Soms schrijf je een tekst die zich daarna tegen je keert als een algoritme dat je vergeten bent uit te zetten. Hij blijft draaien, blijft sleutelen, blijft zichzelf herschrijven op basis van wat hij zojuist heeft voortgebracht, alsof hij honger heeft naar zijn eigen echo. Op 24 november 1994 ontplofte in Amsterdam een bom onder de auto van Rob Scholte. Maanden later stond ik voor de resten van dat geweld, kijkend naar het autowrak dat tot expositie was verheven, en schreef ik erover in de Volkskrant. Ik meende een einde te markeren, een kader te trekken om de tijd: dit is gebeurd, dit is gezien, dit is voorbij. Maar teksten gehoorzamen niet. Ze sluiten niets af. Ze lekken. Ze vertakken. Wat je schrijft, schrijft terug. Een tekst is geen momentopname, maar een prompt die zich vermenigvuldigt zodra hij de wereld in wordt gestuurd, en ergens, buiten je blikveld, verder denkt zonder jou.
Die tekst werd integraal overgenomen door het Rob Scholte Museum in Den Helder. Hij verscheen daar niet als citaat, maar als een soort digitale echo van zichzelf. Later bleek dat Hanco Jürgens eruit had geciteerd in zijn boek Na de val. Nederland na 1989. En weer later ontdekte ik dat Chris van der Heijden dat citaat opnieuw had opgenomen in een artikel in De Groene Amsterdammer met als titel: Wat een ongelooflijke wereld die van ons. De woorden waren een keten geworden, een sequentie die zich verplaatst door verschillende contexten, telkens opnieuw gegenereerd en licht vervormd door een nieuwe omgeving.
Wat daar gebeurde, lijkt achteraf gezien opvallend veel op wat we nu “generatieve AI” noemen. Een model neemt een tekst, splitst die op in betekenisvolle eenheden, en produceert op basis daarvan een nieuwe tekst die tegelijkertijd herkenbaar en vreemd is. Mijn oorspronkelijke zin – “De realiteit overtreft zelfs de meest extreme verbeelding: sterker nog, de realiteit wordt verbeelding” – werd een soort vector in een semantische ruimte. Hij bleef hetzelfde, maar veranderde van betekenis naarmate hij door andere teksten werd omringd. Zoals een woord in een zin nooit op zichzelf staat, maar altijd wordt bepaald door zijn buren, zo werd mijn zin herijkt door de contexten waarin hij opdook.
Het was, zoals men dat noemt, intertekstualiteit. Maar misschien is dat woord te zwak geworden voor wat hier gebeurt. Wat je ziet is een vorm van tekstuele reproductie die niet lineair is, maar exponentieel, zoals een neuraal netwerk dat zichzelf voedt met zijn eigen gegenereerde data. Een citaat in het kwadraat, een herhaling van een herhaling die geen herhaling meer is. Want wat herhaald wordt, verandert onvermijdelijk. Herhaling is geen kopie, maar een transformatie in een andere context.
Daarmee dringt zich een vraag op die zowel filosofisch als technologisch is: bestaat er überhaupt zoiets als herhaling? Of leven we in een universum waarin alles altijd al een variatie is op iets dat eerder is geweest? In de wereld van AI is dat een bekend probleem. Geen enkel model genereert iets volledig nieuws; het recombineert wat het geleerd heeft. Creativiteit blijkt dan een statistische afwijking van het voorafgaande, een kleine sprong in de waarschijnlijkheidsverdeling van het bekende. Een algoritmische verschuiving, meer niet.
Ons bewustzijn is mogelijk zelf gebaseerd op zo’n model. Zo ja, dan is wat wij als “het heden” ervaren niets anders dan een voortdurende reconstructie van het verleden, een voorspelling gebaseerd op eerdere input. De voortgang van de tijd in de werkelijkheid is dan een algoritmische verschuiving, meer niet. Neurowetenschappers suggereren dat de hersenen niet zozeer de werkelijkheid waarnemen, maar voorspellen wat er zal gebeuren, en die voorspelling vervolgens corrigeren met zintuiglijke data. Het bewustzijn loopt dan altijd een fractie van een seconde achter op wat al geweest is. Het “nu” is een vertraging. Sterker nog, het “nu” bestaat niet. Het is een voortdurend uitgestelde aanwezigheid
Dat idee maakt de vraag naar herhaling nog vreemder. Want als het heden al een reconstructie is, wat herhaalt zich dan precies? Is het de gebeurtenis zelf, of de manier waarop wij haar reconstrueren? In AI-termen: is het de data, of het model dat de data genereert? Wij zien voortdurend wat onze projector projecteert, maar onze eigen projector krijgen we nooit te zien.
