The race is almost run

Toen de historicus Johan Huizinga in 1935 zijn cultuurkritische boek In de schaduwen van morgen opende met de legendarische woorden “We leven in een bezeten wereld. En we weten het,” keek hij naar een Europa dat aan de vooravond stond van totale ontwrichting. Er heerste een diepe crisis van het verstand, moreel verval en een angstaanjagende polarisatie. Vertaal je die woorden naar het nu, dan is de parallel treffend, al heeft de ‘bezeten tijd’ een ander gezicht gekregen. Waar Huizinga’s tijd bezeten werd door totalitaire ideologieën, wordt onze tijd bezeten door onpeilbare krachten die wonderlijk genoeg soms ook lijken te neigen naar het totalitaire. ‘Autocratie’, zo heet dat tegenwoordig, de tegenpool van de democratie, die sommigen opeens als een kwalijk symptoom van verval en decadentie wordt gezien.

Huizinga schreef over de verzwakking van het oordeelsvermogen. Vandaag leven we in een permanente staat van hyper-connectiviteit. We worden geleefd door algoritmes, push-meldingen en een constante stroom aan (des)informatie. De bezetenheid zit hem nu in onze collectieve verslaving aan de schermen, waarbij nuance het verliest van de waan van de dag en de ‘clicks’.”Bezeten” betekent ook: niet meer voor rede vatbaar. Net als in de jaren ’30 zien we een samenleving die hard polariseert. Het politieke en maatschappelijke debat wordt vaak gevoerd op basis van pure emotie, angst en vijandbeelden in plaats van feiten en redelijkheid. De nuance is een luxe geworden die we ons amper nog lijken te permitteren.

Huizinga voelde de naderende catastrofe van de Tweede Wereldoorlog. Vandaag vertaalt die existentiële dreiging zich in een ‘polycrisis’: de klimaatcrisis, geopolitieke spanningen (oorlogen die angstaanjagend dichtbij komen), de onvoorspelbare opkomst van AI en economische onzekerheid. Het gevoel dat de wereld op een kantelpunt staat, is net zo intens als toen. Als we Huizinga naar het nu vertalen, betekent “een bezeten tijd” vooral: een tijd waarin we de grip op de realiteit en op onszelf dreigen te verliezen. We worden meegesleept door systemen die groter zijn dan wijzelf — of dat nu de markt, de technologie of de politieke waan is — en we kijken machteloos toe. 

Er is nog iets merkwaardigs aan onze tijd. Terwijl alles sneller lijkt te veranderen dan ooit tevoren, begint tegelijk het besef door te dringen dat niets definitief is. Niet de wereld waarin wij leven, niet de beelden die wij van onszelf hebben en zelfs niet de geschiedenis die wij meenden te kennen. Wat gisteren vanzelfsprekend leek, verschijnt vandaag in een ander licht. En wat wij voor onveranderlijk hielden, blijkt deel uit te maken van een veel grotere beweging van ontstaan en vergaan.

Dat is ook de eerste les die de geschiedenis ons leert: niets blijft zoals het is. Maar evenmin verdwijnt iets voorgoed. Wat sterft en wat geboren wor gaan altijd samen op. Johan Huizinga heeft dat beter begrepen dan wie ook. In de geschiedenis, zo schreef hij, gaan ondergang en vernieuwing hand in hand, zoals de herfst niet alleen het seizoen van het verval is, maar ook het laatste opvlammen van kleurenpracht voordat de winter zijn intrede doet. Oude beschavingen sterven af in dezelfde bodem waarin het nieuwe voedsel vindt om op te bloeien.

Dat inzicht lijkt vandaag opnieuw actueel. We leven in een tijd waarin vertrouwde zekerheden verdwijnen. Oude politieke en culturele kaders brokkelen af. Technologische ontwikkelingen veranderen ons dagelijks bestaan met een snelheid die eerdere generaties nauwelijks konden vermoeden. Kunstmatige intelligentie, digitale netwerken en alomtegenwoordige informatiesystemen herscheppen niet alleen de economie en de arbeidsmarkt, maar ook ons denken, ons geheugen en zelfs onze ervaring van tijd. Wij worden andere mensen zonder precies te weten wanneer die verandering begonnen is.

