Moloch in tijden van AI

Op 6 januari 1965 zette Bart Huges een elektrische Black & Decker-boor op zijn schedel en boorde een gaatje in zijn hoofd. Het was geen wanhoopsdaad, maar een experiment. De trepanatie, die Huges aanduidde als het openen van een ‘derde oog’, was bedoeld als een fysieke ingreep met een metafysisch doel: het verruimen van het bewustzijn. Hij liet zich inspireren door berichten over Afrikaanse stammen waarin het doorboren van de schedel onderdeel zou zijn van rituelen die gericht waren op een intensere verbinding met de wereld, de geest en het sacrale. Enige tijd later lichtte hij zijn actie toe in het televisieprogramma Voor de vuist weg van Willem Duys. Destijds kende ik jongens die met hem bevriend waren: Henk Dijkstra, mijn buurjongen en een van de jongens uit het grote katholieke gezin Wolvers, dat enkele huizen verderop woonde in de Johannes van der Waalsstraat in Amsterdam. Kort daarna sloot Henk zich aan bij het Vreemdelingenlegioen. Van hem werd nooit meer iets vernomen.

Het waren jaren waarin jonge mensen losraakten van zichzelf. Sommigen werden revolutionair, anderen mysticus, kunstenaar, avonturier of zonderling. Sommigen werden letterlijk gek. Er hing een gevoel in de lucht dat moeilijk achteraf te reconstrueren is: alsof de wereld plotseling openbrak en alles mogelijk werd. Alsof een sluimerende energie zich in één keer had ontladen. Bob Dylan sprak later over het gevoel dat een vliegende schotel was geland. Allen Ginsberg had die stemming al eerder onder woorden gebracht in zijn beroemde gedicht Howl, waarin hij schreef hoe de beste geesten van zijn generatie werden vernietigd door waanzin, verslaving en existentiële ontreddering, terwijl zij tegelijkertijd op zoek waren naar een verloren verbinding met iets hogers, iets absoluuts, een “ancient heavenly connection to the starry dynamo in the machinery of night”.

Maar midden in dat visioen van bevrijding verschijnt in Howl ook een duistere figuur: Moloch. Dat is een naam uit de oudheid. Volgens de overlevering was het een god aan wie kinderen werden geofferd. Bij Ginsberg verschijnt hij als een monster van staal, beton, geld, oorlog, bureaucratie en techniek. Hij is de onpersoonlijke macht van de moderne beschaving. Hij is de fabriek, de wolkenkrabber, het militair-industrieel complex. Hij is de machine die mensen voortbrengt om hen vervolgens weer te vermalen. Wat Ginsberg intuïtief aanvoelde, was dat de moderne mens niet alleen leefde onder politieke of economische structuren, maar onder een veel diepere macht die zich aan directe waarneming onttrok.

Zestig jaar later lijkt dat beeld actueler dan ooit. In zijn invloedrijke essay Meditations on Moloch uit 2014 gaf Scott Alexander een verrassend eigentijdse interpretatie aan deze oude figuur. Voor hem is Moloch geen demon, geen complot en geen geheime elite die achter de schermen aan de touwtjes trekt. Moloch is een structuur. Hij is de logica van systemen waarin mensen gedwongen worden elkaar te beconcurreren, zelfs wanneer niemand dat werkelijk wil. Hij is de macht die ontstaat wanneer rationele keuzes van individuen gezamenlijk leiden tot irrationele uitkomsten.

Dat inzicht zou het raadsel verklaren dat de moderne tijd voortdurend achtervolgt. Vrijwel niemand verlangt naar oorlog, maar oorlogen blijven bestaan. Vrijwel niemand verlangt naar permanente prestatiedruk, maar de prestatiedruk neemt voortdurend toe. Vrijwel niemand wil de ecologische vernietiging van de aarde, maar de vernietiging gaat door. Vrijwel niemand verlangt naar een samenleving waarin miljoenen mensen zich uitgeput, angstig of vervreemd voelen, maar toch lijkt die samenleving zich steeds verder te ontwikkelen.

