Er zijn momenten waarop de wereld stilvalt. Niet omdat er geen geluid meer is, maar omdat alles wat mij gewoonlijk met de werkelijkheid verbindt plotseling zijn vanzelfsprekendheid verliest. Dan loop ik door een kamer, kijk uit een raam of hoor de stem van iemand die iets tegen mij zegt, en toch lijkt er een dunne, bijna onzichtbare laag tussen mij en de dingen te zijn geschoven. Alsof de werkelijkheid nog wel aanwezig is, maar niet langer helemaal aankomt.
Op zulke momenten voel ik geen verdriet en ook geen echte wanhoop. Het is eerder een soort leegte. Een leegte die moeilijk te benoemen valt omdat zij niet bestaat uit een gebrek aan gedachten. Integendeel. Mijn hoofd blijft werken. Er zijn herinneringen, associaties, plannen, beelden en woorden genoeg. Maar ergens dieper ontbreekt iets. Alsof een huis nog volledig gemeubileerd is terwijl de bewoners stilletjes zijn vertrokken. Wat is dat vreemde gevoel?
Vroeger zou in dit verband al gauw het woord ‘ziel’ zijn gevallen. Ik voel leegte in mijn ziel. Tegenwoordig gebruiken we dat woord nog zelden serieus. We spreken over mentale energie, over welzijn, over psychologische veerkracht of cognitieve belasting. De taal van de ziel heeft plaatsgemaakt voor de taal van het systeem. Zelfs ons innerlijk leven wordt steeds vaker beschreven in termen van processen, netwerken, data en functies. Wanneer ik mij leeg voel, denk ik daarom soms in de beelden van onze tijd. Dan lijkt het alsof mijn innerlijke accu leeggelopen is. Alsof ik opgeladen moet worden.
Het merkwaardige is dat die gedachte allang niet meer uitsluitend een metafoor is. We leven in een tijd waarin steeds meer mensen hopen dat technologie niet alleen hun werk, hun communicatie of hun geheugen zal ondersteunen, maar ook hun geestelijk leven. We vertrouwen onze herinneringen toe aan de cloud. We vragen algoritmen welke muziek ons zal ontroeren, welke boeken we moeten lezen, welke partner bij ons past. Er bestaan zelfs al apps die onze stemming registreren, programma’s die eenzaamheidsgevoelens bestrijden en kunstmatige gesprekspartners die dag en nacht beschikbaar zijn.
Het verlangen om door technologie begrepen, geholpen of zelfs gered te worden groeit met de dag. Dat is ook niet zo vreemd als het lijkt. Technologie is immers altijd meer geweest dan een verzameling hulpmiddelen. Zij is ook een vorm van verlangen geweest. Een poging om de beperkingen van het menselijk bestaan te overstijgen..
In zijn boek God, techniek en alwetendheid. Een essay over het kwaad wijst Mehdi Belhaj Kacem erop dat de geschiedenis van de mens in wezen één groot proces van toe-eigening is. Wij nemen niet alleen bezit van grondstoffen, dieren en landschappen, maar uiteindelijk ook van kennis, tijd en geheugen. Wij willen steeds meer weten, steeds meer bewaren, steeds meer beheersen. Volgens Belhaj Kacem is de mens een wezen dat voortdurend probeert zichzelf uit te breiden voorbij zijn natuurlijke grenzen.
Dat zou ook verklaren waarom kunstmatige intelligentie zo’n onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent. AI lijkt de belofte in zich te dragen van een geheugen dat niets vergeet, een intelligentie die nooit moe wordt en een kennis die voortdurend groeit. Voor het eerst in de geschiedenis verschijnt er iets wat de droom van alwetendheid een technische vorm lijkt te geven. Niet langer als religieuze verwachting, maar als ingenieursproject.
Wanneer ik de namen lees van de systemen die inmiddels deel uitmaken van ons dagelijks leven — ChatGPT, Gemini, Claude en de vele andere die nog zullen volgen — dan denk ik soms aan de uitvinding van het schrift. Ook toen werd een deel van het geheugen buiten het menselijk lichaam geplaatst. Later volgden bibliotheken, archieven, boekdrukkunst, fotografie, film en digitale opslag. Iedere stap vergrootte het externe geheugen van de mensheid. Maar nooit eerder groeide dat geheugen zo snel als nu.