Mogelijk zullen toekomstige historici later zeggen dat wij leven in een overgangstijd, zoals Huizinga de late middeleeuwen beschreef: een periode waarin een oude wereld nog niet geheel verdwenen is, terwijl een nieuwe wereld zich al aandient zonder dat haar contouren goed zichtbaar zijn. Mensen die in zulke tijden leven, ervaren vaak vooral verlies. Zij hebben het gevoel dat de samenhang verdwijnt, dat de wereld haar vanzelfsprekendheid verliest en dat de toekomst zich onttrekt aan hun blik. Toch zijn juist dergelijke perioden vaak de kraamkamers van onverwachte vernieuwing.

Ook in de jaren dertig van de vorige eeuw hing er een gevoel van ontwrichting in de lucht. Met dat vooruitzicht sprak Huizinga van een bezeten wereld. De techniek, de massamedia en de opkomst van de massamens hadden volgens hem geleid tot een beschaving die haar innerlijke samenhang dreigde te verliezen. Hij zag hoe kennis zich losmaakte van wijsheid en hoe de mens steeds meer werd meegesleurd door mechanismen die hij zelf had geschapen. De moderne beschaving was volgens hem in een toestand van puerilisme geraakt, een permanente puberteit, waarin alles steeds groter, sneller en luider moest worden.

Wie zijn woorden vandaag terugleest, kan zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat ze opnieuw actueel zijn. Alleen de gedaante van de bezetenheid is veranderd. De bezeten wereld van Huizinga heeft plaatsgemaakt voor een virtueel gegenereerde wereld. Voor het eerst in zijn geschiedenis wordt de mens geconfronteerd met een techniek die niet alleen zijn spierkracht, zijn zintuigen en zijn geheugen uitbreidt, maar ook zijn taal, zijn verbeelding en zelfs zijn vermogen om betekenis te produceren. Eeuwenlang was schrijven een exclusief menselijke bezigheid. Nu ontstaan teksten, beelden, muziek en ideeën in een voortdurende wisselwerking tussen mens en machine. Wat vroeger het domein van inspiratie heette, wordt steeds meer een ruimte van interactie met een ongrijpbare, nieuwe vorm van intelligentie. Alsof de cultuur een nieuwe gesprekspartner heeft gekregen met wie voortdurend wordt gecommuniceerd.

De uitvinding van kunstmatige intelligentie is wellicht even ingrijpend als ooit de boekdrukkunst was. Wat geschreven is, wordt onmiddellijk samengevat, vertaald, herschreven en opnieuw geordend. En wat nog geschreven moet worden, lijkt in zekere zin al aanwezig als een oneindig reservoir van mogelijkheden dat op elk moment oproepbaar is. Verleden, heden en toekomst schuiven steeds meer in elkaar. Ook het nog komende lijkt al aanwezig in het nu. We naderen het punt van Big Brother is watching you. Het zijn The Days of Pearly Spencer…. The race is almost run.

Daarmee verandert niet alleen onze verhouding tot kennis, maar ook onze ervaring van tijd. Eeuwenlang was vergeten even vanzelfsprekend als herinneren. Het geheugen kende zijn hiaten, zijn schemergebieden en zijn blinde vlekken. Maar de digitale wereld kent nauwelijks nog vergetelheid. Alles wordt opgeslagen, gearchiveerd en oproepbaar gemaakt. Het verleden is niet langer een verre kust achter de horizon, maar een permanent aanwezige databank. Misschien dreigt daardoor iets wezenlijks verloren te gaan. Want wie alles kan terugvinden, hoeft niets meer werkelijk te onthouden. En wie niets meer vergeet, dreigt het vermogen te verliezen om betekenis te onderscheiden.