Het probleem is niet dat mensen massaal slecht zijn. Het probleem is dat zij gevangen raken in mechanismen die sterker zijn dan hun goede bedoelingen. Hier raakt Alexanders analyse aan een lange traditie van cultuurkritiek. Telkens weer keert dezelfde gedachte terug: de mens schept systemen, maar uiteindelijk gaan die systemen een eigen leven leiden. Moloch is de naam voor dat proces. Wat Ginsberg nog ervoer als een monster van industrie en militarisme heeft zich inmiddels vermenigvuldigd in digitale netwerken, financiële markten, algoritmische systemen en mondiale informatiestromen. AI zou je kunnen zien als het eindstation van die ontwikkeling. Utopisch begonnen maar distopisch eindigend.

De hedendaagse mens leeft niet langer onder één herkenbare macht. Hij leeft in een netwerk van krachten dat overal aanwezig is en nergens zichtbaar wordt. Juist daardoor heeft Moloch een bijna metafysisch karakter gekregen. Hij heeft geen gezicht meer. Hij woont niet in een paleis. Hij spreekt niet vanuit een troon. Hij manifesteert zich in processen, statistieken, algoritmen en de dynamiek van de markt. Iedereen consumeert zijn eigen werkelijkheid. De wereld versplintert en wordt één. Eenwording in de ondergang. Je zou het ook apocalyptisch kunnen noemen.

Ook hier herkennen we de werking van Moloch. Nieuwsorganisaties concurreren om aandacht. Sociale media concurreren om schermtijd. Gebruikers concurreren om zichtbaarheid. Algoritmen concurreren om betrokkenheid. Daarbij wordt niet geselecteerd wat waar, goed of wijs is, maar wat aandacht genereert. Woede blijkt effectiever dan nuance. Verontwaardiging werkt beter dan reflectie. Sensatie verspreidt zich sneller dan waarheid. Niemand heeft dit systeem bewust ontworpen als een machine voor collectieve verdwazing. Toch functioneert het vaak zo.

Dat is precies de tragiek die Alexander beschrijft in zijn essay Meditations on Moloch. Het kwaad hoeft niet voort te komen uit slechte bedoelingen. Het kan ontstaan uit de logica van een systeem dat niemand volledig beheerst. Zo krijgt Moloch een religieuze betekenis. Niet omdat hij werkelijk bestaat als bovennatuurlijk wezen, maar omdat hij de plaats inneemt die vroeger door goden werd bezet. Hij is groter dan het individu. Hij bepaalt gedrag. Hij eist offers. Hij vormt het lot van samenlevingen. De oude Moloch verlangde kinderoffers. De nieuwe Moloch verlangt iets subtielers maar misschien niet minder ingrijpends. Hij vraagt om onze aandacht, onze tijd, onze rust, onze concentratie en uiteindelijk misschien zelfs onze autonomie.

Iedere klik, iedere aankoop, iedere ambitie, iedere angst en iedere voorkeur wordt opgenomen in een gigantisch netwerk van concurrentie en optimalisatie op weg naar het einde. Dat verklaart wellicht waarom juist in een tijdperk van secularisatie nieuwe religieuze verlangens de kop opsteken. Het religieuze verlangen verdwijnt niet; het verandert van vorm. De behoefte aan betekenis, verlossing en transcendentie zoekt nieuwe objecten. Dat zien we vandaag overal om ons heen. Technologie wordt steeds vaker beschreven in termen die vroeger aan religie waren voorbehouden.

Ook AI verschijnt afwisselend als messias en antichrist. Silicon Valley spreekt over superintelligentie met een ernst die soms nauwelijks te onderscheiden is van eschatologische verwachting. De toekomst wordt voorgesteld als een beslissend moment waarop de mensheid haar uiteindelijke bestemming tegemoet gaat. Juist hier keert de Moloch terug in een nieuwe gedaante. Want de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie wordt zelf aangedreven door een mondiale concurrentiestrijd. Niemand durft te vertragen. Iedereen voelt zich gedwongen verder te gaan omdat de ander anders eerder zal arriveren. De vraag is dan ook niet alleen wat AI zal worden, maar welk systeem haar voortbrengt. Als een technologie ontstaat binnen een logica van concurrentie, efficiëntie en permanente versnelling, bestaat het gevaar dat zij juist die logica verder versterkt. In dt perspectief bezien, zal AI geen overwinning op Moloch betekenen, maar zijn meest volmaakte incarnatie.

