

Op welke ‘blaaderen’ doelt de dichter hier? Het zijn bladeren die met het oog zijn niet te zien, met de neus niet te ruiken, met het oor niet horen, met de hand niet te voelen. De verbeelding kan er geen voorstelling van maken. Het zijn de bladeren waarvan het bestaan ons verstand te boven gaat en waar we geen weet van hebben, omdat we er per definitie geen weet van kúnnen hebben. En toch maakt de dichter er gewag van, alsof zij wegen kent waar het verstand geen weet van heeft. Alsof de wereld een gigantisch oerwoud is, waar wij slechts één open plek van kennen. Die gewaarwording van onkenbare bladeren is alleen op intuïtieve wijze te verklaren. Die onkenbare bladeren kunnen alleen worden waargenomen met een ander orgaan. Iets anders dan het verstand. Maar welk orgaan is dat? Welk orgaan heeft onze geest dat het bestaan bladeren in het donker en in de stilte kan vermoeden? ‘Ik wil het geheim van de wereld kunnen horen’, schreef Vasalis aan Gerard Reve. Maar hoe kun je een geheim horen dat het oor niet horen kan? Hoe kun je iets waarnemen dat er niet is?
Vier jaar na het verschijnen van Vergezichten en gezichten kreeg Vasalis een prijs van Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945. De prijsuitreiking vond plaats op 8 februari 1958 in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Haar dankrede, die ik gisteren las, is een indringend betoog over de rol van de kunstenaar in de naoorlogse maatschappij. Vasalis hield een pleidooi voor de wereld van de droom en de herinnering aan het paradijselijke wereld van het kind. Het verzet van de kunstenaar was na de oorlog nog niet afgelopen, maar diende eens temeer ingezet te worden voor het behoud van de droom en het paradijs van de kinderjaren. In haar woorden klinkt een aanklacht tegen de moderne maatschappij. De moderniteit heeft een wereld opgeleverd van toenemende specialisering, waardoor ‘het leven’ uiteenvalt in tal van aspecten zonder gemeenschappelijk centrum.
In die moderne wereld zijn vrijheid, gerechtigheid en vrede holle begrippen geworden. Het is een wereld waarin kwade motieven de mens tot voordeel strekken. De hedendaagse mens voelt zich niet thuis in het huis waarin hij leeft, want deze wereld is te snel en te groot geworden. De tijd vliegt aan de mens voorbij en het enige dat hij nog kan doen is als een hond, die uit het raam kijkt in een voortrazende trein: ‘blaffen naar de voorbijflitsende telegraafpalen’. Het is de taak van de kunstenaar, zo stelt Vasalis, om te laten zien hoe hij de wereld beleeft om zo een nieuw doorleefd verband tussen binnen- en buitenwereld te leggen, een verband dat in zijn eigen tijd vaak niet – of nog niet – begrepen wordt.
Het betoog van Vasalis klinkt ruim een halve eeuw na dato weinig opzienbarend. Het is het geluid van het cultuurpessimisme dat de oorlog had overleefd. De stelling dat het vooroorlogse cultuurpessimisme, dat na de Tweede Wereldoorlog nog enige tijd voortleefde maar in de jaren zestig verdween, tegenwoordig weer helemaal terug is, bevat een kern van waarheid, maar vraagt om nuance. De overeenkomsten zijn onmiskenbaar, maar de historische context is fundamenteel veranderd. Het cultuurpessimisme van nu is niet eenvoudig een herhaling van dat van het interbellum. Eerder lijkt sprake van een terugkeer van bepaalde grondpatronen die zich telkens opnieuw manifesteren wanneer een beschaving een periode van versnelde verandering doormaakt.
Aan het begin van de twintigste eeuw werd de moderniteit ervaren als een ontwrichtende kracht. Techniek, industrialisatie, massamedia, secularisering en verstedelijking tastten vertrouwde verbanden aan. De oude wereld leek uiteen te vallen. In heel Europa ontstond het gevoel dat de beschaving haar hoogtepunt had bereikt en de fase van verval was ingegaan. Oswald Spengler gaf dat gevoel een monumentale vorm in zijn Untergang des Abendlandes. Niet alleen intellectuelen, maar ook architecten, kunstenaars, predikanten en dichters werden door die stemming geraakt. Zelfs in Friesland klonk begin jaren dertig de klacht dat Bach en Beethoven moesten wijken voor de jazzband en dat kerken op bioscopen begonnen te lijken.
