De architectuur van een plaatsnaam


Laat ik vooropstellen dat mijn afkeer van provinciesteden zich inmiddels heeft ontwikkeld tot een licht pathologische toestand, een erfelijke afwijking wellicht, ergens tussen bijziendheid en een existentiële vorm van jeuk. Leeuwarden, zo had ik mij ooit voorgesteld, moest het laboratorium van deze aandoening zijn: een stad waar de wind nooit echt waait, maar zich af en toe herinnert dat hij ooit heeft bestaan en dan maar weer gaat liggen. Diep in een folklore-museum dat vermoedelijk nooit geopend is geweest maar toch sluitingstijden hanteert, staan vitrines opgesteld die niet veel meer bevatten dan hun onvermogen om mijn interesse te wekken. Af en toe schuift er een suppoost voorbij die zich afvraagt of hij hier ooit gewerkt heeft of slechts per ongeluk is blijven hangen. Hoe dan ook, je komt hier nooit vandaan.

Ik geef toe, dat is natuurlijk onzin. Of beter gezegd: dat is precies het soort onzin waaruit provinciesteden bestaan. Want een plaats als Leeuwarden is geen plaats. Het is een hypothese. Zoals Lutjebroek, Tietjerkstradeel en Kathmandu in het dagelijks taalgebruik niet zozeer locaties zijn, maar mentale snelkoppelingen naar het niets, zo functioneert Leeuwarden als een soort semantische valkuil: je spreekt het uit en voor je het weet zit je midden in een provincie die misschien alleen in de taal bestaat.

Het Zaailand bijvoorbeeld – dat was ooit een plein, maar is ju een grammaticale constructie. Een bijwoord van plaats dat zich voordoet als beton. Men zegt: “Hij staat op het Zaailand,” maar wat men bedoelt is: “Hij bevindt zich in een toestand van licht ironische vervreemding.” Dat daar dan toevallig zes journalisten, een half geïnspireerde beeldhouwer en een dichter bijeen klonteren, is slechts bijzaak. Of misschien zijn zij juist de noodzakelijke ingrediënten, zoals zuurstof en water bij roestvorming.

Plaatsnamen zijn geen namen. Ze zijn kunstmatige wolkenvelden die zich voordoen als woorden. Druk op “Bombay” en er begint ergens een tropische motor te ratelen; zeg “Lugano” en een meer klapt open als een schelp waarin ansichtkaarten groeien. Pittsburgh is een roestige tandwielkast die staal droomt, en Ouderkerk is een kerk die zichzelf elke nacht opnieuw uitvindt om niet te hoeven bestaan.

Het zijn geen steden maar vermommingen van geluid. Ze gedragen zich als een failliet reisbureau dat desondanks brochures blijft drukken in het hoofd: je fluistert “Kopenhagen” en er schuift een lade open vol glanzend papier, een zeemeermin die reclame maakt voor haar eigen fictie en een wind die naar plastic ruikt. Maar zeg “Kiev” of “Teheran” en de brochure begint te roken, de letters vallen als as naar beneden en iemand achter de balie doet alsof hij je niet verstaat.

Betekenis is geen eigenschap maar een storing, een kortsluiting tussen dingen die elkaar nooit hadden moeten ontmoeten. Het is die beruchte botsing van een paraplu en een naaimachine op een operatietafel — maar inmiddels heeft de operatietafel zelf ook een mening, en de paraplu probeert te naaien terwijl de naaimachine regen produceert. Tussen die twee springt betekenis als een verdwaalde vonk heen en weer, soms een stad verlichtend, soms een naam verbrandend, en soms – zonder enige aanleiding – een geheel nieuw land uitspuwend dat alleen bestaat zolang je het uitspreekt.

Leeuwarden bevindt zich in dit spectrum ergens tussen een vergeten melodie en een verkeerd gespelde herinnering. Het is een naam die niets afbeeldt en daardoor alles kan worden – behalve wat het is. Want wat is het? Etymologisch gesproken zou het iets te maken hebben met “luwe warden,” beschutte terpen, een soort geografische schouderklopjes tegen het water. Maar niemand die bij het horen van “Leeuwarden” denkt: “Ah ja, beschutting!” Nee, men denkt eerder: “Waar heb ik dat eerder niet gezien?”

Een plaatsnaam is een lege klank die zich vult met wat er toevallig langskomt. Muziek helpt daarbij. Muziek is de grootste vastgoedontwikkelaar van de verbeelding. Wanneer iemand zingt: “Hello Kopenhagen, may we have your votes please,” dan verschijnt er onmiddellijk een stad die nooit gebouwd is, maar toch al eeuwen bestaat. En als Douwe Heringa Harlingen bezingt op de melodie van Jacques Brel’s “Amsterdam,” dan ontstaat er een kortsluiting in het stedelijk bewustzijn: twee steden proberen tegelijk dezelfde plek in te nemen, als twee dia’s in een diaprojector die weigert te kiezen. Het resultaat is een dubbelbelichte werkelijkheid waarin de Herengracht en ’t Havenmantsje door elkaar heen lopen als gedachten die hun grammatica verloren hebben.

