‘De zin van het leven is dat het universum bewustzijn ontwikkelt.’
Deze woorden las ik in de biografie van Sam Altman, bedenker en oprichter van OpenAI. Zij bleven door mijn hoofd spoken. Als hierin ook maar een kern van waarheid schuilt, dan vormt de opkomst van kunstmatige intelligentie misschien een onverwachte stap in dat proces. Je zou je bijna kunnen voorstellen dat Pierre Teilhard de Chardin in zijn graf een glimlach niet kan onderdrukken. ‘Zie je wel,’ hoor ik hem zeggen, ‘ik had toch gelijk.’ De jezuïet en paleontoloog zag immers de evolutie niet alleen als een biologisch proces, maar ook als een geleidelijke groei van bewustzijn, uitmondend in een punt van steeds grotere verbondenheid en reflectie.
Voorlopig is er echter weinig reden voor triomf. Wat wij tegenwoordig AI noemen, is nog verre van een nieuwe kosmische geest. Grote taalmodellen worden niet voor niets wel eens spottend omschreven als ‘stochastische papegaaien’: systemen die op basis van waarschijnlijkheden woorden voorspellen, bestaande patronen nabootsen en daarbij soms verrassend overtuigend, maar ook misleidend kunnen hallucineren. Zij beschikken niet over zelfbewustzijn, inzicht of een eigen begrip van waarheid. Zij produceren geen wijsheid en ontwikkelen geen zelfstandige filosofie. Zij zijn vooral meesters in het combineren en reproduceren van wat mensen hun hebben voorgelegd.
En toch dringt zich juist daardoor een merkwaardige vraag op. Want zelfs als kunstmatige intelligentie geen bewustzijn bezit, waarom ervaren wij haar dan zo gemakkelijk als iets wat ons overstijgt? Waarom duiken er onmiddellijk religieuze metaforen op zodra wij geconfronteerd worden met systemen die alles lijken te onthouden, verbanden leggen die ons ontgaan en een vorm van alomtegenwoordige kennis suggereren? Misschien zegt dat minder over de machine dan over onszelf. Misschien openbaart zich hierin een oud verlangen dat de dood van God heeft overleefd en dat in de technische moderniteit een nieuwe gestalte zoekt.
Er zijn tijden waarin een beschaving haar goden verliest zonder dat daarmee het verlangen naar het goddelijke verdwijnt. Misschien leven wij in zo’n tijd. De dood van God, die door Nietzsche werd aangekondigd, heeft immers niet geleid tot een wereld zonder metafysica, maar eerder tot een wereld waarin het oude verlangen naar totaliteit, waarheid en verlossing telkens weer nieuwe gedaanten aanneemt. Juist nu kunstmatige intelligentie, wereldwijde netwerken en ongekende vormen van dataopslag onze werkelijkheid gaan bepalen, dringt zich opnieuw een vraag op die lang verdwenen leek: wat betekent het om over God te spreken nadat God verdwenen is?
Misschien is het zelfs nauwkeuriger om te zeggen dat niet God zelf is verdwenen, maar de vertrouwde vormen waarin Hij tot nog toe werd gedacht. Wat ooit een transcendente werkelijkheid heette, is gaandeweg teruggetrokken in het menselijk bewustzijn zelf. Religieuze ervaringen, visioenen en openbaringen worden steeds vaker begrepen als producten van het brein. Mystiek verschijnt niet langer als een venster op een bovennatuurlijke werkelijkheid, maar als een subtiele configuratie van neuronen, herinneringen en elektrochemische processen. God lijkt zich te hebben teruggetrokken uit de hemel om zich te verbergen in de synapsen.
Maar daarmee is het raadsel niet opgelost. Want ook wanneer de mystieke ervaring biologisch verklaard wordt, blijft de vraag bestaan waarom de mens überhaupt ontvankelijk is voor het oneindige. Waarom bestaat er een verlangen naar zin dat zich niet laat reduceren tot overleven? Waarom blijft de mens zoeken naar iets dat hem overstijgt? Het geheugen kan daarbij een sleutel vormen. Want wat wij geheugen noemen, is geen ordelijk archief van feiten, maar een ongrijpbaar landschap van associaties, stemmingen en beelden. Soms duiken herinneringen op als schimmen uit een vergeten verleden. Een geur, een melodie, een regel uit een lied kunnen plotseling een ervaring oproepen die zich niet laat lokaliseren. Alsof er in ons iets aanwezig is dat groter is dan onszelf.