Die ervaring van ontworteling ging gepaard met een dieper gevoel van onttovering. De wereld verloor haar metafysische samenhang. Religieuze zekerheden verdwenen en werden vervangen door nieuwe vormen van collectieve bezieling. Juist in die leegte konden ideologieën ontstaan die een substituut boden voor het verloren transcendente centrum. Nationalisme, communisme en fascisme presenteerden zich als seculiere religies. De oude verwachting van verlossing werd vertaald in politieke termen. Eric Voegelin heeft dat proces later beschreven als een substitutie van religieuze symboliek door immanente ideologieën.
Na 1945 verdween deze stemming niet onmiddellijk. Integendeel. In de poëzie van Vasalis, in het werk van Camus en in talloze naoorlogse beschouwingen klinkt nog steeds de echo van het interbellum door. Het besef leefde dat de mens iets wezenlijks dreigde kwijt te raken. De moderne samenleving viel uiteen in gespecialiseerde deelgebieden zonder gemeenschappelijk centrum. Vrijheid, vrede en gerechtigheid dreigden holle begrippen te worden. De mens leefde in een wereld die te groot en te snel was geworden.
Opmerkelijk genoeg verdween dit cultuurpessimisme in de jaren zestig grotendeels naar de achtergrond. De wederopbouw was geslaagd. De economie groeide. De verzorgingsstaat breidde zich uit. Wetenschap en techniek werden niet langer als bedreigingen ervaren, maar als instrumenten van bevrijding. De secularisering werd niet beleefd als verlies, maar als emancipatie. De toekomst lag open. Alles leek mogelijk. De mens kon zichzelf opnieuw uitvinden.
Het optimisme van de jaren zestig was echter niet minder utopisch dan het pessimisme dat eraan voorafging. Ook daarin school een quasi-religieuze verwachting. Authenticiteit, zelfontplooiing en onmiddellijke ervaring namen de plaats in van traditionele geloofsvormen. Zelfs de afwijzing van religie kreeg trekken van een nieuwe religie. John Lennon zong Imagine no religion, maar juist die droom van een wereld zonder metafysica kreeg iets messianistisch. Ook de cultus van het hier en nu bleek uiteindelijk een substituut.
Ruim een halve eeuw later is het optimisme van de jaren zestig grotendeels verdampt. De grote beloften van vooruitgang hebben hun vanzelfsprekendheid verloren. Klimaatverandering, geopolitieke spanningen, oorlogen, migratie, economische onzekerheid en de razendsnelle ontwikkeling van kunstmatige intelligentie roepen opnieuw de vraag op of de mens nog wel greep heeft op zijn eigen toekomst. De ervaring van vervreemding keert terug, zij het in een andere gedaante.
Opvallend is dat veel motieven uit het interbellum opnieuw opduiken. Ook nu bestaat de vrees dat techniek de mens overvleugelt. Ook nu wordt gesproken over verlies van identiteit, over de teloorgang van gemeenschapszin en over een beschaving die haar morele fundamenten heeft ondergraven. Ook nu worden nieuwe vijandbeelden gecreëerd en verschijnen overal theorieën over verborgen machten en samenzweringen. Schijn en werkelijkheid lopen door elkaar. Nep wordt echt. Het digitale tijdperk heeft de oude schaduwwereld van Hollywood vervangen door de virtuele wereld van sociale media, algoritmen en kunstmatige intelligentie.
Toch is er een belangrijk verschil met de jaren dertig. Het huidige cultuurpessimisme heeft geen duidelijke kern. Het is gefragmenteerd. Waar Spengler nog een allesomvattende filosofie van de geschiedenis ontwikkelde, bestaat tegenwoordig vooral een mozaïek van angsten en onzekerheden. De ene groep vreest klimaatcatastrofes, een andere immigratie, een derde de teloorgang van de democratie, weer anderen de macht van technologie of de opkomst van kunstmatige intelligentie. Het gevoel van ondergang is diffuus geworden.