Er lijkt een nieuw type mens te ontstaan dat steeds verder uiteen dreigt te vallen in verschillende bewustzijnslagen. De eenheid van het bewustzijn maakt plaats voor een leven in meervoud. Die ontwikkeling is niet nieuw – Jan Hendrik van den Berg voorzag hem al in in het begin van de jaren zestig – maar lijkt een nieuwe fase te zijn ingegaan. De mens wordt niet alleen omringd door informatie, maar ontmoet zichzelf in zijn eigen machines. Hij ziet zijn eigen taal terugkeren in algoritmen, zijn herinneringen in databanken en zijn verbeelding in gegenereerde beelden. Het bewustzijn wordt gespiegeld in een kunstmatige intelligentie die door mensenhanden is voortgebracht, maar zich tegelijkertijd als een nieuwe werkelijkheid aandient.

Dit nieuwe type mens is niet langer de massamens waar Huizinga voor vreesde, maar de oproepbare mens. Een mens die voortdurend toegang heeft tot een vrijwel onbeperkte hoeveelheid kennis, beelden en teksten. Een mens voor wie de grens tussen herinneren en zoeken, tussen weten en oproepen, steeds vager wordt. Niet het bezit van kennis staat centraal, maar de beschikbaarheid ervan. Niet het geheugen, maar de toegang.

Daardoor komt ook de geschiedenis zelf in een nieuw licht te staan. Want wat betekent auteurschap nog wanneer teksten voortdurend worden herschreven? Wat is oorspronkelijkheid wanneer een machine miljoenen stemmen uit het verleden in zich heeft opgenomen? Wat blijft er over van het onderscheid tussen scheppen en combineren, tussen inspiratie en generatie?

Maar dat zijn wellicht ook de verkeerde vragen. Het lijkt of zich hier  een oud patroon herhaalt. Telkens wanneer een nieuwe techniek verschijnt, vreest de mens dat hij iets wezenlijks zal verliezen. De boekdrukkunst bedreigde de mondelinge cultuur. De fotografie zou de schilderkunst overbodig maken. De film zou het theater verdringen. De televisie zou het boek vernietigen. Maar telkens bleek dat het oude niet verdween, maar een nieuwe plaats kreeg binnen een veranderend geheel.

Zo bezien hoeft de opkomst van kunstmatige intelligentie niet uitsluitend te worden gezien als een proces van ontzieling, maar ook als een nieuwe fase in de lange geschiedenis van de menselijke verbeelding. Zoals Huizinga de geschiedenis niet zag als een verzameling feiten, maar als een levende werkelijkheid die telkens opnieuw verbeeld moet worden, zo zou ook de huidige revolutie niet alleen een crisis kunnen zijn, maar tevens een onverwachte bron van radicale vernieuwing die tot iets dat alle verbeelding tart.

De toekomst neemt nooit de kortste weg. De geschiedenis kent geen voorspelbare lijnen. Zij beweegt zich in golven van verlies en wedergeboorte, van ontregeling en herstel. In tijden van verval worden vaak de kiemen gelegd voor nog onvoorstelbare vormen van samenhang. Oude beschavingen sterven af in dezelfde bodem waarin het nieuwe zijn inspiratie vindt. Dat gold voor de late middeleeuwen, voor het interbellum en misschien geldt het ook voor onze tijd. Ondergang wordt ook een bloeitijd. Het herfsttij pronkt met een nooit eerder vertoonde kleurenpracht.

Wellicht zullen latere generaties terugkijken op het derde decennium van de eenentwintigste eeuw als een tijdperk van verwarring en ontregeling, maar ook als het moment waarop de mens ontdekte dat niet alleen de wereld veranderlijk is, maar ook zijn eigen bewustzijn. De geschiedenis, die eeuwenlang een domein van herinnering was, is bezig een gesprek aan te gaan met een nieuwe vorm van intelligentie die door de mens zelf is voortgebracht. Die communicatie is in volle gang, en zal blijven doorgaan in een eenparig versnelde beweging. Totdat alles – maar dan ook werkelijk alles – is volbracht in een grandioos slotakkoord.

Inderdaad… The race is almost run….