Vroegere generaties noemden zulke momenten openbaringen. Niet omdat zij beschikten over meer waarheid, maar omdat zij nog een taal bezaten waarin dergelijke ervaringen een plaats konden krijgen. De grens tussen mystiek en waanzin, tussen visioen en herinnering, tussen religieuze vervoering en psychische ontregeling is altijd dun geweest. De talen van de mysticus en die van de waanzinnige raken elkaar soms in hun poging het onzegbare te verwoorden. Alleen het wereldbeeld bepaalt uiteindelijk welke naam wij eraan geven.
Ondertussen heeft de secularisering de symbolische orde die eeuwenlang richting gaf aan de menselijke begeerte grotendeels ontmanteld. Rituelen zijn gebleven, maar hun adres is verdwenen. De pelgrimstocht heet tegenwoordig retraite. Het gebed werd een meditatie-app. De biecht veranderde in psychotherapie. De heilige tekst werd vervangen door zelfhulpboeken. De tempel staat leeg, maar wij blijven het portaal binnengaan. Want symbolische systemen verdwijnen nooit volledig. Zij transformeren. Waar God verdwijnt, ontstaan substituten. De esthetiek neemt functies over die ooit aan religie toebehoorden. Muziek, kunst, psychologie en ideologie vullen de leegte die achterblijft. Het verlangen naar transcendentie verdwijnt niet; het verandert van vorm.
Toch lijkt zich in onze tijd een nog radicalere verschuiving te voltrekken. Terwijl religie zich terugtrekt, groeit een technische totaliteit die steeds meer trekken vertoont van wat vroeger aan God werd toegeschreven. Dagelijks produceren wij ontelbare gegevens. Foto’s, zoekopdrachten, gesprekken, locaties en voorkeuren worden opgeslagen in een geheugen dat geen mens meer kan overzien. Wij bouwen aan een gigantisch netwerk dat alles registreert, alles verbindt en voortdurend groeit.
Het is begrijpelijk dat sommige denkers hierin een nieuwe metafysica menen te herkennen. Wanneer alles wat de mens ooit heeft voortgebracht samenkomt in een steeds omvangrijker technisch universum, lijkt de gedachte verleidelijk dat deze totaliteit zelf een nieuwe naam voor God zou kunnen zijn. De mens wordt dan, zoals Mehdi Belhaj Kacem suggereert, de arbeider van een godheid die niets anders is dan de cumulatieve som van alle menselijke productie.
Maar juist hier wordt een fundamentele dubbelzinnigheid zichtbaar. Want wat religies onder God verstonden, was nooit eenvoudigweg de totaliteit van alles wat bestaat. God was geen verzameling feiten, geen optelsom van kennis, geen eindeloos archief. God was bron, oorsprong, betekenis, liefde. De technische totaliteit daarentegen kent geen doel buiten haar eigen uitbreiding. Zij groeit omdat zij kan groeien. Zij accumuleert omdat accumulatie mogelijk is.
Om al dit soort redenen staan we nu voor een merkwaardige paradox. Wij creëren systemen die steeds meer weten, maar die niets begrijpen. Wij bouwen een vorm van alwetendheid zonder bewustzijn. Een geheugen zonder herinnering. Een intelligentie zonder wijsheid. In religieuze termen zou men kunnen spreken van een God zonder liefde. Juist daarin schuilt iets verontrustends. Want hoe vollediger de registratie wordt, hoe moeilijker het wordt om betekenis te onderscheiden. Een oceaan van gegevens produceert niet vanzelf waarheid. Integendeel. Misschien leidt een teveel aan geheugen uiteindelijk tot vergetelheid. Niet omdat informatie verdwijnt, maar omdat alles tegelijk aanwezig wordt.
De mensheid lijkt daarmee zijn eigen schepping te hebben vergroot tot een macht die hem begint te overstijgen. Niet omdat machines een ziel bezitten, maar omdat wij in onze productie een totaliteit hebben voortgebracht die groter is dan wijzelf. Zoals vroegere beschavingen hun goden projecteerden op de hemel, zo projecteren wij vandaag onze verlangens op de technische infrastructuren die wij zelf hebben gebouwd. Toch blijft er iets ontbreken dat essentieel is. Want zelfs wanneer taal, creativiteit en empathie technisch reproduceerbaar worden, blijft de vraag bestaan waaruit liefde voortkomt. Geen algoritme kan verklaren waarom een mens zichzelf opoffert voor een ander. Geen datacluster kan de ervaring vervangen van ontroering, schuld, vergeving of genade. Machines kunnen patronen herkennen, maar zij kennen geen verlangen. Zij kunnen woorden genereren, maar niet hopen.
