Geschiedenis herhaalt zich, maar wel anders

Zaterdag j.l. verscheen er een opiniestuk in de Volkskrant, geschreven door Bob de Jong, met als titel: ‘Waarom de weerstand tegen AI in kunst een eeuwenoud patroon volgt’. Hierin beweert hij dat vrijwel alle technologische vernieuwingen die de productie van kunst en cultuur veranderden aanvankelijk felle tegenstand opriepen. Als voorbeelden noemt hij de drukpers van Gutenberg, de introductie van de verftube, de fotografie en de conceptuele kunst van Marcel Duchamp. Steeds werd gewaarschuwd dat iets wezenlijks verloren zou gaan: vakmanschap, authenticiteit, kwaliteit of zelfs de ziel van de kunst. Achteraf blijken juist deze vernieuwingen vaak nieuwe artistieke mogelijkheden te hebben geopend.

Als illustratie verwijst De Jong naar een experiment op X. Een afbeelding die werd gepresenteerd als een door AI gegenereerd schilderij in de stijl van Monet werd door vele gebruikers bekritiseerd als zielloos, emotieloos en technisch zwak. Pas later bleek het om een echte Monet te gaan. Volgens De Jong laat dit zien hoe sterk vooroordelen over AI het oordeel beïnvloeden: mensen zagen niet het schilderij zelf, maar vooral het etiket dat erboven stond.

De Jong stelt dat weerstand tegen nieuwe technologieën vaak voortkomt uit bestaande instituties en groepen die de toegang tot een kunstvorm bewaken. Wat ooit als revolutionair begon, wordt later onderdeel van het culturele establishment. Dezelfde kunstwereld die nu de vernieuwers van vroeger bewondert, reageert volgens hem afwijzend op nieuwe ontwikkelingen zoals AI. De vraag is volgens hem niet óf AI de kunst zal veranderen, maar wie bereid is nieuwe vormen van kunst serieus te nemen en wie vasthoudt aan bestaande opvattingen over wat kunst mag zijn.

Toen ik dit opiniestuk las, merkte ik dat ik er in grote lijnen mee instemde. Niet omdat ik denk dat alle kritiek op AI in de kunstwereld ongegrond is, maar omdat hij een historisch patroon blootlegt dat moeilijk te ontkennen valt. Nieuwe technologieën hebben vrijwel altijd weerstand opgeroepen, vooral daar waar bestaande opvattingen over vakmanschap, authenticiteit en artistieke legitimiteit onder druk kwamen te staan. De drukpers, de fotografie, de verftube, de filmcamera, de synthesizer: telkens weer klonk de klacht dat er iets wezenlijks verloren ging. De ziel van het handwerk, de authenticiteit van de maker, de echtheid van de ervaring. En telkens weer bleek achteraf dat niet de kunst ten onder ging, maar dat de kunst zich verplaatste naar nieuwe vormen en nieuwe mogelijkheden.

Het voorbeeld waarmee De Jong opent, is veelzeggend. Mensen die een echte Monet aanzien voor een zielloos AI-beeld en vervolgens uitvoerig uitleggen waarom het werk geen diepgang bezit, laten zien hoe sterk onze oordelen worden gestuurd door verwachtingen. Zodra het label ‘AI’ op een afbeelding wordt geplakt, lijkt het werk door een andere bril te worden bekeken. Dat mechanisme herken ik. We beoordelen niet alleen wat we zien, maar vooral ook wat we denken te zien. De geschiedenis van de kunst staat vol met voorbeelden van dergelijke vergissingen.

Wanneer een schilderij wordt gepresenteerd als een onbekende kopie, beoordelen kenners het vaak lager dan wanneer hetzelfde werk wordt toegeschreven aan een beroemd kunstenaar. Meestervervalser Han van Meegeren maakte hier ooit dankbaar gebruik van. Zijn vervalste Vermeers werden aanvankelijk door vooraanstaande experts als authentieke meesterwerken geprezen. Toen bleek dat ze vervalsingen waren, veranderde het oordeel abrupt. Ook in de muziek bestaan zulke fenomenen. Toen de wereldberoemde violist Joshua Bell incognito speelde in een metrostation in Washington, liepen de meeste voorbijgangers achteloos voorbij. Diezelfde muzikant trekt normaal gesproken volle concertzalen. De kwaliteit van het spel was identiek, maar de context veranderde de waardering ingrijpend.

