De onthoofding van het geheugen

Tot aan de negentiende eeuw waren in West-Europa onthoofdingen een publiek spektakel. Men kwam kijken zoals wij tegenwoordig naar een livestream of een trending video kijken. Mario Praz herinnerde er in The Romantic Agony aan dat Engelse edellieden tijdens de Franse Revolutie kamers huurden met uitzicht op het plein waar de guillotine stond opgesteld. De romantische fascinatie voor de onthoofding kreeg gestalte in het motief van Salomé, de fatale vrouw die je niet zozeer verleidt als wel je laat onthoofden.

‘Wat is je grootste angst?’ vroeg iemand mij laatst. Vroeger zou ik hebben geantwoord: onthoofd worden. Tegenwoordig twijfel ik. Misschien is mijn grootste angst niet langer het verlies van mijn hoofd, maar het verlies van mijn geheugen. Of nog erger: dat mijn geheugen ongemerkt ergens anders wordt ondergebracht, terwijl ik intussen vrolijk blijf doorpraten alsof er niets aan de hand is.

Een onthoofding is het scheiden van het hoofd van het lichaam. Maar wat gebeurt er wanneer het geheugen van de mens zich geleidelijk afscheidt van zijn biologische drager? Wat gebeurt er wanneer herinneringen, associaties, foto’s, gesprekken en zelfs denkpatronen worden opgeslagen in een wolk van algoritmen die altijd beschikbaar is? Dat is de eigentijdse vorm van onthoofding: het losmaken van het geheugen uit het levende lichaam.

Eeuwenlang werd het geheugen beschouwd als iets wat zich ergens in de ziel bevond. Sinds de Verlichting werd het steeds meer een kwestie van fysiologie. In de achttiende eeuw verkondigde Julien Offray de La Mettrie in zijn beruchte boek L’Homme machine dat de mens een machine is. De geest had volgens hem geen zelfstandig bestaan. Denken was een functie van materie, zoals lopen een functie van spieren is. Descartes had een eeuw eerder nog een uitzondering gemaakt voor de menselijke geest, maar La Mettrie schafte die uitzondering af. Er was geen onsterfelijke ziel, alleen een buitengewoon ingewikkelde automaat.

Tegenwoordig klinkt die gedachte minder schokkend dan destijds. Sterker nog, in Silicon Valley wordt zij bijna als vanzelfsprekend aanvaard. Alleen heeft de machine inmiddels een nieuwe gedaante gekregen. Niet langer is de mens zelf de machine, maar ontstaat er een hybride systeem waarin mens en machine in elkaar overlopen. De smartphone is een extern geheugen geworden. Zoekmachines weten wat wij vergeten zijn. Chatbots herinneren zich onze gesprekken. Kunstmatige intelligentie wordt niet alleen een hulpmiddel voor het geheugen, maar begint het geheugen zelf te worden.

Dat proces voltrekt zich geruisloos. Niemand merkt precies wanneer het omslagpunt wordt bereikt. Zoals men vroeger telefoonnummers uit het hoofd kende en nu niet meer, zo zouden toekomstige generaties zich kunnen afvragen waarom mensen ooit moeite deden om kennis te onthouden. Waarom zou je nog feiten opslaan als een algoritme ze onmiddellijk voor je kan oproepen? Waarom zou je nog een dagboek bijhouden als een taalmodel je leven beter kan samenvatten dan jijzelf?

Marshall McLuhan zag elk medium ooit als een verlengstuk van het lichaam. Het wiel was een verlengstuk van de voet, de hamer een verlengstuk van de vuist. Maar hij waarschuwde ook dat iedere uitbreiding tegelijkertijd een amputatie is. Wie zijn zintuigen uitbreidt, verliest iets anders. De auto vergroot de mobiliteit, maar vermindert het lopen. De televisie vergroot het zicht, maar verzwakt de verbeelding. In dat licht bezien zou kunstmatige intelligentie wel eens de grootste amputatie uit de geschiedenis kunnen veroorzaken: de uitbesteding van het geheugen.

Goed beschouwd is de techniek altijd een vorm van extern geheugen is geweest. Van grotschilderingen tot bibliotheken en harde schijven: de mens legt zijn herinneringen buiten zichzelf neer. Maar daarin schuilt ook een gevaar. Wanneer de technische opslag de menselijke ervaring volledig gaat domineren, ontstaat een proces van proletarisering van het bewustzijn. Niet alleen het werk, maar ook het denken wordt uit handen genomen. Sinds de doorbraak van generatieve AI heeft die gedachte een onverwachte actualiteit gekregen. Kunstmatige intelligentie kan teksten schrijven, samenvattingen maken, beelden genereren en gesprekken voeren. Zij functioneert als een soort geheugen zonder lichaam. Een geheugen dat niet vergeet. Of beter gezegd: dat vergeet op een manier die voor mensen onbegrijpelijk is.

Juist vergeten was altijd een wezenlijk onderdeel van het menselijk bestaan. Nietzsche wist dat al. Zonder vergeten zou de mens bezwijken onder de last van zijn herinneringen. Vergeten is geen defect, maar een voorwaarde voor leven. Ook Freud zag het geheugen niet als een archiefkast, maar als een dynamisch systeem waarin verdringing, vervorming en selectie een cruciale rol spelen. Herinneringen veranderen voortdurend. Zij zijn levend. Een algoritme kent die levendigheid niet. Het kent alleen waarschijnlijkheden. Het reconstrueert. Het berekent. Het produceert een statistische herinnering. Misschien zal de geschiedenis ooit terugkijken op onze tijd als de periode waarin de mens begon te geloven dat herinneringen hetzelfde zijn als gegevens.

