaan. Het centrumloze netwerk had voor hen een emancipatoire betekenis. Hiërarchieën zouden plaatsmaken voor veelheden, starre identiteiten voor nomadische bewegingen. De mens zou leren leven in een wereld zonder transcendent middelpunt.

Maar precies op dit punt treedt de kritiek van Mehdi Belhaj Kacem naar voren. Hij behoort tot de meest radicale erfgenamen van het deleuzianisme, maar leest Deleuze vanuit een geheel andere historische context: die van Silicon Valley, artificiële intelligentie en het mondiale technokapitalisme. Waar Deleuze nog de bevrijdende mogelijkheden van de netwerkstructuur benadrukte, ziet Belhaj Kacem vooral haar destructieve potentieel.

Volgens hem wordt de hedendaagse techniek aangedreven door wat hij de pleonectiek noemt: de logica van de excessieve vermeerdering. Alles moet steeds meer worden. Meer informatie, meer verbindingen, meer data, meer efficiëntie, meer intelligentie. De technologische ontwikkeling wordt niet begrensd door een intrinsiek doel, maar lijkt zichzelf voortdurend te versterken. De wereld raakt gevangen in een proces van permanente expansie.

Juist hierin verschijnt een opmerkelijke analogie met de psychose. Ook daar is sprake van een grenzeloze productie van betekenissen. Associaties vermenigvuldigen zich zonder einde. Tekens verwijzen naar andere tekens in een keten die nergens tot rust komt. Wat voor Deleuze nog een creatieve wording was, dreigt volgens Belhaj Kacem om te slaan in een vorm van ontologische oververhitting.

De hedendaagse digitale cultuur vertoont inderdaad trekken die aan een psychotische dynamiek doen denken. De constante stroom van prikkels maakt concentratie moeilijk. Werkelijkheid en fictie lopen door elkaar. Samenzweringstheorieën ontstaan uit een ongeremde behoefte om overal verbanden te ontdekken. Sociale media versterken affecten en creëren parallelle werkelijkheden. In een universum van eindeloze verwijzingen dreigt het onderscheid tussen betekenis en betekenisloosheid verloren te gaan.

De psychose laat zien wat er gebeurt wanneer de symbolische orde haar regulerende functie verliest. De technologische cultuur lijkt iets vergelijkbaars teweeg te brengen. Niet omdat computers of algoritmen mensen letterlijk psychotisch zouden maken, maar omdat zij een omgeving scheppen waarin de traditionele ankerpunten van identiteit, waarheid en gemeenschappelijkheid onder druk komen te staan. De oneindige beschikbaarheid van informatie gaat gepaard met een afnemend vermogen om die informatie nog te ordenen.

Vanuit dit perspectief krijgt ook Heideggers analyse van de techniek een nieuwe actualiteit. In het Gestell verschijnt de wereld als een voorraad die onbeperkt beschikbaar moet zijn. Alles wordt gereduceerd tot een bestand dat kan worden opgeslagen, gemanipuleerd en geoptimaliseerd. Maar misschien geldt dat tegenwoordig niet alleen voor de buitenwereld. Ook het innerlijk leven wordt steeds meer onderdeel van een technische infrastructuur. Aandacht, emoties, verlangens en herinneringen worden gemonetariseerd en opgenomen in een circulatie van data. De mens wordt zelf een knooppunt in een netwerk van signalen.

Daarmee ontstaat een paradox. De psychose werd lange tijd beschouwd als een radicale uitzondering, een toestand waarin het individu de gemeenschappelijke werkelijkheid verlaat. Maar wat gebeurt er wanneer de werkelijkheid zelf kenmerken begint te vertonen die aan de psychose herinneren? Wanneer de samenleving als geheel wordt opgenomen in een proces van onbegrensde verknoping, permanente versnelling en eindeloze proliferatie van tekens?

Dat is de vraag die zich vandaag aandient. Niet omdat de mensheid massaal psychotisch zou zijn geworden, maar omdat de technologische omgeving steeds meer eigenschappen vertoont die vroeger werden geassocieerd met de psychotische ervaring. De gedachtevlucht, de overproductie van betekenissen, de vervaging van grenzen, de extase van de onbeperkte mogelijkheden en de neiging om overal verbanden te ontdekken: zij vormen niet alleen kenmerken van een psychiatrische stoornis, maar ook van een beschaving die zichzelf heeft ondergedompeld in een oceaan van informatie en verbindingen.

Juist daarom is de psychose meer dan een medische categorie. Zij functioneert als een spiegel waarin de hedendaagse technologische conditie zichzelf kan herkennen. Niet om de waanzin te romantiseren of het lijden van psychotische mensen te bagatelliseren, maar omdat de psychose zichtbaar maakt wat er gebeurt wanneer de orde van betekenissen vloeibaar wordt en de werkelijkheid haar vanzelfsprekendheid verliest. Deleuze en Guattari hedden gelijk gehad toen zij beweerden dat waanzin niet alleen een tekort openbaart, maar ook een bepaalde waarheid. Niet de waarheid van een verborgen boodschap, maar de waarheid van een grenssituatie. In de psychose wordt zichtbaar hoe fragiel de orde is waarop ons bestaan berust.

Dat geldt vandaag niet alleen voor het individu, maar ook voor een technologische beschaving die steeds verder wordt meegesleept door haar eigen vermogen om verbindingen te scheppen. De grote vraag is dan niet langer hoe wij de techniek beheersen, maar of wij nog in staat zijn een vorm van symbolische begrenzing te vinden die voorkomt dat de onbeperkte productiviteit van onze machines dezelfde kenmerken gaat vertonen als de onbeperkte productiviteit van de waan.

Maar de waan van het individu kan ook een ultieme verzetspoging worden om aan de waanzin van het systeem te ontsnappen. Zo bezien worden de waanzinnigen onze laatste hoop. Zij zullen de partizanen zijn in deze psychotische tijd.