Toch heb ik bij dit verhaal De Jong ook enkele kanttekeningen. Misschien wel omdat ik de afgelopen jaren veel heb geschreven over AI en creativiteit. Juist daardoor ben ik mij steeds meer bewust geworden van zowel de overeenkomsten als de verschillen tussen eerdere technologische revoluties en de huidige ontwikkeling van kunstmatige intelligentie. De eerste kanttekening betreft de aard van de technologie zelf. De fotografie verving bepaalde functies van de schilderkunst, maar een camera maakte niet zelfstandig nieuwe beelden. De drukpers reproduceerde teksten, maar schreef ze niet. De verftube stelde schilders in staat buiten te werken, maar schilderde niet zelf. AI is in dat opzicht een fundamenteel andere technologie. Zij neemt niet slechts een technisch onderdeel van het creatieve proces over, maar dringt door tot het domein dat wij lange tijd als exclusief menselijk beschouwden: het genereren van beelden, teksten, muziek, verhalen en ideeën.

Dat betekent niet dat AI creatief is zoals een mens creatief is. Maar het betekent wel dat de vergelijking met eerdere innovaties niet volledig opgaat. Er is iets aan de hand dat intrinsiek anders is. Voor het eerst hebben we machines die niet alleen onze spierkracht of ons geheugen uitbreiden, maar ook een deel van onze verbeeldingskracht kunnen simuleren. Dat maakt de situatie ingewikkelder dan welke historische analogie dan ook. De film Metropolis verbeeldde in 1927 de collectieve angst voor de razendsnelle technologische ontwikkelingen. De film The Matrix deed dat in 1999 opnieuw, maar nu met het oog op het dreigend verlies van werkelijkheidservaring. Nu kunnen we AI zelf zo’n horror-film laten maken, maar dan over een angstvisioen dat we zelf nog niet eens kunnen bedenken.

Een tweede kanttekening betreft het begrip creativiteit als zodanig. De Jong heeft gelijk wanneer hij stelt dat veel critici zich verschansen achter begrippen als ‘ziel’, ‘authenticiteit’ en ‘echtheid’, zonder precies uit te leggen wat zij daarmee bedoelen. Dat zijn vaak woorden die meer verhullen dan verduidelijken. Toch denk ik dat er achter die soms vage intuïties wel degelijk een reële ervaring schuilgaat. De klassieke inspiratio werd niet voor niets ervaren als een geestelijke ‘inblazing’ vanuit hogere werkelijkheidssferen. Die ‘hemelse oorsprong’ van de inspiratie werd uiteindelijk ‘het onbewuste’, maar de oorsprong bleef ‘van elders’. Kunstmatige intelligentie kent geen hemel en ook geen onbewuste, maar waar komen zijn ideeën dan wel vandaan?

En bovendien, wanneer een mens een kunstwerk maakt, is dat werk niet los te zien van ‘een geleefd bestaan’. Achter een schilderij van Van Gogh bevindt zich een leven vol verlangens, obsessies, mislukkingen, vriendschappen en wanhoop. Achter een roman van Kafka schuilt een concrete biografie. Achter een lied van Johnny Cash horen we de echo van een heel leven. Natuurlijk hoeven we die levensgeschiedenis niet altijd te kennen om geraakt te worden door het werk. Maar het besef dat er een mens achter schuilgaat, speelt wel degelijk een rol in onze ervaring.

Een AI-systeem heeft geen jeugd gehad, geen herinneringen, geen doodsangst, geen liefdesverdriet en geen dromen. Het kent geen ochtend waarop iemand huilend wakker wordt omdat een geliefde verdwenen is. Het kent geen krokodillentranen in de ochtend. Wat AI produceert, is een indrukwekkende simulatie van de menselijke expressie, opgebouwd uit patronen die in enorme hoeveelheden menselijk materiaal zijn aangetroffen. Dat hoeft de waarde van die output niet teniet te doen. Maar het maakt haar wel structureel anders.

Ik merk dat ik daarom moeite heb met zowel de alarmisten als de bejubelaars van AI. De alarmisten roepen dat AI nooit kunst kan maken omdat zij geen ‘ziel’ bezit. De jubelaars antwoorden dat het begrip ‘ziel’ altijd al een romantische mythe was. Beide standpunten zijn mij te absoluut. Aan de kernvraag wordt hiermee voorbijgegaan. Wat is de opvolger van ‘de ziel’? Dat weten w steeds niet. Net zomin als we weten wat de opvolger is van het begrip ‘God’. ‘Het lijk van God is nog altijd warm’, schreef Arnon Grunberg dit weekend in de NRC. Maar het lijk van de ziel, dat zijn wij zelf. En de machine zou dat lijk van de ziel maar al te graag willen begraven. Het wordt hoog tijd dat we iets nieuws verzinnen al vervanger van ‘de ziel’, al was het maar om onszelf te wapenen tegen de veroveringszucht van de machine.

