Er bestaat een opmerkelijke verwantschap tussen twee begrippen die op het eerste gezicht tot verschillende domeinen lijken te behoren: de pleonexia die Masha Gessen aan Vladimir Poetin toeschrijft in haar boek The Man without Face. The unlikely Rise of Vladimir Putin (2012) en de pleonectiek die Mehdi Belhaj Kacem beschouwt als de fundamentele structuur van het mens-zijn. Beide begrippen gaan terug op hetzelfde Griekse woord: pleonexia, het verlangen naar meer, het willen bezitten wat anderen toekomt, het overschrijden van een grens die geen grens meer wil zijn. Maar waar Gessen deze drift vooral analyseert als een pathologische vorm van politieke begeerte, ziet Belhaj Kacem er een universeel principe in dat aan de menselijke conditie zelf ten grondslag ligt. Vanuit dat perspectief verschijnt Poetin niet zozeer als een historische uitzondering, maar als een extreme manifestatie van een drift die in meer verborgen vorm ook werkzaam is in de technologische beschaving van Silicon Valley.
Pleonexia werd reeds door Plato en Aristoteles opgevat als een vorm van mateloosheid. De mens die door pleonexia wordt beheerst, wil steeds meer. Niet alleen rijkdom, grondgebied of macht, maar uiteindelijk de plaats van de ander zelf. Hij duldt geen begrenzing. In haar biografie van Poetin gebruikt Masha Gessen dit begrip om een specifieke vorm van onverzadigbare toe-eigening te beschrijven. Poetins verlangen naar Oekraïne zou niet primair geopolitiek zijn, maar metafysisch van aard. Het gaat niet om een afgebakend doel, maar om een permanente expansiedrang. Wat anderen bezitten, moet uiteindelijk ook van hem zijn. De werkelijkheid zelf wordt daarbij ondergeschikt aan een imaginaire orde, een fictief universum met een eigen logica en een eigen waarheid.
Daarmee komt de politieke waan in beeld. Niet noodzakelijk de klinische psychose, maar een collectieve constructie van fictieve werkelijkheden die zich tegen iedere correctie afsluit. De waan duldt geen andere wereld naast zich. Wanneer de werkelijkheid weerstand biedt, moet zij worden aangepast, vervormd of vernietigd. Juist daarin ligt de verwantschap tussen de waan en het kwaad. Beide kenmerken zich door een structurele ontkenning van de werkelijkheid. De mateloosheid van de waan wordt zo de mateloosheid van het kwaad.
Toch zou het te eenvoudig zijn om deze dynamiek uitsluitend toe te schrijven aan ontspoorde dictators. Dat is precies waar het denken van Mehdi Belhaj Kacem een onverwachte verdieping biedt. Volgens hem is de drang naar meer geen afwijking van de menselijke natuur, maar haar tragische kern. De mens onderscheidt zich van andere levende wezens door zijn vermogen zichzelf technisch te reproduceren, uit te breiden en te intensiveren. De menselijke geschiedenis is daarom niet anders dan de geschiedenis van de pleonectiek: de onophoudelijke beweging van het altijd-meer-willen-hebben.
Techniek is daarbij geen instrument dat de mens toevallig ter beschikking staat. Zij vormt de uiterlijke manifestatie van een innerlijke drift. De mens wil meer zien, meer weten, meer onthouden, verder reiken, langer leven. In die zin is techniek niets anders dan de objectivering van een metafysische begeerte. De mens is niet een biologisch wezen dat vervolgens technische hulpmiddelen uitvindt; hij is van meet af aan een technisch wezen. De geschiedenis van de techniek is de geschiedenis van de menselijke mateloosheid.
Vanuit dat perspectief wordt ook Silicon Valley zichtbaar als iets anders dan een economisch centrum. Volgens Belhaj Kacem vertegenwoordigt het de meest vergevorderde uitdrukking van de pleonectische structuur van de mens. Kunstmatige intelligentie, digitale netwerken, genetische manipulatie, de cloud en de droom van onsterfelijkheid zijn geen toevallige innovaties. Zij vormen de technische uitwerking van een oeroude begeerte naar totale kennis, absolute aanwezigheid en onbeperkte macht. De eigenschappen die eeuwenlang aan God werden toegeschreven, worden nu stukje bij beetje technisch geproduceerd.
Hier openbaart zich een verrassende parallel met de pleonexia van Poetin. In beide gevallen gaat het om een verlangen dat geen natuurlijke grens meer erkent. De dictator wil een rijk zonder einde; de technologische beschaving streeft naar een kennis zonder beperking. De een wil territoriale expansie, de ander cognitieve expansie. De vormen verschillen, maar de structuur is identiek. Beide worden gedreven door de overtuiging dat de menselijke eindigheid uiteindelijk overwonnen kan worden.
Dat is de diepste betekenis van de moderne crisis. Sinds de dood van God is de mens gedwongen geworden zijn eigen oneindigheid te produceren. De transcendentie verdwijnt niet, maar keert terug in seculiere gedaanten. De totalitaire staat en de technologische utopie zijn beide pogingen om het verloren absolute te herstellen. In die zin vertegenwoordigen Moskou en Silicon Valley twee varianten van hetzelfde verlangen. Poetin probeert een mythisch verleden te herstellen; de trans-humanisten streven naar een post-menselijke toekomst. Maar beide weigeren de eindigheid van de menselijke conditie te aanvaarden.
