Pelicans & Pinguins

Mijn liefde voor boeken is waarschijnlijk ontstaan doordat ik ben opgegroeid in een huis zonder boeken. Dat klinkt als een psychologische verklaring en daarom wantrouw ik haar onmiddellijk, maar een beter verhaal heb ik niet. Mijn ouderlijks huis bevatte een wonderlijke verzameling voorwerpen waarvan niemand precies wist waarom ze ooit waren aangeschaft, maar boeken ontbraken vrijwel volledig. Misschien ben ik daarom later boeken gaan verzamelen zoals anderen postzegels verzamelen, of exotische vlinders, of mislukkingen. Ieder zijn ding.

Sommige filosofen hebben gewaarschuwd voor de gevaren van het lezen. Schopenhauer bijvoorbeeld. Lezen zou het zelfstandig denken kunnen aantasten. Ik heb die waarschuwingen altijd uiterst serieus genomen en daarom zoveel mogelijk boeken over dat onderwerp gelezen. Uiteindelijk ben ik tot de conclusie gekomen dat boeken lezen inderdaad schadelijk kan zijn. Vooral voor mensen die er niet meer mee kunnen stoppen.

En toch staat ons huis vol boeken. Niet zomaar vol, maar op een manier die suggereert dat boeken zich voortplanten wanneer niemand kijkt. Jaren geleden heb ik geprobeerd orde aan te brengen. Ik rangschikte alles op onderwerp. Filosofie bij filosofie. Geschiedenis bij geschiedenis. Literatuur bij literatuur. Daarna begon de geschiedenis zich met de filosofie te bemoeien, terwijl de literatuur overal tussendoor kroop. Sommige boeken bleken bovendien over meerdere onderwerpen tegelijk te gaan. Die gedroegen zich als diplomaten met een dubbele nationaliteit en weigerden zich definitief ergens te vestigen.

Na verloop van tijd begon ik te vermoeden dat boeken een eigen wil hebben. Ik vond ze terug op plaatsen waar ik ze nooit had neergezet. Op een ochtend ontdekte ik een studie over Byzantijnse ketterijen tussen de kookboeken. Een week later stond een verhandeling over cybernetica plotseling naast een roman van Couperus. Ik heb de zaak enige tijd geobserveerd en kan niet uitsluiten dat boeken zich ’s nachts verplaatsen, vermoedelijk uit verveling.

Jaren geleden ging ik verhuizen met een verhuiswagen. Dat was geen verhuizing maar een geologische gebeurtenis. Er werden dozen gevuld, gewogen, verplaatst en opnieuw gevuld. De verhuizers kregen het vermoeden dat ik een illegale loodmijn exploiteerde. Toen zij ontdekten dat de dozen uitsluitend boeken bevatten, werden zij stil. Een van hen keek mij aan met de bezorgde blik waarmee artsen soms een röntgenfoto bestuderen.

Sindsdien woon ik in een huis dat nog altijd overeind staat, al weet ik niet zeker of dat een blijvende toestand is. Er zijn momenten waarop ik denk dat het huis eigenlijk door de boeken wordt gedragen en niet andersom. Als ik een kast leeghaal, lijkt een muur licht te trillen, alsof een essentieel dragend element is verwijderd.

Mijn zwakste plek blijkt de pocketreeks. Vooral oude pocketreeksen. Ik kan moeiteloos een boekwinkel verlaten zonder een nieuwe bestseller te kopen, maar zodra ik een vergeelde pocket ontdek met een nummer op de rug, verlies ik ieder gevoel voor proportie. Nummers zijn gevaarlijk. Een los boek is een boek. Een genummerd boek is een opdracht.

Zo begon ooit mijn fascinatie voor Aula-pockets. Eerst had ik er een paar. Daarna enkele tientallen. Vervolgens begon ik ontbrekende nummers op te sporen. Voor ik het wist, liep ik met een notitieboekje rond waarin honderden ontbrekende nummers stonden vermeld. Ik gedroeg mij als een rechercheur in een specialistische vermissingszaak.

“Nummer 127 gezien?” vroeg ik dan in antiquariaten. De antiquaar keek mij aan.”Nee.” “Jammer.” En dan vertrok ik weer met het gevoel dat er iets belangrijks was besproken. Dat nummer 127 is overigens nog altijd zeldzaam, God mag weten waarom. Het is een boek van Jean Améry: Het moderne Westen: culturele ontwikkeling na 1945 (Utrecht, 1963). 

Hoe dan ook, langzaam veranderde mijn verzameling in een parallel universum. Ik kende de ontbrekende nummers beter dan de aanwezige. Sommige exemplaren kregen mythische proporties. Nummer 1 bijvoorbeeld. Ik begon te twijfelen of dat boek wel bestond. Misschien was het ooit gedrukt, direct verloren gegaan en vervolgens opgegaan in de collectieve herinnering van verzamelaars. Een soort Atlantis van karton en papier. Tegenwoordig kun je dat eerste nummer op internet zo vinden. Het blijkt ook nog altijd voorradig omdat het in 2008 opnieuw is uitgegeven: Robert Fruin, Het voorspel van de 80-jarige oorlog. Mijn belangstelling beperkte zich overigens niet tot Aula’s. Prisma’s lonkten eveneens. Pelicans, Penguins, zelfs Livres de Poche.

