Heeft de Antichrist een update nodig? Die vraag drong zich onlangs aan mij op toen ik kort na elkaar twee opmerkelijke artikelen las. De Britse krant The Guardian publiceerde een uitvoerig verslag van een besloten lezingenreeks waarin de Amerikaanse techmiljardair Peter Thiel zijn visie ontvouwde op de Antichrist, het einde der tijden, technologie en de toekomst van de beschaving. Een dag later verscheen in NRC een beschouwing van Jurgen Masure over de eerste encycliek van paus Leo XIV, waarin deze paus verrassend genoeg verwijst naar Gandalf, de tovenaar uit Tolkiens In de ban van de ring, om zijn gedachten over kunstmatige intelligentie te verduidelijken.
Op het eerste gezicht lijken dat twee volstrekt verschillende werelden: de ene bevolkt door investeerders, algoritmen en geopolitieke strategieën, de andere door bisschoppen, encyclieken en oude geloofstradities. Maar wie beter kijkt, ziet een merkwaardige overeenkomst. Zowel Thiel als de paus blijken op zoek naar mythische beelden om iets zichtbaar te maken waarvoor de moderne wereld nog geen adequate taal heeft gevonden: de macht van kunstmatige intelligentie en de mogelijkheid dat daarin een nieuwe gedaante van het kwaad schuilgaat.
Dat beiden uitkomen bij Tolkien is veelzeggend. Het suggereert dat onze samenleving, ondanks alle technologische vooruitgang, opnieuw behoefte krijgt aan verhalen die groter zijn dan wijzelf. Eeuwenlang beschikte het christendom over een rijk repertoire aan beelden om het kwaad te verbeelden. Satan, het Beest uit de Apocalyps, de duivel en de Antichrist hielpen om een naam te geven aan krachten die het menselijk begrip te boven gingen. De secularisering heeft die figuren grotendeels uit het publieke bewustzijn verdreven. Maar daarmee verdween het kwaad niet. Integendeel. De twintigste eeuw liet zien dat Auschwitz, de Goelag en Hiroshima geen religieuze verklaring nodig hadden om werkelijkheid te worden. De oude beelden verdwenen, maar de vragen bleven bestaan. Waar komt het kwaad vandaan? Hoe manifesteert het zich? En hoe herkennen we het wanneer het verschijnt in een hoogtechnologische samenleving?
Als zelfs een toekomstige superintelligentie niet in staat zou zijn onderscheid te maken tussen goed en kwaad, en vervolgens ook niet naar dat onderscheid kan handelen, dan rijst de vraag of goed en kwaad überhaupt bestaan. Waarom zou het dan nog iets uitmaken? Die redenering is allerminst nieuw. Ook de natuur kent geen moraal; daar geldt uiteindelijk het recht van de sterkste. In de negentiende eeuw kreeg deze gedachte gestalte in de Zwarte Romantiek, waarin de fascinatie voor lust, dood en duivel gepaard ging met een verheerlijking van het duistere en demonische. Later zou ook de kritiek van Nietzsche op de traditionele moraal worden opgevat als een relativering van het onderscheid tussen goed en kwaad. Het nationaalsocialisme kan worden gezien als een extreme en desastreuze uitwas van dergelijke denkbeelden.
In dat licht roept de huidige ontwikkeling van AI en de droom van een toekomstige superintelligentie ongemakkelijke associaties op met de verheerlijking van de Übermensch: het geloof dat een hogere vorm van intelligentie zich uiteindelijk boven de menselijke moraal zou mogen verheffen, met alle mogelijke gevolgen van dien. Nogmaals hoe herkennen we het kwaad als de superintelligente waarnaar AI op weg is, zich letterlijk van geen kwaad bewust is?
Die vraag wordt des te urgenter nu kunstmatige intelligentie steeds meer wordt voorgesteld als een beslissende kracht in de geschiedenis. Voor sommigen is AI de voorbode van een nieuwe gouden eeuw. Maar voor anderen vormt zij een existentiële bedreiging voor de mensheid. Opmerkelijk genoeg hebben beide kampen de neiging om in religieuze termen te spreken. AI wordt afwisselend voorgesteld als messias of als demon, als verlosser of als ondergang. Kennelijk beschikken wij nog altijd niet over een zuiver seculiere taal om over ultieme mogelijkheden en ultieme gevaren te spreken. Zodra het ergens werkelijk om gaat, grijpen we terug op archetypen die veel ouder zijn dan de computer.
Peter Thiel doet precies dat. In zijn lezingen presenteert hij de Antichrist niet als een duivelse figuur uit een middeleeuwse legende, maar als een politieke macht die onder het mom van vrede en veiligheid een mondiale bestuursstructuur weet te vestigen. Volgens Thiel schuilt het gevaar niet in openlijke tirannie, maar juist in goedbedoelde pogingen om de mensheid te beschermen tegen klimaatverandering, pandemieën, kernoorlogen of ongecontroleerde kunstmatige intelligentie. De moderne Antichrist verschijnt niet als een veroveraar, maar als een redder. Hij vraagt geen gehoorzaamheid uit angst, maar uit zorgzaamheid. Hij belooft veiligheid in ruil voor vrijheid.