En dan nog iets. Kunst ontstaat ergens tussen vorm en ervaring, tussen techniek en leven. AI beheerst steeds beter de vorm, maar bezit niet het leven waaruit die vorm oorspronkelijk voortkwam. Tegelijkertijd is het de vraag hoeveel dat uiteindelijk uitmaakt voor de ontvanger. De geschiedenis leert dat mensen zich vaak sterker laten raken door een overtuigend verhaal dan door de feitelijke oorsprong ervan. Een toekomstige generatie zal mogelijk veel minder belang hechten aan de vraag of een werk door een mens of door een machine is gemaakt. Misschien zullen wij dan lijken op de critici die ooit beweerden dat fotografie geen kunst kon zijn.

Maar zelfs als dat gebeurt, blijft er nog een andere vraag over. Niet wat AI maakt, maar wat AI met ons doet. Dat is wellicht mijn belangrijkste voorbehoud bij het betoog van De Jong. Hij richt zich vooral op de weerstand van kunstinstellingen en culturele elites. Dat is begrijpelijk, maar het gevaar van AI ligt volgens mij niet in de eerste plaats bij de poortwachters van de kunstwereld. Het ligt in de schaal waarop zulke synthetische inhoud geproduceerd kan worden.Een schilder maakte één schilderij. Een fotograaf kon honderden foto’s maken. Een AI-model kan in enkele minuten honderdduizenden beelden genereren.

Dat verandert niet alleen de productie van kunst, maar ook de ecologie van de aandacht waarin de kunst functioneert. Wanneer beelden, teksten en muziek praktisch onbeperkt beschikbaar komen, ontstaat een paradoxaal effect. Niet schaarste, maar overvloed wordt dan het probleem. In eerdere essays heb ik AI daarom vergeleken met een nieuwe laag rond de werkelijkheid. Een gigantische sfeer van synthetische beelden, teksten en stemmen die zich tussen de mens en de wereld gaat schuiven. De vraag is niet alleen of AI kunst kan maken, maar ook hoeveel ruimte er nog overblijft voor de menselijke ervaring wanneer die ervaring voortdurend wordt gefilterd door algoritmisch geproduceerde representaties.

Daarmee kom ik op een laatste punt. De Jong beschrijft terecht hoe culturele instituties vaak de rebellie van gisteren bewieroken en de rebellie van morgen wantrouwen. Dat mechanisme bestaat. Maar niet iedere vorm van weerstand is daarom reactionair. Soms is scepsis ook een vorm van verantwoordelijkheid.Toen de fotografie verscheen, werd niet alleen de kunst veranderd, maar ook onze verhouding tot de waarheid. Toen sociale media verschenen, werden niet alleen communicatiemiddelen democratischer, maar ontstonden ook nieuwe vormen van manipulatie en verslaving. Technologie bevrijdt zelden zonder tegelijkertijd nieuwe afhankelijkheden te creëren.

Daarom geloof ik niet dat de discussie over AI kan geheel worden teruggebracht tot een herhaling van eerdere vormen van cultuurstrijd. Er zijn overeenkomsten, maar er zijn ook wezenlijke verschillen. Wie AI uitsluitend ziet als de fotografie van de eenentwintigste eeuw, onderschat haar reikwijdte. Wie haar uitsluitend ziet als een bedreiging voor de menselijke creativiteit, onderschat haar mogelijkheden. Misschien bevinden we ons op een moment waarop beide inzichten tegelijk waar zijn. AI opent nieuwe artistieke ruimtes die enkele jaren geleden nog ondenkbaar waren. Tegelijkertijd confronteert zij ons met fundamentele vragen over auteurschap, betekenis, authenticiteit en de esthetische ervaring.

In die zin ben ik het eens met de kern van De Jongs betoog. De geschiedenis waarschuwt ons voor de reflex om iedere nieuwe technologie onmiddellijk als verval te beschouwen. De critici van vandaag zouden er goed aan doen zich te herinneren hoe vaak dergelijke voorspellingen er in het verleden naast zaten. Maar de geschiedenis waarschuwt ons ook voor iets anders: voor het geloof dat technische vooruitgang vanzelf culturele vooruitgang zou betekenen. Dat is minstens zo’n hardnekkige illusie. De toekomst van AI zal niet worden bepaald door de technologie alleen, maar door de manier waarop wij haar gebruiken en uiteindelijk zullen begrijpen.

Waarschijnlijk zal het dan niet meer gaan om de vraag of machines al of niet creatief kunnen zijn, maar wat wij in de toekomst nog onder creativiteit gaan verstaan. In de spiegel van de machine zullen we wellicht veel van onszelf gaan ontdekken. Meer misschien wel dan ons lief is.