De verleiding van Oswald Spengler

De naam van Oswald Spengler duikt de laatste jaren steeds vaker op. Niet omdat zijn hoofdwerk Der Untergang des Abendlandes plotseling opnieuw massaal wordt gelezen, maar omdat zijn manier van kijken naar de geschiedenis een verrassende actualiteit lijkt te hebben gekregen. De overtuiging dat beschavingen niet eindeloos voortbestaan, maar een levenscyclus kennen van geboorte, bloei en verval, spreekt opnieuw tot de verbeelding. Wie dagelijks wordt geconfronteerd met berichten over klimaatverandering, oorlogen, geopolitieke spanningen, massamigratie, economische onzekerheid en de razendsnelle ontwikkeling van kunstmatige intelligentie, kan gemakkelijk de indruk krijgen dat wij leven in een tijd van overgang, misschien zelfs van ondergang. Het cultuurpessimisme van Spengler lijkt daardoor uit zijn historische context te zijn losgeraakt en een eigentijdse gedaante te hebben aangenomen.

Toen Spengler in de jaren van de Eerste Wereldoorlog zijn beroemde boek schreef, verkeerde Europa in een existentiële crisis. De oude wereldorde stortte in. De techniek had een vernietigingskracht voortgebracht die ongekend was. Het geloof in de vooruitgang, dat de negentiende eeuw had gedragen, werd ernstig aangetast. In die context ontwikkelde Spengler zijn visie op de geschiedenis als een organisch proces. Beschavingen waren volgens hem geen eeuwige grootheden, maar levende organismen. Zij werden geboren, bloeiden op en gingen uiteindelijk ten onder. De westerse cultuur had volgens hem haar creatieve hoogtepunt al achter zich gelaten en bevond zich in de fase van de verstarde beschaving, de Zivilisation, waarin techniek, economie en macht de plaats hadden ingenomen van religie, kunst en metafysische bezieling.

Destijds werd deze gedachte door velen beschouwd als een sombere fantasie van een teleurgestelde intellectueel. Achteraf bezien bleek zij echter een merkwaardige aantrekkingskracht te bezitten. Niet omdat Spengler gelijk kreeg in zijn concrete voorspellingen, maar omdat hij een gevoel onder woorden bracht dat telkens opnieuw in de geschiedenis lijkt terug te keren: het gevoel dat de eigen tijd haar fundamenten verliest.

Dat gevoel is vandaag opnieuw alom aanwezig. De klimaatcrisis heeft de oude overtuiging ondergraven dat de mens onbeperkt over de natuur kan beschikken. Voor het eerst sinds lange tijd ontstaat het besef dat de menselijke beschaving zelf kwetsbaar is geworden. De natuur, die in de moderne tijd werd gezien als een object van beheersing, keert terug als een macht die zich niet langer volledig laat controleren. Stijgende temperaturen, bosbranden, droogtes en overstromingen worden ervaren als signalen van een wereld die uit evenwicht raakt.

Juist hier zou Spengler zich vermoedelijk bevestigd hebben gevoeld. Voor hem was de faustische mens van het Westen bezeten door een grenzeloos verlangen naar expansie en beheersing. De moderne techniek was niet zomaar een instrument, maar de uitdrukking van een diepere geesteshouding. De mens wilde steeds verder reiken, steeds meer weten, steeds meer controleren. Maar juist in dat streven school volgens Spengler de kiem van de ondergang. Een cultuur die geen grenzen kent, loopt uiteindelijk tegen haar eigen grenzen aan.

Daarbij komt dat de internationale politieke orde steeds instabieler lijkt te worden. De oorlog in Oekraïne, de spanningen rond Taiwan, de conflicten in het Midden-Oosten en de groeiende rivaliteit tussen de Verenigde Staten en China voeden de indruk dat het tijdperk van de relatieve vrede na 1945 ten einde loopt. De globalisering, die lange tijd werd gepresenteerd als een onomkeerbaar proces van toenemende samenwerking, lijkt plaats te maken voor nieuwe machtsblokken, economische vormen van nationalisme en geopolitieke confrontaties.