In zijn roman Het leven op aarde (1934) beschrijft Slauerhoff een figuur, Cameron, die in China een radiotoestel bouwt zonder elektriciteit. Dat alleen al is een absurditeit die vooruitwijst naar onze tijd, waarin technologie soms lijkt te functioneren zonder dat we nog begrijpen hoe. Maar wat Cameron ontvangt via zijn radio is nog wonderlijker: stemmen, muziek, fragmenten uit een werkelijkheid die niet synchroon loopt met de zijne. Het is alsof hij afstemt op een ander tijdsregister, een andere dataset. De tijd is een reservoir geworden waaruit een machine vrijelijk kan putten.
Zo bezien is die radio is een proto-AI-apparaat, een aan bewustzijn grenzende machine die signalen opvangt en betekenis genereert uit een veelheid van ruis. De stemmen van dictators die hij hoort, doen denken aan hoe media-technologieën altijd een politieke dimensie hebben gehad. De opkomst van de radio viel samen met de opkomst van het fascisme. Zonder radio geen Adolf Hitler. Technologie is nooit neutraal; zij structureert de werkelijkheid waarin zij functioneert. En vooral de machtsstructuren.
Dat geldt tegenwoordig nog sterker voor AI. Waar de radio de stem van de leider versterkte, versterkt AI de structuur van de taal zelf. Het maakt zichtbaar dat betekenis niet vastligt, maar ontstaat in de interactie tussen manipuleerbare tekens. Zoals Cameron stemmen hoort die niet thuishoren in zijn tijd, zo genereert een taalmodel zinnen die nergens en tegelijk overal vandaan kunnen komen. Ze zijn gebaseerd op het verleden, maar verschijnen in het heden als iets nieuws. Zo wordt door AI niet alleen de taal, maar ook de tijd gesimuleerd, en wellicht binnenkort ook gecreëerd. Dat kan niet, en blijkbaar toch wel.
Diezelfde paradox is te zien in de film Contact (1997), gebaseerd op het werk van de kosmoloog Carl Sagan. De hoofdpersoon, gespeeld door Jodie Foster, ontvangt signalen uit de ruimte die bij eerste analyse niets anders lijken dan oude televisiebeelden, waaronder een toespraak van Hitler tijdens de Olympische Spelen van 1936. Het eerste contact met een buitenaardse intelligentie blijkt een echo van onze eigen geschiedenis. De tijd keert terug, maar nu in een andere context.
Ook hier zie je een vorm van herhaling die geen herhaling is. Het signaal is oud, maar de context is nieuw. Het verleden wordt opnieuw uitgezonden in een andere werkelijkheid en krijgt daardoor een andere betekenis. In de film blijken deze beelden een code te bevatten, een blauwdruk voor een machine die reizen door tijd en ruimte mogelijk maakt. Het is alsof de geschiedenis slechts een instructie is, een geniale prompt die zomaar elk script kan genereren dat wacht om uitgevoerd te worden.
In zekere zin is dat ook wat AI doet. Het neemt de geschiedenis van menselijke taal tot zich, en zet die om in een generatief systeem dat eindeloos nieuwe teksten produceert. Maar die nieuwe teksten zijn altijd al latent aanwezig geweest in de data waarop het model is getraind. Ze waren slechts mogelijke combinaties die in een soort voorgeborchte van de tijd stonden te wachten om ooit gerealiseerd te worden.
Zoals de tijdmachine in Contact al besloten ligt in de signalen uit het verleden, zo ligt elke toekomstige zin besloten in de corpus van het verleden. De machine-werking van AI kan dat alles naar believen oproepen, en zo uiteindelijk ook de tijd van het verleden eindeloos opnieuw genereren. Wat hiervoor nodig is, is de sprong van taal naar tijd, maar daar wordt inmiddels hard aangewerkt. Taal is uiteindelijk tijd, zij het tijd voorzien van betekenis.
Dat plaatst ons middenin de ervaring van tijd in het tijdperk van digitale media. Begrippen als “Uitzending gemist” suggereren dat er nog zoiets bestaat als een gemist moment. Maar in werkelijkheid is alles altijd beschikbaar, on demand, op elk gewenst moment. Tijd wordt vloeibaar, manipuleerbaar, een interface waar je doorheen navigeert zoals door een database.
