In het Historisch Centrum Leeuwarden is van van eind mei tot eind oktober een tentoonstelling te zien met als titel: Nooit gebouwd Leeuwarden. Daar zal een ‘haedstêd’ worden getoond die er nooit kwam – een stad van maquettes, schetsen, vergeten ambities en vervlogen dromen. Het zal een tentoonstelling worden die niet alleen terugkijkt, maar ook de verbeelding activeert: wat als al die plannen wél waren uitgevoerd? Hoe anders zou Leeuwarden zich dan vandaag aan ons voordoen?
Maar wie deze vraag serieus neemt, stuit al snel op een verwant domein dat wellicht nog meer tot de verbeelding spreekt: dat van de nooit gerealiseerde kunstwerken in de Friese openbare ruimte. Ook op dat terrein bestaan tal van ideeën die het niet hebben gehaald. Geen gebouwen, maar beelden, installaties, ingrepen in het landschap, vaak vluchtiger van aard, maar niet minder ambitieus. Juist omdat kunst minder gebonden is aan functionaliteit, kan zij radicaler zijn in haar verbeelding. En misschien ook om die reden strandt zij ook vaker.
Opmerkelijk genoeg blijkt dat archief in Friesland betrekkelijk klein. Dat was althans de conclusie van een werkgroep in 2011 – met o.a.Saskia Bak en de kunstenaar Walter Baas – die nooit uitgevoerde plannen wilde inventariseren. De vraag was eenvoudig: hoeveel belangrijke kunstwerken zijn er ooit in Friesland zijn bedacht, maar nooit gerealiseerd. De lijst die we samenstelden, hoe interessant ook, bleef overzichtelijk. Een boek of tentoonstelling van enige omvang zat er niet in.
Maar die teleurstelling bracht ons ook tot een inzicht. Want de vraag verschoof ongemerkt: niet alleen wat er niet is gerealiseerd, maar ook waarom dat zo weinig is. Is Friesland minder vatbaar voor grootse ideeën? Is de ruimte hier paradoxaal genoeg minder beschikbaar voor de radicale verbeelding dan je zou denken? Of wordt dat soort ideeën hier sneller teruggebracht tot wat haalbaar is? Wat de lijst vooral liet zien, was dat achter elk niet gerealiseerd kunstwerk een verhaal schuilt – en dat die verhalen samen een verrassend scherp tijdsbeeld opleveren.
Een van de vroegste plannen dateert uit 1916, toen Theo van Doesburg samen met Jan Wils een fontein ontwierp voor het Stationsplein in Leeuwarden. Het was een moment waarop de avant-garde zich voorzichtig begon te manifesteren in Nederland. Dat juist dit ontwerp niet werd uitgevoerd, is veelzeggend. Het modernisme was nog geen gemeengoed, zeker niet in de provincie. Friesland bleef, ook in cultureel opzicht, een gebied waar vernieuwing met enige reserve werd ontvangen.
In de decennia daarna kun je zien hoe de aard van de niet-gerealiseerde kunstwerken verandert. In de jaren zestig en zeventig, onder invloed van conceptuele kunst en land art, ontstaan plannen die het landschap zelf als medium nemen. Soms zijn die ideeën visionair, soms ronduit utopisch. Zo stelde Lex Wechelaar zich in 1970 voor dat de Waddenzee tijdelijk zou worden afgesloten met ijsblokken van de Noordpool – een plan dat balanceerde op de grens van kunst, techniek en fantasie. Het was een voorstel dat niet zozeer bedoeld leek om uitgevoerd te worden, maar om een denkruimte te openen: wat is ¨überhaupt mogelijk?
In diezelfde geest bedacht Hans Koetsier in 1979 een uitkijktoren ergens in Friesland, van waaruit een volledig onbezoedelde horizon zichtbaar zou zijn. Het idee is tegelijk eenvoudig en geladen. Het suggereert dat er nog plekken bestaan waar de horizon niet is aangetast – maar ook dat die plekken zeldzaam worden. Friesland verschijnt hier als laatste toevlucht van een verdwijnend landschap.
Andere plannen zijn speelser, maar niet minder intrigerend. Fritz Rahmann stelde zich in de jaren zeventig een gigantisch spinnenweb voor, gespannen tussen de torens van Bolsward. Het zou een ironische bekroning worden van dit dromerige stadje. Het beeld was even absurd als poëtisch: een kwetsbare structuur op monumentale schaal, zichtbaar en onzichtbaar tegelijk. Het had de stad in één klap een surrealistisch accent gegeven.
Soms schuurt de verbeelding tegen de provocatie. Het eindexamen-ontwerp uit 1979 van Antonia Talamini voor een bronzen urinoir in de vorm van een bronzen penis is daar een voorbeeld van. Het was een idee dat de grenzen van het publieke fatsoen opzocht – en daarmee ook de vraag stelde wat in de openbare ruimte wel en niet getoond mag worden. Dat het nooit werd uitgevoerd, is niet verrassend. Maar juist in die afwijzing wordt zichtbaar waar de grenzen liggen.
In andere gevallen was de ambitie minder expliciet provocerend, maar des te ingrijpender. Het plan van John Körmeling voor het Potmarge-gebied in Leeuwarden uit 1993 was simpel en tegelijk ook verrassend. Körmeling dacht niet in afzonderlijke kunstwerken langs de route, maar in een totaalconcept waarin infrastructuur, landschap en kunst samenvielen. Hij stelde voor de waterloop te verdubbelen, de verkeerscirculatie te herzien en een tijdelijke werkacademie op te richten, waar naast architecten en kunstenaars, ook “huisvrouwen, striptekenaars, bejaarden en gelovigen” aan de slag konden.