Ook hierin klinkt een echo van Spengler door. Hij voorzag dat de liberale democratieën uiteindelijk zouden plaatsmaken voor een tijdperk van machtsstrijd en nieuwe vormen van autoritair leiderschap. Zijn begrip van het “caesarisme” verwees naar een fase waarin de grote idealen van een beschaving verbleken en de wil tot macht steeds meer de boventoon voert. Dat betekent niet dat zijn analyse letterlijk uitkomt, maar wel dat zijn intuïtie over de kwetsbaarheid van politieke ordeningen opnieuw herkenbaar wordt.

Toch is het opvallend dat het hedendaagse cultuurpessimisme een nieuwe dimensie heeft gekregen die Spengler onmogelijk had kunnen voorzien: de opkomst van kunstmatige intelligentie. Nog nooit in de geschiedenis heeft de mens een technologie ontwikkeld die niet alleen lichamelijke arbeid, maar ook intellectuele vermogens dreigt over te nemen. Schrijven, vertalen, componeren, programmeren en zelfs redeneren worden in toenemende mate gedeeld met machines.

Hier raakt de onzekerheid een dieper niveau dan economische of geopolitieke angst. Voor het eerst wordt de vraag gesteld wat de mens eigenlijk nog onderscheidt van zijn eigen creaties. Het gaat niet langer om de beheersing van de natuur, maar om de mogelijkheid dat de mens zichzelf overvleugelt. De klassieke humanistische opvatting van de mens als kroon van de schepping komt daarmee onder druk te staan.

In zekere zin beleven wij een nieuwe variant van wat de cultuurhistorici van het interbellum reeds signaleerden. Zowel Spengler als Ortega y Gasset en Johan Huizinga wezen op een groeiende kloof tussen technische mogelijkheden en geestelijke oriëntatie. De wetenschap had de wereld veranderd, maar de mens was er niet noodzakelijk wijzer door geworden. Kennis en betekenis vielen steeds verder uiteen.

De wereld is niet alleen sneller geworden, maar ook gelijktijdiger. Alles gebeurt overal tegelijk. Oorlogen worden in realtime gevolgd. Rampen verschijnen onmiddellijk op onze schermen. Sociale media versterken gevoelens van onrust en permanente crisis. Het heden lijkt geen rustpunt meer te kennen. Dat lijkt de belangrijkste  overeenkomst tussen het interbellum en onze eigen tijd: de ervaring van een crisis in de beleving van tijd zelf. De toekomst, die ooit werd gezien als een belofte van vooruitgang, verschijnt steeds vaker als een bron van angst. De toekomst is niet langer vanzelfsprekend beter dan het heden. Integendeel, zij roept scenario’s op van klimaatcatastrofes, kernoorlogen, economische instabiliteit en technologische ontwrichting.

Toch schuilt er een gevaar in het denken van Spengler. Zijn historische visie had iets fatalistisch. Beschavingen waren volgens hem onderworpen aan een noodlot waaraan niemand kon ontsnappen. Wie de tekenen van verval zag, kon hoogstens de ondergang waardig tegemoet treden. Daarmee verdween de menselijke vrijheid grotendeels uit beeld.

Juist hier week Huizinga fundamenteel van Spengler af. Ook hij zag de crisis van zijn tijd scherp, maar hij weigerde zich neer te leggen bij een historische noodzaak. “Willen wij cultuur behouden, dan moeten wij cultuur scheppen,” schreef hij. Cultuur was voor hem geen biologisch organisme dat sterft volgens een natuurwet, maar een voortdurende menselijke opdracht. Er was geen noodlot, slechts verantwoordelijkheid.

Die gedachte lijkt vandaag belangrijker dan ooit. Want het hedendaagse cultuurpessimisme heeft de neiging zichzelf te versterken. Hoe meer men overtuigd raakt dat de ondergang onafwendbaar is, hoe groter de verlamming wordt. Klimaatangst kan omslaan in fatalisme. Angst voor AI kan ontaarden in technofobie. Geopolitieke onzekerheid kan leiden tot cynisme en wantrouwen. De voorspelling van de ondergang dreigt dan een zichzelf vervullende profetie te worden.