Dat idee heeft diepe wortels in de christelijke traditie. De Antichrist is immers nooit simpelweg het kwaad in zijn naakte vorm. Hij verschijnt als imitatie van het goede. Juist daardoor wordt hij gevaarlijk. Maar tegelijk roept Thiels analyse een ongemakkelijke vraag op. Waarom komt deze waarschuwing uitgerekend van iemand die zelf betrokken was bij de ontwikkeling van technologieën die ongekende mogelijkheden bieden voor toezicht, dataverzameling en gedragsanalyse? Zijn bedrijf Palantir is vernoemd naar de palantíri uit Tolkiens mythologie: de magische ziensstenen waarmee men over grote afstanden kan kijken. Dat is een symboliek die nauwelijks subtiel genoemd kan worden.
Wie Tolkiens werk kent, weet bovendien dat die ziensstenen allesbehalve neutraal zijn. Ze vergroten het zicht op de werkelijkheid, maar maken hun gebruiker tegelijkertijd vatbaar voor manipulatie. Wie alles wil zien, loopt het risico zelf gezien te worden. Wie volledige kennis nastreeft, raakt verstrikt in de macht die hij denkt te beheersen. Misschien is dat wel een treffender beeld voor AI dan de Antichrist. Niet een demonische macht die van buitenaf verschijnt, maar een instrument dat de menselijke neiging tot beheersing versterkt totdat die beheersing zichzelf tegen haar gebruikers keert.
Juist hier wordt de verwijzing van paus Leo XIV naar Tolkien interessant. De paus kiest niet voor de Ring of voor Sauron, maar voor Gandalf. Hij citeert diens beroemde woorden dat het niet aan ons is om alle stromingen van de wereld te beheersen, maar om zorgvuldig om te gaan met de tijd die ons gegeven is. Dat lijkt een klein verschil, maar het markeert een fundamenteel andere houding tegenover technologie. Waar Thiel vooral kijkt naar macht en haar tegenmachten, legt de paus de nadruk op menselijke begrenzing. Niet de vraag hoe wij de toekomst kunnen controleren staat centraal, maar hoe wij mens kunnen blijven in een wereld die steeds meer door technische systemen wordt bepaald.
Misschien raakt hij daarmee aan een dieper probleem. De figuur van de Antichrist behoort uiteindelijk tot een wereldbeeld waarin het kwaad geconcentreerd kan worden in één persoon, één regime of één macht. Maar de grootste gevaren van onze tijd hebben vaak geen gezicht meer. Zij zijn verspreid over netwerken, algoritmen, platforms en systemen. Kunstmatige intelligentie bezit geen kwaadaardige intenties. Een algoritme kent geen haat. Een datacentrum heeft geen ziel. Het gevaar schuilt niet in de machine zelf, maar in de menselijke verlangens die zich via die machine organiseren. Het verlangen naar controle, naar efficiëntie, naar voorspelbaarheid en uiteindelijk naar beheersing van alles wat onzeker, kwetsbaar en onvoorspelbaar is.
In dat opzicht lijkt AI minder op de Antichrist dan op Tolkiens Ring. De Ring vernietigt niet onmiddellijk. Zij verleidt. Zij biedt macht aan wie haar draagt. Zelfs de nobelste figuren raken overtuigd dat zij haar kunnen gebruiken voor een hoger doel. Dat is precies waarom Gandalf weigert de Ring aan te raken. Niet omdat hij zwak is, maar omdat hij sterk genoeg is om zijn eigen kwetsbaarheid te kennen. De ware verleiding van de Ring ligt niet in het kwaad, maar in de overtuiging dat men het goede kan afdwingen.
Misschien verklaart dat ook waarom Tolkien vandaag opnieuw zo actueel is geworden. Zowel de paus als Peter Thiel voelen intuïtief aan dat de oude taal van economie, techniek en politiek tekortschiet. Wanneer het over kunstmatige intelligentie gaat, gaat het uiteindelijk ook over macht, verantwoordelijkheid en menselijke grenzen. Daarvoor hebben we verhalen nodig. Niet omdat die verhalen letterlijk waar zouden zijn, maar omdat zij patronen zichtbaar maken die anders verborgen blijven.
De ironie is dat Thiel en de paus uit hetzelfde boek totaal verschillende lessen trekken. Thiel leest Tolkien als een verhaal over strijd, geopolitiek en de dreiging van een nieuwe wereldorde. De paus leest hem als een oefening in bescheidenheid. De een zoekt de Antichrist. De ander zoekt wijsheid. Misschien zegt dat verschil meer over onze tijd dan over Tolkien zelf. Want naarmate kunstmatige intelligentie krachtiger wordt, lijkt ook de verleiding toe te nemen om alles in termen van macht te begrijpen. Wie beheerst de algoritmen? Wie bezit de data? Wie bestuurt de systemen?
Maar ik denk dat dit uiteindelijk niet de belangrijkste vraag is. De wezenlijke vraag is of wij nog in staat zijn grenzen te erkennen. Of wij kunnen aanvaarden dat niet alles beheersbaar is. Of wij bereid zijn te leven met onzekerheid. Dat was uiteindelijk de les van Tolkien. Niet dat het kwaad ergens buiten ons op de loer ligt, maar dat het begint op het moment waarop wij geloven dat wij de macht wel aankunnen.
Het kan zijn dat de Antichrist daarom inderdaad een update nodig heeft. Niet omdat hij verdwenen is, maar omdat hij van gedaante is veranderd. Hij verschijnt niet langer als een demonische figuur aan het einde der tijden. Hij verschijnt als een systeem, een netwerk, een belofte van optimale controle. En misschien is het juist daarom dat Gandalf vandaag relevanter is geworden dan de Antichrist. Want tegenover de droom van totale beheersing stelt hij iets wat veel moeilijker is: de wijsheid om te erkennen dat de wereld nooit volledig beheerst zal kunnen worden.