Onder leiding van een gastdocent zou in deze werkacademie geoefend moeten worden in het kijken, denken en ontwerpen. Niet alleen kunst zou het resultaat moeten zijn, maar ook alles wat niet als zodanig herkenbaar is, zoals huizen, bomen, lantaarnpalen, treinen, boten en bruggen. Het was een plan dat ironische wijze de grenzen tussen kunst en samenleving geheel wilde opheffen. Wellicht om die reden was het onhaalbaar.
Wat in veel van deze projecten terugkeert, is een spanning tussen verbeelding en bestuurlijke realiteit. Kunst in de openbare ruimte is nooit alleen een kwestie van artistieke kwaliteit. Zij raakt aan politiek, financiën, publieke opinie en beheer. Hoe radicaler het voorstel, hoe groter de kans dat het strandt. Dat geldt ook voor plannen waarbij internationale kunstenaars betrokken waren. Zo werd – op voorstel van Julius Wijffels – in de jaren tachtig overwogen om Hermann Nitsch naar Leeuwarden te halen voor een project in het kader van een manifestatie rond de stad Wenen, dat bedacht was door Jeroen Buve. Nitsch, bekend om zijn rituele en vaak bloederige performances, zou ongetwijfeld op weerstand zijn gestuit.
Eveneens waren er ontwerpen in 1989 van beroemde kunstenaars als Per Kirkeby en Luc Deleu voor het Noorderleegh. Het feit dat zulke namen opduiken in Friese plannen, maar zelden tot uitvoering komen, zegt iets over de ambitie om aan te haken bij internationale ontwikkelingen – en tegelijk over de moeite om die ambitie ook waar kunnen te maken. Leeuwarden 2018 was ook in dat opzicht een godswonder.
Naast deze grotere gebaren zijn er ook kleinere, meer poëtische voorstellen. Het ontwerp van Gert Jan Slagter in 1990 voor het woord ‘Fin’ in neonlicht langs de dijk bij Harlingen is daar een mooi voorbeeld van. Alleen zichtbaar bij zonsondergang, vanaf een bankje – een kunstwerk dat bijna zu oplossen in zijn eigen context. Het had een romantische markering kunnen worden van het einde van de dag, het einde van het land, misschien zelfs het einde van een lovestory. Zelf heb ik ooit zo’n liefdesgeschiedenis in Harlingen zien eindigen. Ik had toen graag op dat bankje nog eens weggekeken naar de aftiteling in de zee.
In de jaren negentig en daarna verschoof de aandacht deels naar monumentale kunst, verbonden met geschiedenis en identiteit. Er zijn plannen voor monumenten voor figuren als Vredeman de Vries en gebeurtenissen als Kneppelfreed. Zo ontwierp Ids Willemsma in 1991 een gigantische geboortelepel leunend tegen het Gerechtsgebouw ter ere van 50 jaar Kneppelfreed. Ook hier bleek hoe moeilijk het is om consensus te bereiken: welk beeld is passend, welke vorm spreekt iedereen aan?
Soms wordt de grens tussen werkelijkheid en fictie zelf het onderwerp. Het voorstel van Sjaak Langenberg in 2006 voor twee imaginaire dorpen aan de de rand van Leeuwarden, met als namen : Dittum en Dattum haakte op op de eigenaardige naamsuitgang van de bestaande dorpsnamen rond deze stad. En in 2007 bedacht Hans van Houwelingen een idee voor het Oldehoofster Kerkhof. Na de bouw van de parkeergarage zou het plein geheel uit het lood worden geplaatst, zodat de Oldehove ogenschijnlijk weer recht kwam te staan. Een briljant idee, maar wellicht daarom onhaalbaar. Ook de verbeelding van opdrachtgevers kent zijn grenzen.
Toen wij in 2011 onze lijst samenstelden, ontstond ook het idee om deze ‘spookkunst’ zichtbaar te maken. Niet in een boek – daarvoor leek het materiaal te schaars – maar in een spannender vorm. Een bustocht langs de plekken waar deze kunstwerken hadden kunnen staan, zou de verbeelding van de de busreizigers geprikkeld moeten hebben. Iets zien wat er niet is, kan soms spannender zijn dan zien wat er gekomen is. Maar ook dat plan is nooit gerealiseerd.
Toch schuilt juist daarin de essentie. Niet gerealiseerde kunstwerken zijn geen mislukte projecten. Zij vormen een noodzakelijk tegenwicht tegen wat er wél is. In hun onvoltooidheid bewaren zij een vrijheid die gerealiseerde kunst vaak verliest.
Dat is mogelijk ook de belangrijkste les van de tentoonstelling Nooit gebouwd Nederland die het HCL nu voorbereidt. Dat de werkelijkheid niet vastligt, maar het resultaat is van van soms onnavolgbare keuzes en afwegingen, en niet te vergeten: toeval. Wellicht ligt ergens, in een lade of een archief, nog een hemelbestormend ontwerp te wachten. Een idee dat ooit te vroeg was, maar nu, in een andere tijd, alsnog uitgevoerd zou kunnen worden. De kunst die er nooit kwam, is daarmee nog niet verdwenen. Zij bestaat nog altijd als mogelijkheid die de verbeelding in petto heeft. En dat is in laatste instantie de meest duurzame vorm van kunst die er is. Je kunt altijd nog dagdromen. In New York… maar zeker ook in Friesland.