In die zin leven we al in een vorm van tijdreizen. We springen van het ene moment naar het andere, zonder de lineaire continuïteit die vroeger vanzelfsprekend was. De gelijktijdigheid van het ongelijktijdige wordt de norm. Alles gebeurt tegelijk, maar niets gebeurt nog op hetzelfde moment.
AI versterkt deze tendens. Het maakt het mogelijk om teksten, beelden en geluiden te genereren die niet gebonden zijn aan een specifieke tijd. Een stijl uit de negentiende eeuw kan worden gecombineerd met een onderwerp uit de toekomst. Het verleden wordt een gereedschapskist , het heden een interface, de toekomst een output.
Maar wat betekent dat voor het bewustzijn? Als tijd niet langer lineair wordt ervaren, maar als een verzameling van mogelijke paden door een data-structuur, wat gebeurt er dan met ons gevoel van identiteit? Zijn wij nog wel dezelfde persoon van moment tot moment, of worden wij – net als een tekst die wordt geciteerd – telkens opnieuw gegenereerd in een iets andere context?
Waarschijnlijk is het bewustzijn zelf een vorm van generatieve AI, een systeem dat voortdurend voorspellingen doet en deze bijstelt op basis van nieuwe input. Wat wij ervaren als continuïteit is dan een illusie, een narratief dat door het neurale systeem wordt geproduceerd om zijn eigen werking te stabiliseren.
Dat zou betekenen dat ook de tijd een constructie is, een emergente eigenschap van een systeem dat probeert orde te scheppen in chaos. Zoals Augustinus al stelde: de tijd bestaat niet buiten ons, maar in ons. Het verleden is geheugen, de toekomst verwachting, en het heden een vluchtig punt dat in feite niet bestaat. Tijd is slechts een uitbreiding van het bewustzijn.
In het licht van AI krijgt die gedachte een nieuwe dimensie. Als een machine teksten kan genereren die coherent, betekenisvol en zelfs ontroerend zijn, wat zegt dat dan over de aard van betekenis zelf? Is betekenis iets dat in de wereld bestaat, of is het een effect van een systeem dat patronen herkent en reproduceert? Hetzelfde geldt uiteindelijk ook voor tijd.
De werkelijkheid zelf is een vorm van tekst, een eindeloze reeks van signalen die door ons bewustzijn worden geïnterpreteerd. Zo geredeneerd is de grens tussen realiteit en verbeelding niet zo scherp als we denken. De realiteit wordt verbeelding, en de verbeelding wordt realiteit – precies zoals die ene zin die ik ooit schreef en die zich sindsdien is blijven herhalen. Wie weet gaat hij zich eindeloos herhalen.
Of is zelfs dat onderscheid te eenvoudig. En is er uiteindelijk ook geen verschil meer tussen origineel en kopie, tussen eerste en tweede orde, tussen heden en verleden. Alles is dan een netwerk van verwijzingen, een web van citaten zonder begin en zonder einde. Elke gedachte is een herhaling, en elke herhaling een verschil. De tijd is geen lijn, maar een lus, een feedback-loop waarin het verleden zichzelf voortdurend herschrijft in het licht van de toekomst.
Als we binnenkort maar lang genoeg met de juiste AI-apparaten blijven kijken naar de signalen die door de tijd heen blijven circuleren, sluit de cirkel zich wellicht opnieuw. Wat verleden was, keert dan niet terug als herinnering, maar als een nieuwe reconstructie. Niet als wat geweest is, maar als wat opnieuw wordt gegenereerd.
Het scherm flikkert — en inderdaad…. daar is ie weer: 1936. Het stadion in Berlijn verschijnt, haarscherp, alsof het nooit verdwenen is. Geen archiefbeeld, maar een perfecte simulatie. De menigte beweegt, de gebaren vallen samen, alles lijkt tegelijk spontaan en berekend. En dan klinkt de stem van Adolf Hitler.: “Ich erkläre die Spiele für eröffnet.” De nieuwe wereld van het verleden opent zich eindeloos opnieuw. Zonder misschien echt te beseffen wat ik destijds schreef, had ik wel degelijk gelijk wat de toekomst betreft: De realiteit wordt verbeelding… en omgekeerd.