Bovendien heeft het huidige cultuurpessimisme een merkwaardige dubbelzinnigheid. Het wordt niet alleen gedragen door conservatieve denkers, maar evenzeer door progressieve stromingen. Zowel rechts als links beroepen zich op rampscenario’s. De een vreest de ondergang van het Avondland, de ander de vernietiging van de planeet. Beide posities delen een diep wantrouwen jegens de bestaande orde en een verlangen naar een radicale ommekeer.
In dat opzicht had Sid Lukkassen gelijk toen hij al in 2015 – in zijn boek Avondland en identiteit – constateerde dat de westerse beschaving een identiteitscrisis doormaakt. Maar zijn analyse bleef te simplistisch omdat hij die crisis uitsluitend verklaarde vanuit de erfenis van het christendom. Juist het christendom is immers zelf voortgekomen uit een eerdere periode van ontwrichting en culturele vermenging. Het ontstond niet in een tijd van zekerheid, maar in een tijd waarin het Romeinse Rijk zijn samenhang verloor en oude religies hun overtuigingskracht zagen afnemen. De boodschap van caritas en barmhartigheid was geen teken van decadentie, maar een antwoord op een beschaving in crisis.
Daarmee rijst de vraag of cultuurpessimisme misschien niet zozeer een symptoom van verval is, maar een terugkerende begeleider van grote historische overgangen. Misschien behoort het gevoel van ondergang tot de normale reacties van de mens wanneer vertrouwde kaders verdwijnen. In dat geval zegt cultuurpessimisme minder over de objectieve toestand van de beschaving dan over de ervaring van mensen die midden in een periode van verandering leven.
Juist daarin schuilt de actualiteit van de dichteres Vasalis. Haar verlangen naar een verloren centrum was geen politieke ideologie, maar een poging om ruimte te bewaren voor wat zich niet laat reduceren tot berekening en functionaliteit. Haar angst betrof uiteindelijk niet de techniek zelf, maar het afsterven van menselijke vermogens die niet meer worden aangesproken: geloof, liefde, verbeelding, droom en mededogen. Die woorden klinken tegenwoordig misschien actueler dan ooit.
Want de grootste uitdaging van onze tijd is wellicht niet de ondergang van de beschaving, maar het gevaar dat de mens zichzelf gaat verstaan in de taal van zijn eigen machines. Kunstmatige intelligentie, algoritmen en data-analyse versterken het geloof dat alles meetbaar en berekenbaar is. Maar juist dan keert de vraag terug die Vasalis in haar gedicht Kennen stelde. Welke bladeren hangen er in stilte en donker? Welke werkelijkheden ontsnappen aan het instrument waarmee wij de wereld proberen te begrijpen?
Dat is wellicht een overeenkomst tussen het interbellum en onze tijd. Beide perioden worden gekenmerkt door het gevoel dat de mens de grens van zijn eigen kennen bereikt. Maar waar de doemdenkers van vroeger geneigd waren overal de Antichrist te ontwaren, zou het vruchtbaarder kunnen zijn om de geschiedenis minder als een onafwendbare neergang en meer als een voortdurende wisselwerking van verlies en vernieuwing te beschouwen.
Culturen sterven, maar zij worden ook telkens opnieuw geboren. Religies verdwijnen, maar hun patronen keren terug in nieuwe gedaanten. Het optimisme van de jaren zestig was geen definitieve overwinning op het cultuurpessimisme, zoals het huidige pessimisme geen definitief bewijs is van de ondergang van het Westen. De geschiedenis is geen rechte lijn naar boven of beneden, maar een voortdurende beweging van crisis en heroriëntatie.
Dat is een waardevolle les die de twintigste eeuw ons heeft nagelaten: dat geen enkele tijd het einde van de geschiedenis laat beleven, en dat zelfs in perioden waarin de toekomst verduistert, de mogelijkheid van een nieuw begin verborgen kan liggen. Zoals bij Vasalis de onzichtbare bladeren in stilte en donker blijven bestaan, zo zijn er misschien altijd dimensies van het menselijk bestaan die zich onttrekken aan de waan van de dag, en die, juist wanneer een beschaving zichzelf verloren waant, opnieuw aan het licht kunnen treden.