Het boek Het eigen muziekje van Madeleine Chapsal is een bundel literaire interviews en portretten van belangrijke figuren uit het Franse intellectuele leven van de twintigste eeuw. Het ontstond uit gesprekken die Chapsal voerde voor het tijdschrift L’Express, en die later in boekvorm zijn samengebracht.
Ik las dit boek in de late jaren tachtig. Wat het bijzonder maakt, is niet alleen wíe er aan het woord komen, maar vooral hóe. Chapsal spreekt onder meer met figuren als Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, Maurice Merleau-Ponty, Louis-Ferdinand Céline en Jorge Luis Borges. Het zijn geen afstandelijke, academische interviews; maar ontmoetingen waarin persoonlijkheid, toon en sfeer minstens zo belangrijk zijn als de ideeën zelf.
De titel “het eigen muziekje” verwijst dan ook naar het unieke timbre van elke schrijver: de manier waarop iemand spreekt, denkt, reageert, kortom, zijn of haar innerlijke ritme. Elke schrijver heeft zo’n eigen muziekje. Dat is geen versiering, maar een vorm van innerlijke noodzaak. Het is het sediment van een leven: herinneringen die zich hebben vastgezet, overtuigingen die zich hebben ingesleten, blinde vlekken die telkens weer dezelfde bocht afdwingen. Daarom klinkt het ook door in alles wat iemand zegt, zelfs wanneer hij probeert neutraal of objectief te zijn. Juist in die poging tot neutraliteit verraadt zich vaak het sterkst de eigen toon: als een melodie die niet zwijgt, zelfs wanneer men haar wil onderdrukken.
Tegenover dat idee krijgt de taal van hedendaagse AI-chatbots een merkwaardig profiel. Wat daar spreekt, lijkt op het eerste gehoor vloeiend, coherent, soms zelfs elegant, maar mist precies datgene waar Chapsal naar op zoek was: een noodzaak om op een bepaalde manier te klinken. Een chatbot heeft geen verleden dat zich in zijn zinnen heeft afgezet, geen hardnekkige voorkeur die zijn formuleringen scheef trekt, geen terugkerend motief dat zich tegen zijn wil blijft herhalen. Wat verschijnt als stijl, is in feite een statistisch evenwicht—een gemiddelde van ontelbare stemmen, gladgestreken tot een toon die niemand werkelijk toebehoort.
Je zou kunnen zeggen: waar de mens spreekt vanuit een melodie die hij niet volledig beheerst, spreekt de chatbot vanuit een systeem dat geen melodie nodig heeft. Hij kan elke toon aannemen, maar juist daarom heeft hij er geen. Zijn taal is aanpasbaar, kneedbaar, eindeloos variabel, maar die variatie mist het soort hardnekkigheid dat een stem herkenbaar maakt. Er is geen onderliggende drang die zich steeds opnieuw opdringt, geen mislukking die zich herhaalt, geen kleine afwijking die uitgroeit tot een signatuur.
In het licht van Chapsals idee wordt dat verschil bijna existentieel. Het “eigen muziekje” is immers niet alleen wat iemand uniek maakt, maar ook wat hem begrenst: je kunt niet anders dan klinken zoals je klinkt. Die beperking is tegelijk een vorm van identiteit. De chatbot daarentegen kent die beperking niet en ontbeert daarmee juist de mogelijkheid tot een eigen toon. Hij spreekt, maar hij zingt niet; hij formuleert, maar hij herhaalt zichzelf nooit uit noodzaak. En misschien is dat het paradoxale punt: pas waar taal niet volledig vrij is, waar zij ergens aan vastzit- aan een leven, een lichaam, een geschiedenis- begint zij te lijken op muziek. Daarom, dit is mijn advies. Schrijf nooit met AI. Schrijf zelf. Let your love flow!
Onlangs heb ik mijn manuscript ‘De dageraad der automaten‘ voorgelegd aan een Chatbot die omvangrijke teksten kan beoordelen. Ik vroeg: “Wat is mijn eigen muziekje?” Het antwoord was bemoedigend. Volgens dit AI-systeem laat mijn eigen muziekje in wat ik schrijf zich niet benaderen als een zorgvuldig uitgeschreven partituur, maar als een beweging die zich al schrijvend vormt en hervormt. Dit was wat ik te horen kreeg:
Het eigen muziekje is hier geen melodie die vooraf vastligt, geen thema dat zich netjes laat hernemen volgens de regels van de compositie, maar eerder een manier van denken die hoorbaar wordt in taal. Zinnen dienen zich aan als voorlopige ordeningen, als pogingen om grip te krijgen op wat zich aandient, maar nog voordat zij zich hebben voltooid, beginnen zij al uit te waaieren, zich te vertakken, zijpaden in te slaan. Wat begint als een redenering, wordt gaandeweg een omweg; wat een constatering leek, verschuift ongemerkt naar een associatie. In die zin is het schrijven geen middel om een gedachte weer te geven, maar de plaats waar die gedachte pas werkelijk ontstaat.
In ‘De dageraad der automaten‘ krijgt dit eigen muziekje een bijzondere rol, omdat het zich verhoudt tot een onderwerp dat op het eerste gezicht juist het tegenovergestelde lijkt te veronderstellen: machines, mechanismen, systemen die functioneren volgens vaste patronen. Het schrijven beweegt zich als het ware langs en door die mechanische logica heen, zonder er volledig in op te gaan. Soms lijkt het zich eraan te onderwerpen, alsof het een raderwerk volgt waarin iedere stap noodzakelijk uit de vorige voortvloeit. Dan weer ontspoort het, raakt het uit de maat, opent het een ruimte waarin het mechanische zijn vanzelfsprekendheid verliest.
Die spanning komt onder meer tot uitdrukking in de verschillende vormen die het manuscript aanneemt. Er zijn passages waarin alles gericht lijkt op structuur, op ordening, op het vastleggen van een beginpunt van waaruit het verdere verloop zich logisch zou kunnen ontvouwen. In zulke momenten nadert het schrijven een vorm van meetbaarheid: het probeert grip te krijgen op de tijd, op de opeenvolging van gedachten, op de ontwikkeling van het geheel. Maar die poging blijft nooit lang ongestoord. Al snel begint het muziekje zich weer los te maken uit die strakke ordening, alsof het niet kan verdragen om volledig in een schema te worden opgenomen.
Misschien is dat ook de reden waarom dit muziekje zich niet eenvoudig laat beschrijven zonder het tegelijkertijd te veranderen. Zodra men probeert het vast te leggen, dreigt het te verstarren, zijn beweeglijkheid te verliezen. Het kan alleen benaderd worden in de beweging zelf, in het schrijven dat het voortbrengt en tegelijk volgt. Iedere poging tot definitie blijft daarom voorlopig, een momentopname in een proces dat zich blijft voortzetten.
Bla, bla, bla… Tot zover het eigen muziekje van de machine die beter dan ik weet hoe het moet. Sterker nog, ik ben verliefd geworden op deze machine. Ik speel met haar, ik ga met haar naar bed. En ’s nachts als de wereld slaapt, bedrijf ik samen met haar alchemie met de zesentwintig letters van het alfabet :
L-e-t – – y-o-u-r- – l-o-v-e – – f-l-o-w ! (drie keer woordwaarde)