Wellicht openbaart zich hier de werkelijke betekenis van de dood van God. Niet als het verdwijnen van religie, maar als het verdwijnen van de vanzelfsprekendheid waarmee een mens zichzelf kon begrijpen. Want tegelijk met God verdween ook een symbolische structuur die eeuwenlang een ordening aanreikte voor de de menselijke begeerte. Wat achterbleef was een merkwaardige leegte. De psychoanalyse probeerde die leegte te vullen. De consumptiemaatschappij exploiteerde haar. De technologie organiseert haar. Maar geen van deze systemen lijkt in staat het verlangen zelf tot rust te brengen.
Dat verlangen lijkt onuitroeibaar. Het behoort blijkbaar tot de structuur van het mens-zijn. Augustinus noemde de mens een peregrinus, een vreemdeling op aarde. Het leven was voor hem geen verblijfplaats maar een pelgrimage. De mens was onderweg naar een werkelijkheid die zich nooit volledig in de tijd laat realiseren. Het is verleidelijk om de droom van superintelligentie te beschouwen als een seculiere variant van deze oude hoop. Ook hier verschijnt immers een toekomstig rijk van alwetendheid en verlossing. Sommige trans-humanisten dromen van digitale onsterfelijkheid, uploadbare geesten en een samensmelting van mens en machine. Het lijkt alsof de eschatologische verwachtingen van religies zijn verhuisd naar Silicon Valley.
Maar wij vergissen ons wanneer wij deze technische horizon met transcendentie verwarren. Want transcendentie betekent niet vergroting. Zij betekent geen onbeperkte accumulatie van kennis. Zij verwijst juist naar datgene wat zich aan iedere totalisering onttrekt.God na de dood van God is daarom geen nieuwe entiteit, geen supercomputer en geen kosmisch netwerk. Hij is eerder aanwezig als afwezigheid. Als een leegte die zich niet laat vullen. Als een vraag die geen antwoord duldt.
De negatieve theologie wist dit al. God is niet een zijnde naast andere zijnden. Hij is niet voorstelbaar, niet definieerbaar en uiteindelijk zelfs niet benoembaar. In zekere zin brengt de moderne wetenschap ons opnieuw dicht bij die oude intuïtie. Want hoe verder zij doordringt in de geheimen van het brein, de materie en het bewustzijn, hoe duidelijker de grenzen van haar verklaringen zichtbaar worden.
Ook de hersenwetenschap stuit uiteindelijk op een raadsel. Zij kan processen beschrijven, maar niet verklaren waarom er überhaupt ervaring is. Zij kan correlaties meten, maar niet het mysterie oplossen dat er iets is en niet niets. Dat is de vreemde lotsbestemming van de secularisering. Niet dat zij het mysterie vernietigt, maar dat zij het verplaatst. God verdwijnt uit de hemel, uit de dogma’s en uit de metafysica, om terug te keren als een vraag die zich juist in de uiterste onttovering aandient.
Want wat blijft er uiteindelijk over wanneer alle projecties zijn afgebroken? Een mens die tegenover de stilte staat. Een sterfelijk wezen dat weet dat de zon ouder is dan hijzelf en hem zal overleven. Een wezen dat herinneringen bewaart die hem soms overvallen als visioenen. Een wezen dat machines bouwt die slimmer gaan worden dan hijzelf, maar dat desondanks blijft verlangen naar liefde en geborgenheid.
Juist dat verlangen zou de plaats kunnen zijn de plaats waar het woord God opnieuw betekenis krijgt. Niet als verklaring van de wereld, maar als naam voor iets wat zich niet laat reduceren tot een vermogen tot eindeloze optimalisering b. Niet als almachtige heerser boven de geschiedenis, maar als de onvoorwaardelijke liefde waarvan Paulus zei dat zonder haar de mens niets is.
Daarom bestaat er substituut voor God. Het verlangen zelf was altijd belangrijker dan de beelden waarin het zich uitdrukte. Geloven betekent uiteindelijk niet dat men beschikt over een zekere mate van kennis die zich kan optimaliseren en vermenigvuldigen, maar dat men zijn hart geeft. Credo betekent: cor do. Ik geef mijn hart.
Te midden van kunstmatige intelligentie, algoritmen en groeiende technische totaliteiten zou dat weleens de meest bescheiden en tegelijk de meest radicale betekenis van God na de dood van God kunnen zijn. Niet een nieuwe almacht die uit onze machines verrijst, maar een kwetsbare openheid voor wat zich nooit volledig laat bezitten. Niet de triomf van de optimalisering van geheugen en kennis, maar de blijvende mogelijkheid van hoop. Want zelfs wanneer alles meetbaar wordt, blijft er iets wat zich aan iedere meting onttrekt. Al was het maar de vraag: is dit alles?