Ooit zag ik een Franse film, waarin de hoofdrolspeler sliep voor een boekenkast waarin zich de complete verzameling van alle Livres de Poche bevond. Het was ergens diep in de jaren zeventig: een van die films die behoorden bij de heropleving van de Franse film na de nouvelle vague. Veel minder zwaar. De jonge man lag in bed, of beter gezegd: sliep op de vloer. De verzameling was eerder ironisch bedoeld dan serieus: een uit de hand gelopen hobby, maar wel heel consequent. Helaas kan ik me de titel van die film niet meer herinneren. Hij was niet in een filmhuis maar gewoon in de bioscoop te zien. Hoe dan ook, ik heb er ademloos naar gekeken. Zo wilde ik ook slapen ’s nachts.

Overigens had iedere pocketreeks haar eigen logica, haar eigen kleurenschema, en haar eigen belofte van volledigheid. Volledigheid is een gevaarlijk begrip. Het doet zich voor als een eindpunt, terwijl het in werkelijkheid een beginpunt is. Zodra een verzameling compleet raakt, verschijnt er onmiddellijk een nieuwe verzameling aan de horizon. Ik heb weleens gedacht dat het verzamelen van boeken eigenlijk een alternatieve vorm van tijdreizen is. Elk boek bevat een oude versie van de wereld. Sommige boeken bewaren zelfs werelden die nooit hebben bestaan. Mijn kasten zijn daardoor bevolkt geraakt door Romeinse keizers, existentialisten, ketters, natuurkundigen, middeleeuwse mystici, mislukte revolutionairen en een verrassend aantal mannen met baarden die het fundamenteel oneens zijn met elkaar.

Soms stel ik mij voor dat zij ’s nachts uit hun boeken stappen. Dan vergaderen zij in de gang. Schopenhauer beklaagt zich over de toestand van de wereld. Wittgenstein weigert deel te nemen zolang de definities niet helder zijn. Een Grieks-orthodoxe theoloog verklaart iedereen tot ketter. En ergens achter in de kast probeert een vergeten socioloog uit 1958 een orde van spreken af te dwingen die door niemand wordt erkend. Dat is een orde van spreken die niet van de dialoog is, maar van het protocol: een verstarde grammatica van classificaties, waarin elke uitspraak pas geldig wordt zodra zij is goedgekeurd door een vergeten comité van betekenistoewijzing.

Misschien verzamel ik daarom boeken. Niet om ze allemaal te lezen. Zelfs niet om ze allemaal te bezitten. Maar om te kunnen wonen aan de rand van die steeds uitdijende republiek van papier, waar miljoenen stemmen door elkaar praten en niemand ooit het laatste woord krijgt. Omdat elke zin, zodra hij uitgesproken is, al wordt ingehaald door een andere stem die hem betwijfelt, aanvult of tegenspreekt, en de taal daardoor nooit tot stilstand komt in een definitief slot, maar blijft doorruisen als een gesprek zonder eindredacteur.

Inderdaad, Schopenhauer zei het al, hoewel het altijd de vraag blijft wat hij nou precies zei, want al zijn uitspraken lijken soms gelezen te zijn door iemand anders. In elk geval zei hij dit: dat zelfs het pessimisme pas echt troostrijk wordt zodra het netjes is opgeschreven, omdat de wil altijd alweer een zin verder is dan de gedachte die hem probeert te vangen. En in zijn strengste bui voegde hij daar aan toe dat wie leest om het denken uit te besteden, uiteindelijk precies dat verliest waarvoor hij leest: het recht om ooit nog iets eigens te zeggen zonder dat het klinkt alsof het uit een voetnoot is ontsnapt.

Schopenhauer voorzag daarmee niet zozeer de opkomst van AI of het einde van het boek, maar vooral de ironische uitkomst ervan: een wereld waarin alles gelezen wordt, behalve misschien nog door iemand die zelf nog iets te zeggen heeft. Ook dat heb ik ooit eens gelezen in een van al die dode boeken in mijn huis. Ze leven niet meer, maar verdwijnen langzaam in de tijd. Al moet ik toegeven dat ik af en toe schrik wanneer ik een boek koop en thuis ontdek dat ik het al heb. Vroeger beschouwde ik dat als een vergissing. Tegenwoordig denk ik: misschien heeft het boek zichzelf opnieuw aangeschaft. Dat zou in elk geval verklaren waarom de kasten voller blijven worden, terwijl ik toch echt de indruk heb dat ik de laatste tijd veel minder boeken koop.