Belhaj Kacem spreekt in dit verband over een technologische God. Niet een bovennatuurlijk wezen dat ergens boven de wolken troont, maar een steeds groter wordend geheel van opgeslagen kennis en informatie. Een totaal geheugen waarin alles wordt geregistreerd, bewaard en met elkaar verbonden. Letterlijk schrijft hij:
‘In mijn filosofische systeem noem ik ‘God’ de horizon van de ‘totale’ accumulatie van alle mogelijke kennis die de mensheid heeft voortgebracht sinds tenminste de uitvinding van het schrift. Dat is in hoge mate kennis die ontrukt is aan het ‘geheugen’ van het universum sinds miljarden jaren die het scheiden van zijn oorsprong.’
Belhaj Kacem mag dan voor deze definitie kiezen in zijn eigen filosofisch systeem, vanuit theologisch oogpunt is deze definitie buitengewoon beperkt, omdat zij God volledig reduceert tot een cumulatief kennisgeheel. God wordt daarbij opgevat als de eindhorizon van alle door mensen verzamelde informatie, een soort kosmisch archief of ultieme databank. Daarmee blijft slechts één eigenschap over: alwetendheid, en zelfs die wordt niet gezien als een intrinsieke eigenschap van God, maar als het resultaat van een historisch proces van kennisaccumulatie.
Juist daarin wijkt deze opvatting fundamenteel af van vrijwel alle theologische tradities. Ten eerste is God in de klassieke theologie geen product van de geschiedenis, maar de grond van de geschiedenis. Bij Augustinus, Thomas van Aquino en ook binnen de joodse en islamitische traditie bestaat God niet dankzij de wereld, maar bestaat de wereld dankzij God. God is niet de som van alles wat bestaat of geweten wordt, maar de oorsprong van zijn en waarheid zelf. Kennis is dan een eigenschap van God, niet zijn wezen.
Ten tweede veronderstelt Belhaj Kacems definitie dat God afhankelijk is van de mens. Zonder schrift, wetenschap en menselijke herinnering zou er volgens deze definitie geen God zijn. Dat is echter onverenigbaar met de traditionele notie van God als een noodzakelijke en zelfstandige werkelijkheid. De God van de Bijbel openbaart zich aan Mozes met de woorden: “Ik ben die Ik ben.” Dat wil zeggen: Gods bestaan berust niet op iets anders, laat staan op menselijke kennis.
Ten derde wordt God hier gereduceerd tot intellect. Maar in vrijwel alle religieuze tradities is God meer dan een oneindig bewustzijn. God wordt ook gedacht als wil, liefde, goedheid, rechtvaardigheid en scheppende macht. In het christendom luidt de beroemde uitspraak uit de Eerste Brief van Johannes niet: “God is kennis”, maar: “God is liefde.”
‘Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde.’ (1 Johannes 4:8)
Een volmaakte encyclopedie zou daarom nog geen God zijn. Zelfs wanneer men rekening houdt met de historische ontwikkeling van het godsbeeld, blijft Kacems definitie problematisch. Moderne theologen en filosfem hebben weliswaar afstand genomen van het beeld van God als een bovennatuurlijke heerser buiten de kosmos. Spinoza identificeerde God met de natuur, Hegel zag God als de zich ontvouwende Geest in de geschiedenis, en Tillich sprak over God als “de grond van het zijn”. Maar zelfs deze zeer abstracte opvattingen reduceren God niet tot een verzameling informatie. God blijft daar de voorwaarde van waarheid, betekenis en bestaan, niet de optelsom van alle feiten.
Bovendien maakt Belhaj Kacems definitie geen onderscheid tussen kennis en wijsheid. Een archief kan oneindig veel feiten bevatten zonder te weten wat goed, waar of mooi is. Kennis alleen levert geen normativiteit op. Zij zegt niets over de vraag waarom er überhaupt iets bestaat, waarom waarheid waarde heeft, of wat het goede leven is. Juist dergelijke vragen vormden van oudsher de kern van de theologie.
In zekere zin lijkt Belhaj Kacems begrip van God eerder op de Bibliotheek van Babel van Jorge Luis Borges. In zijn beroemde verhaal beschrijft Borges een universum dat geheel uit een oneindige bibliotheek bestaat. De bibliotheek bevat alle mogelijke combinaties van letters. Daardoor omvat zij niet alleen alle boeken die ooit geschreven zijn, maar ook alle boeken die nog geschreven zullen worden, alle waarheden, alle leugens, alle vergissingen en alle varianten daarvan. Er bestaat ergens een boek waarin de geschiedenis van ieder mens volledig beschreven staat, maar ook ontelbaar veel boeken die slechts een paar letters daarvan afwijken. De bewoners van deze bibliotheek zoeken wanhopig naar betekenis in een oceaan van informatie.