Het lijkt me daarom vruchtbaarder om Spengler niet als een profeet te lezen, maar als een symptoom. Zijn denken onthult niet zozeer de objectieve wetten van de geschiedenis, maar de existentiële ervaring van mensen die het gevoel hebben dat hun wereldorde aan het verdwijnen is. Dat gevoel is van alle tijden. Elke generatie heeft haar eigen eindtijd-scenario’s gekend. De pest, de godsdienstoorlogen, de Franse Revolutie, de wereldoorlogen en de Koude Oorlog werden eveneens ervaren als mogelijke eindpunten van de geschiedenis.

Wat onze tijd echter onderscheidt, is dat de mensheid voor het eerst beschikt over middelen die daadwerkelijk een planetaire schaal hebben bereikt. Klimaatverandering, kernwapens en kunstmatige intelligentie overstijgen nationale grenzen. De mens is een geologische factor geworden. Zijn technische vermogens zijn mondiaal geworden, terwijl zijn morele en politieke instituties vaak nog stammen uit een eerdere tijd.

Daarin schuilt dan ook de crisis van onze tijd. Niet zozeer in de ondergang van het Westen, zoals Spengler meende, maar in de spanning tussen de reikwijdte van onze technologie en het beperkte vermogen van de mens om wijsheid, verantwoordelijkheid en betekenis te ontwikkelen. De oude vraag naar de verhouding tussen kennis en bezinning keert terug in een nieuwe gedaante. Uiteindelijk is cultuur niet alleen een kwestie van macht, economie of techniek. Cultuur heeft ook te maken met de vraag waarvoor wij leven en welke toekomst wij wenselijk achten. Zodra die vraag uit beeld verdwijnt, ontstaat het vacuüm waarin cultuurpessimisme kan gedijen.

Spengler zag in dergelijke gevoelens de voorbode van een onafwendbare ondergang. Maar misschien zijn zij eerder het teken van een overgangsfase, waarin oude zekerheden verdwijnen en nieuwe vormen van oriëntatie nog niet zichtbaar zijn. De geschiedenis kent immers niet alleen verval, maar ook onverwachte vernieuwingen. Achteraf blijken perioden van crisis vaak tevens perioden van transformatie te zijn geweest. Het is daarom de vraag of wij werkelijk leven in de schemering van het Avondland, of eerder in de onzekere ochtendschemering van een wereld die nog geen naam heeft gekregen. 

Zoals iedere overgangstijd wordt ook de onze gekenmerkt door angst, verwarring en het gevoel dat het vertrouwde verdwijnt. Maar juist in dergelijke tijden wordt zichtbaar dat cultuur geen noodlot is, maar een opdracht. De toekomst staat niet vast. Zij wordt voortdurend opnieuw geschreven — tegenwoordig zelfs samen met de machines die wij zelf hebben voortgebracht. Dat hoeft geen teken van ondergang te zijn, maar kan ook de zoveelste gedaanteverwisseling zijn van de mens, die sinds mensenheugenis leeft tussen de vrees voor een eindtijd en de hoop op een nieuw begin.

En wat het einde van Spengler zelf betreft, hij stierf op 8 mei 1936 aan een hartaanval, relatief jong – hij werd slechts 55 jaar. Vanwege zijn aangeboren hartafwijking werd de jonge Spengler afgekeurd voor de krijgsdienst. Zo kon het gebeuren dat hij de Eerste Wereldoorlog niet op het slagveld heeft meegemaakt. In de dissertatie, die Frederik Boterman aan Spengler heeft gewijd, schetst hij een raak beeld van zijn getroebleerde persoonlijkheid.

Spengler schaamde zich ervoor dat hij niet mee mocht vechten in de Eerste Wereldoorlog. Duitsland was alles voor hem. Hij schreef zijn boek in die donkere oorlogsjaren, toen heel Europa met elkaar overhoop lag en miljoenen jonge mannen stierven als ratten in de modder. Maar het eerste deel van zijn opus magnum had hij al grotendeels voor 1914 op papier staan. Spengler had niet alleen een zwakke gezondheid, maar ook een diep minderwaardigheidscomplex. Zijn apocalyptische ‘ondergang van het Avondland’ was ten dele ook een substituut voor zijn eigen levensangst en defaitisme.