Alexander eindigt zijn essay met een gedachte die bij uitstek theologisch aandoet. Misschien, zo suggereert hij, is uiteindelijk een vorm van superieure coördinatie nodig om de Moloch te beteugelen. Mogelijk is er een intelligentie denkbaar die in staat is de belangen van alle spelers tegelijk te overzien en dedestructieve concurrentie te voorkomen. Maar onmiddellijk dringt zich een oude vraag op: wie bewaakt de bewaker? Want als één macht sterk genoeg wordt om de Moloch te verslaan, bestaat altijd het risico dat die macht zelf een nieuwe Moloch wordt.

De geschiedenis staat vol met systemen die werden opgericht om chaos te bestrijden en uiteindelijk zelf onderdrukkend werden. De totalitaire verleiding van de vorige eeuw heeft dat laten zien, zowel op links als op rechts van het ideologisch spectrum. Wij proberen voortdurend te ontsnappen aan systemen die wij zelf hebben geschapen. Wij bouwen instituties om concurrentie te reguleren, maar die instituties ontwikkelen hun eigen logica. Wij ontwikkelen technologie om ons leven gemakkelijker te maken, maar raken afhankelijk van diezelfde technologie. Wij zoeken vrijheid en democratie en produceren nieuwe vormen van autocratie. We denken met AI bij te kunnen dragen aan de vervolmaking van wereld, maar creëren een nieuwe God die de wereld als offer verlangt als een neiowue soort kruisiging.

Moloch is daarom uiteindelijk niet alleen een maatschappelijk begrip. Het is ook een existentiële en zelfs een religieuze ervaring. Hij verschijnt telkens wanneer mensen ontdekken dat hun leven wordt gevormd door processen die zij niet beheersen. Hij verschijnt in de economie, in de techniek, in de media, in de politiek en zelfs in de evolutie, uitmondend in de noösfeer van AI. Overal waar middelen belangrijker worden dan doelen en waar systemen belangrijker worden dan mensen, valt zijn schaduw. Ginsburg had deze tornado van razernij al beschreven in zijn gedicht Howl :

 ‘I saw the best minds of my generation destroyed by madness, starving hysterical naked, dragging themselves through the negro streets at dawn looking for an angry fix, angelheaded hipsters burning for the ancient heavenly connection to the starry dynamo in the machinery of night…’

Misschien was de Black & Decker-boor van Bart Huges uiteindelijk een profetisch object. Niet omdat zij een opening maakte in een schedel, maar omdat zij vooruitwees naar een tijdperk waarin de mens overal naar uitwegen zoekt uit zelfgeschapen systemen. Sam Altman – medeoprichter van OpenAI – stelde onlangs dat kunstmatige intelligentie in overeenstemming moet zijn met de waarden van de mensheid. Maar juist die mensheid blijkt steeds moeilijker als één morele gemeenschap te definiëren. Er bestaat geen wereldwijde consensus over waarheid, rechtvaardigheid, vrijheid of het goede leven.

De vraag hoe AI zich tot menselijke waarden moet verhouden is daarom niet alleen technisch, maar ook filosofisch en misschien zelfs religieus. De oude vraag naar God keert terug in een nieuwe vorm: wie bepaalt uiteindelijk wat goed is? Moloch stond ooit voor een macht die offers eiste zonder dat iemand haar werkelijk bestuurde. De vraag die boven het AI-tijdperk hangt, is of wij een intelligentie kunnen bouwen die menselijke waarden dient, of opnieuw een systeem scheppen waarvan niemand nog precies weet wie er aan het stuur zit.