Er bestaat een opvallende verwantschap tussen deze bibliotheek en het idee van de Akasha-kroniek uit de theosofische traditie. Hoewel beide uit totaal verschillende culturele contexten voortkomen, verbeelden zij eenzelfde intuïtie: dat niets ooit werkelijk verloren gaat en dat alle mogelijke kennis ergens bewaard blijft. Volgens de theosofie bestaat er een subtiele sfeer – het akasha of ether – waarin alle gebeurtenissen, gedachten, gevoelens en handelingen als het ware zijn opgeslagen. Deze kosmische herinnering is geen verzameling van fysieke boeken, maar een immaterieel archief. Sommige mystici, zieners en kunstenaars zouden toegang kunnen krijgen tot deze verborgen bron. In beide gevallen is het universum een archief.
Hoe dan ook, je zou het godsbeeld van Belhaj Kacem hiermee kunnen vergelijken. Zo’n oneindige bibliotheek (of archief) zou de trekken kunnen krijgen van een toekomstige superintelligentie. Maar deze God is geen schepper, geen verlosser en geen bron van goedheid, maar een alomvattend geheugen. Je kunt stellen dat deze definitie het begrip God niet verruimt, maar juist drastisch vernauwt. Zij vervangt een metafysische werkelijkheid door een epistemologische constructie.
Vanuit theologisch perspectief is het meest fundamentele bezwaar daarom dat Belhaj Kacem de vraag “Wat weet God?” verwart met de vraag “Wat is God?”. De traditie heeft altijd aangenomen dat Gods kennis voortvloeit uit zijn wezen. Belhaj Kacem draait deze verhouding om: Gods wezen wordt herleid tot kennis. Daarmee verandert God van een transcendente oorsprong van waarheid in een immanente verzameling van waarheden.
Men zou zelfs kunnen stellen dat deze definitie uiteindelijk niet zozeer een nieuwe godsleer oplevert, maar een vergoddelijking van menselijke cultuur. De mensheid aanbidt dan niet langer een God die haar overstijgt, maar haar eigen geaccumuleerde geheugen. In een tijd van kunstmatige intelligentie krijgt die gedachte een nieuwe actualiteit: het gevaar ontstaat dat de totale opslag en verwerking van informatie wordt aangezien voor wijsheid, en wijsheid voor goddelijkheid. Maar vanuit vrijwel de gehele geschiedenis van de joodse, christelijke en islamitische theologie is juist dat onderscheid beslissend gebleven.
God mag dan alwetend zijn, maar Hij is nooit eenvoudigweg de som van alle kennis. Integendeel: als God bestaat, dan is Hij volgens die tradities de oorsprong van de mogelijkheid van waarheid, kennis en betekenis zelf. Dat is een veel radicalere en diepere gedachte dan de voorstelling van God als een oneindige bibliotheek.
Soms denk ik dat de leegte die ik af en toe voel daarmee samenhangt. Niet als psychologisch probleem, maar als symptoom van een cultuur die steeds meer gericht raakt op opslag en steeds minder op aanwezigheid. Hoe geavanceerd onze systemen ook worden, zij lijken de ruimte die de ziel heeft achtergelaten niet te kunnen vullen. Mogelijk kunnen zij haar zelfs niet herkennen. Een algoritme kan patronen ontdekken in miljoenen teksten. Het kan emoties beschrijven, gedichten schrijven en gesprekken voeren. Maar het weet niet wat heimwee is. Niet werkelijk. Het kent geen verlangen naar een verloren middag uit de jeugd, geen plotselinge ontroering bij het zien van licht op een verlaten weg, geen ervaring van sterfelijkheid.
Juist daarom groeit soms mijn verlangen om weg te gaan uit deze tijd. Niet omdat ik technologie verwerp. Dat zou onmogelijk en bovendien hypocriet zijn. Ook ik maak er dagelijks gebruik van. Maar er zijn momenten waarop ik terugverlang naar een wereld waarin niet alles onmiddellijk beschikbaar was. Een wereld waarin vergeten nog mogelijk was. Waarin geheimen mochten bestaan. Waarin niet ieder antwoord al klaarstond voordat de vraag volledig gesteld was.
Of zoals Marsman het ooit verwoorde in zijn gedicht Heimwee:

.