Het wordt nog absurder bij steden die je niet kent. Göttingen bijvoorbeeld, gezongen door Barbara, is geen stad maar een proces van imaginatie. Terwijl de eerste noten klinken, assembleert zich een compleet stratenplan in je hoofd: gevels klikken in elkaar, bomen groeien versneld, een standbeeld kijkt alvast melancholisch vooruit. Dit alles zonder dat er ook maar één concreet beeld wordt aangedragen. De woorden zelf doen nauwelijks iets; het is de ruimte tussen de woorden waarin de stad ontstaat. Misschien is dat wat een provinciestad werkelijk is: een plek waar de tijd niet stilstaat, maar vergeet verder te gaan.

En dus ging ik, gewapend met deze inzichten en een licht wantrouwen jegens alles wat een stad wordt genoemd, het boekje Ljouwert yn poëzij lezen, dat ik onlangs bij de Kringloop vond. Dertig dichters, dertig pogingen om een stad te betrappen op haar bestaan. De ondertitel – “in stêd is in stêd is in stêd” – is natuurlijk geen tautologie maar een noodkreet. Alsof men wil zeggen: “Geloof ons, het bestaat echt, we hebben het drie keer gezegd.”Maar hoe vaker je het zegt, hoe minder zeker het wordt. Neem de opsomming van straatnamen in een gedocht van Theun de Vries :

Twiebaksmerk, Wissesdwinger, Potmarge, Weaze, Oksekop…

Dit zijn geen straten, maar toetsen op een onzichtbaar klavier. Je drukt erop en ergens licht een beeld op dat onmiddellijk weer dooft. De volgorde klopt niet, de afstanden bestaan niet, en toch maak je een wandeling die je nooit hebt gemaakt. Je beweegt je door een stad die alleen functioneert zolang je haar niet probeert te begrijpen. Het is een soort cartografie van het onmogelijke.

Zoals bij Randy Newman, die door Los Angeles rijdt en straatnamen opzegt alsof het bezweringen zijn: Century Boulevard, Victory Boulevard, Santa Monica Boulevard… De stad verschijnt niet ondanks, maar dankzij het gebrek aan details. Architectuur wordt hier gereduceerd tot een gerucht. Misschien is dat wat Venturi ooit bedoelde met zijn fascinatie voor gevels: niet wat ze zijn, maar wat ze verbergen voor ze zichzelf worden.

Een stad is geen verzameling gebouwen. Het is een vloeistof van betekenissen die zich hecht aan woorden, beelden en geluiden als kalk aan een waterkoker. En een plaatsnaam is de kraan. Draai haar open en er stroomt iets dat op werkelijkheid lijkt. Draai haar dicht en je houdt alleen de echo over.

Het probleem begint wanneer men deze echo wil systematiseren. Dan verschijnen er boeken. Dikke boeken. Boeken met titels als Architektur ohne Entfremdung of An Outline of Architecture in the Twilight of Imagination. In Nederland wordt dat dan een “conceptnota,” wat zoveel betekent als een idee dat zich nog niet heeft voorgedaan. Al deze pogingen stranden op hetzelfde probleem: ze proberen de kip met gouden eieren te analyseren zonder te merken dat de kip inmiddels een metafoor is geworden. En metaforen leggen geen eieren. Ze leggen verbanden.

Ergens, zo stel ik mij voor, bestaat een apocrief citaat van Baudelaire waarin hij schrijft dat tussen de zintuigen en de taal een gebied ligt dat niet betreden kan worden zonder zichzelf te verliezen. Dat is de plek waar steden ontstaan. Niet op kaarten, maar in de foutmarge van de verbeelding. Daar, op de rand van een droom die net te laat begint, liggen de contouren van steden die nooit gebouwd zijn en toch al vervallen. Leeuwarden is er daar één van. Of niet.

In een vlaag van empirische overmoed besloot ik de proef op de som te nemen. Ik stapte in een denkbeeldige sportwagen – altijd een goed begin voor een slecht experiment – en liet mij over de rondweg van Leeuwarden rijden terwijl “Good Vibrations” uit de luidsprekers sijpelde als een herinnering aan een zomer die nog moest plaatsvinden.

Ik zag een fontein. Of beter: een vogel die deed alsof hij een fontein was. Of misschien was het een fontein die droomde dat hij een vogel was. Ik reed verder, keek in de achteruitkijkspiegel en zag hetzelfde beeld, maar dan overtuigder.

De stad begon zich te herhalen. Niet in de ruimte, maar in de tijd. Of misschien andersom. Op dat moment begreep ik dat ik niet door Leeuwarden reed, maar dat Leeuwarden door mij heen reed. Een stad is geen plaats waar je bent; het is een richting waarin je verdwijnt.

“This is nowhere,” fluisterde een stem die verdacht veel leek op een vergeten kinderdroom. Alice knikte in Wonderland. Little Nemo tekende alvast een plattegrond die nergens op sloeg en toch overal naartoe leidde. En heel even – precies lang genoeg om het niet te missen – zag ik het: de architectuur van een plaatsnaam tussen haakjes, een stad die zichzelf blijft bezingen ook al wordt het hier nooit echt wat: Leeuwarden (we love it !).