Dat verklaart wellicht waarom de twintigste eeuw een ongekende schaalvergroting van het kwaad heeft voortgebracht. De vernietigingskampen, de atoombom en de totalitaire regimes waren geen terugkeer naar de barbarij, maar producten van een hoogontwikkelde technische rationaliteit. Auschwitz was niet de overwinning van irrationaliteit op beschaving, maar een demonische verbinding van technische perfectie en metafysische mateloosheid. Juist daarom kon het kwaad een omvang bereiken die voorheen ondenkbaar was.
Belhaj Kacem ziet daarin geen historische uitzondering, maar een structureel gevolg van de pleonectiek. Meer kennis betekent niet automatisch meer wijsheid. Meer macht betekent niet meer goedheid. Iedere uitbreiding van menselijke mogelijkheden vergroot tegelijkertijd de mogelijkheden van manipulatie, controle en vernietiging. De technische vergroting van het goede impliceert noodzakelijkerwijs de technische vergroting van het kwaad.
Daarmee krijgt ook de waan een nieuwe betekenis. Een waan is niet slechts een individuele stoornis, maar kan worden opgevat als een extreme vorm van dezelfde mateloosheid die de menselijke geschiedenis als geheel aandrijft. Wanneer het verlangen naar meer zich losmaakt van iedere begrenzing, ontstaat een gesloten universum waarin fictie en werkelijkheid in elkaar overvloeien. De parallelwereld van Poetin, de complotwerelden van de Reichsbürgerbewegung, maar ook de utopieën van het transhumanisme vertonen in dat opzicht een familiegelijkenis. Zij beloven een ontsnapping aan de menselijke eindigheid.
Die eindigheid is het onverdraaglijke waartegen de waan zich richt. De mens kan de dood slechts verdragen door haar gedeeltelijk te ontkennen. Zonder die ontkenning zou leven onmogelijk worden. Maar dezelfde ontkenning die het leven mogelijk maakt, kan ook omslaan in destructie. De gezonde waan die het bestaan draaglijk maakt, bezit een donkere tweelingbroer. Wanneer de behoefte aan betekenis absoluut wordt, kan zij veranderen in een vernietigende fictie.
In dat opzicht lijkt de geschiedenis van de moderniteit steeds meer op een proces waarin de menselijke geest zichzelf probeert te overschrijden. Van Nietzsche tot de trans-humanisten klinkt de droom door van een wezen dat de mens achter zich laat. Maar misschien schuilt juist daarin de grootste illusie. Want de poging om de eindigheid op te heffen, vergroot slechts de macht van datgene wat zij wil ontvluchten. Wie de dood wil afschaffen, dreigt ook de liefde af te schaffen. Wie absolute kennis verlangt, vernietigt de ruimte van het geheim. En wie de werkelijkheid volledig wil beheersen, loopt het gevaar haar te vernietigen.
Daarom ligt er een tragische wijsheid besloten in de pleonectiek zoals Belhaj Kacem haar begrijpt. De drift naar meer is niet uit te bannen. Zij behoort tot de essentie van de mens. Maar evenmin mag zij worden verheerlijkt, zoals Nietzsche soms deed, of worden beschouwd als een historisch accident dat ooit zal verdwijnen, zoals Marx hoopte. De menselijke conditie bestaat juist in de onmogelijkheid deze drift volledig te bevredigen. De mens is een wezen dat zichzelf voortdurend overschrijdt, maar nooit samenvalt met zijn eigen oneindigheidsverlangen.
Vanuit dat gezichtspunt verschijnt ook het kwaad in een ander licht. Het is geen demonische substantie, geen ‘onderziel’ of duistere macht die buiten de mens om werkzaam zou zijn. Het ontstaat telkens opnieuw uit de mateloosheid van een wezen dat zijn grenzen niet meer wil erkennen. De droom van totale macht, totale kennis en totale beheersing vormt de schaduwzijde van dezelfde creatieve kracht die beschaving, kunst en wetenschap mogelijk heeft gemaakt.
Dat is de les die de twintigste eeuw en het digitale tijdperk gezamenlijk leren. De grootste gevaren komen niet voort uit een tekort, maar uit een teveel. Niet uit zwakte, maar uit expansie. Niet uit onwetendheid, maar uit de wil alles te weten. Pleonexia en pleonectiek blijken dan twee namen voor hetzelfde raadselachtige gegeven: de mens als een wezen dat meer wil zijn dan het is.
In die zin is Poetin niet het tegendeel van Silicon Valley, maar zijn donkere spiegelbeeld. Beiden belichamen de droom van een grenzeloze mens. De een zoekt de oneindigheid in territoriale macht, de ander in technische almacht. En juist die droom is de diepste waan van onze tijd : de overtuiging dat de mens uiteindelijk zijn eigen God kan worden.