Jacques Derrida sprak over de archiefkoorts. Archieven hebben niet alleen betrekking op het verleden, maar ook op de toekomst. Een archief bepaalt immers welke herinneringen beschikbaar zullen zijn voor toekomstige generaties. Hoe meer middelen wij hebben om alles te bewaren, des te sterker wordt de obsessie om niets verloren te laten gaan. Paradoxaal genoeg leidt dat niet tot meer herinnering, maar tot een nieuwe vorm van vergetelheid. Het archief groeit sneller dan het bewustzijn dat het nog kan bevatten.

Dat geldt in extreme mate voor de digitale wereld. Miljarden foto’s, video’s en teksten zweven rond in een permanent heden. Het internet vergeet niet. Maar juist daarom herinnert het zich niets. Herinneren is immers meer dan bewaren. Herinneren is selecteren, interpreteren en betekenis geven. Daarmee komt een oude religieuze kwestie opnieuw in beeld. In de middeleeuwen geloofde men dat God alles zag en niets vergat. Gods geheugen was volmaakt. Niets ging verloren. De mens kon vergeten, God niet. Tegenwoordig lijkt dat goddelijke attribuut te zijn verhuisd naar de cloud. Serverparken zijn de kathedralen van het digitale tijdperk geworden. De alwetendheid heeft een technische infrastructuur gekregen.

Dat is wellicht de diepste verwantschap tussen religie en kunstmatige intelligentie. Niet dat AI bewust zou zijn of een ziel zou bezitten, maar dat zij de droom belichaamt van een geheugen zonder verlies. Een geheugen dat geen gaten kent, geen trauma’s, geen verdringingen en geen sterfelijkheid. Een soort seculiere variant van de Akasha-kronieken, waarin alles wat ooit gedacht, gezegd of gedaan is voor eeuwig opgeslagen blijft.

Toch schuilt juist daarin iets onmenselijks. De mens leeft niet dankzij de volmaaktheid van zijn geheugen, maar dankzij zijn tekortkomingen. Wij herinneren ons verkeerd. Wij fantaseren. Wij vervormen. Wij vergeten. Misschien is identiteit uiteindelijk niets anders dan de manier waarop iemand zijn eigen verleden verkeerd onthoudt. De digitale cultuur wordt steeds meer een cultuur van onmiddellijke beschikbaarheid. Alles moet oproepbaar zijn, onmiddellijk en zonder weerstand. Maar juist de weerstand van het vergeten maakte vroeger het denken mogelijk. Wie niet onmiddellijk over kennis beschikt, moet zoeken, twijfelen en associëren. Misschien was vergeten altijd al een vorm van wijsheid.

De vraag is dan ook niet of kunstmatige intelligentie slimmer zal worden dan de mens. De vraag is of de mens nog in staat zal blijven om zijn eigen onvolledigheid te verdragen. Want juist in die onvolledigheid schuilt zijn menselijkheid.W e bezig met een merkwaardige vorm van collectieve zelf-onthoofding. Niet langer rolt het hoofd in een mand, maar wordt het geheugen langzaam losgekoppeld van zijn biologische oorsprong. Zoals de guillotine ooit een technisch instrument was dat de dood rationeel en efficiënt moest maken, zo presenteert kunstmatige intelligentie zich als een instrument dat het denken efficiënter maakt. De vraag is alleen wat er achterblijft wanneer het geheugen eenmaal is uitbesteed.

Mogelijk blijft er niet veel meer over dan een chaotisch patroon van indrukken, een stroom van emoties, beelden en verlangens. Een bewustzijn dat nog altijd denkt dat het zichzelf is, terwijl de opslag van zijn verleden elders plaatsvindt. Een hoofd zonder lichaam, of een lichaam zonder hoofd. We leven in een oceaan van data, algoritmen en taalmodellen zonder nog precies te weten waar onze eigen gedachten ophouden en de machine begint. Zoals een vis als laatste het water ontdekt waarin hij zwemt, zo ontdekt de mens wellicht als laatste het medium waarin zijn herinneringen zijn opgelost.

Ooit zal blijken dat niet de kunstmatige intelligentie de mens heeft vervangen, maar dat de mens zichzelf langzaam heeft veranderd in het geheugen van een machine. Een merkwaardige omkering van La Mettrie. Niet langer de mens als machine, maar de machine als menselijk verleden. Een eeuwig archief zonder nostalgie, zonder vergeten en zonder spijt. God was almachtig omdat Hij niets vergat. De mens was menselijk omdat hij de gave had om te vergeten. Dat is het enige verschil dat hard bezig is te verdwijnen. De verleiding is te groot waardoor het Bijbels verhaal van Salomé een nieuwe betekenis krijgt.

Dat is de onthoofding van Johannes de Doper op herhaling. Dat verhaal is een eeuwig icoon aan het worden, een universeel origineel in een eindeloos proces van reproductie. Anders gezegd, het is de nieuwe manifestatie van het goddelijke in een proces van eeuwige wederkeer. Superfake is superecht. De almachtige God is eenzaam, maar in zijn oneindige almacht heeft hij ook nergens spijt van. En terwijl de beelden zich eindeloos vermenigvuldigen en de archieven van het universum zich vullen, blijft ergens op de achtergrond dezelfde melodie klinken als de achtergrondstraling van het eerste begin. Ons rest niets anders dan te blijven dansen, tot aan het slotakkoord van alle tijd en alle liefde, en als het even kan daar ook nog voorbij.