De oncontroleerbare auteur

Onlangs heeft de NRC een nieuwe richtlijn opgesteld voor het gebruik van AI bij ingezonden stukken. In feite komt die richtlijn neer op een impliciet verbod, of op zijn minst een poging tot sterke inperking. Dat riep bij mij meteen een praktische vraag op: hoe denkt men dit ooit te kunnen controleren? Afgezien van het opsporen van feitelijke onjuistheden – iets wat altijd al tot de journalistieke basiscontrole behoorde – lijkt het me buitengewoon lastig om vast te stellen of een tekst geheel of ten dele door AI is gegenereerd. Zeker wanneer het gaat om vorm en schrijfstijl, begeef je je op glad ijs.

In eerste instantie wordt vaak gewezen op stijl- en taalanalyse als mogelijke oplossing. AI-gegenereerde teksten zouden herkenbare patronen vertonen: een zekere gladheid, voorspelbare structuren, misschien zelfs een overmatige consistentie in toon en woordkeuze. In theorie zou je met software zulke kenmerken kunnen opsporen. Maar zodra je daar iets langer over nadenkt, valt dat argument eigenlijk al uiteen. Want wie enigszins handig is met taal – en zeker iemand die een stuk naar een krant stuurt- kan die stilistische sporen vrij eenvoudig wegpoetsen. Een paar ingrepen, wat variatie in zinslengte, een onverwachte formulering hier en daar, en de tekst onttrekt zich moeiteloos aan elk algoritmisch wantrouwen.

Een andere route die wordt genoemd, is die van plagiaat-detectie. Omdat AI-systemen zijn getraind op bestaande teksten, zou je kunnen nagaan of bepaalde passages overeenkomen met eerder gepubliceerde bronnen. Maar ook dat lijkt mij een wankel criterium. Goede AI-gegenereerde tekst is zelden letterlijk overgenomen; ze is eerder een hercombinatie, een statistische echo zonder origineel ankerpunt. Het resultaat is juist vaak uniek in zijn formulering, hoe imitatief de onderliggende patronen ook mogen zijn.

Ook plagiaat-detectie mist hier dus zijn doel. En trouwens, in de kunstgeschiedenis is het een bekend gegeven dat de grootste genieën ook geniaal waren in het imiteren van anderen. Als je pikt, doe het dan goed, zodat niemand het merkt en maak er wat nieuws van.

Dan blijft er nog een derde mogelijkheid over: controle op auteurschap. Je zou inzenders kunnen vragen hun werkwijze toe te lichten, of zelfs om hun schrijfproces inzichtelijk te maken. Maar ook dat veronderstelt een mate van transparantie en eerlijkheid die zich moeilijk laat afdwingen. Uiteindelijk komt het neer op vertrouwen, en misschien is dat wel precies waar het probleem zich concentreert.

Want als technische controlemechanismen tekortschieten, verschuift de aandacht al snel naar normatieve oplossingen. Transparantie als moreel kompas: de lezer moet zelf kunnen beoordelen in hoeverre een tekst authentiek is, of in ieder geval: menselijk. Maar ook dat roept vragen op. Wat betekent “gebruik van AI” eigenlijk nog nu die technologie zo diep verweven raakt met het schrijfproces? Is een herschreven alinea al verdacht? Een gegenereerde suggestie? Een enkele zin?

Een verwante gedachte is het labelen van AI-gegenereerde inhoud, alsof het een ingrediënt betreft dat op de verpakking moet worden vermeld. Dat klinkt overzichtelijk, maar veronderstelt opnieuw dat er een duidelijke grens bestaat tussen menselijke en machinale tekstproductie. Die grens is in de praktijk allang poreus geworden. Sterker nog, ze lijkt steeds minder relevant te worden naarmate de samenwerking tussen mens en machine intensiever en subtieler wordt.

Voor mij persoonlijk ligt de waarde van AI ook niet in het klakkeloos laten genereren van teksten, maar juist in het herschrijven, het verschuiven van perspectief, of het doen openen van onverwachte denkrichtingen. AI fungeert dan niet als auteur, maar als een soort denkpartner : een instrument dat variaties aandraagt, mogelijkheden verkent, en soms een gedachte net even anders laat kantelen. Dat gebruik laat zich moeilijk vangen in regels of labels, omdat het zich afspeelt in de marge van het schrijven zelf.

De kern van de zaak is dan ook niet zozeer de vraag óf AI wordt gebruikt, maar hoe. En die vraag laat zich niet beantwoorden met detectie-software of richtlijnen alleen. Ze raakt aan een fundamenteler probleem: wat verstaan we nog onder auteurschap, originaliteit en verantwoordelijkheid in een tijdperk waarin taal steeds vaker tot stand komt in interactie met systemen die zelf geen intentie hebben, maar wel een verbluffend vermogen tot imitatie?

De poging van een krant om daar grip op te krijgen is begrijpelijk, misschien zelfs noodzakelijk. Maar tegelijkertijd vermoed ik dat elke poging tot sluitende controle gedoemd is te mislukken. Niet omdat mensen per se willen frauderen, maar omdat de technologie zich nu eenmaal sneller ontwikkelt dan de regels die haar moeten beteugelen. Wat resteert, is een grijs gebied waarin vertrouwen, transparantie en interpretatie voortdurend opnieuw moeten worden uitgevonden.

Deze ontwikkeling is ongemakkelijk, en volgens sommigen zelfs bedreigend, maar onzekerheid vormt van oudsher de motor voor het zoeken naar nieuwe betekenissen omdat zij het denken in beweging houdt. Schrijven wordt zo minder een poging om als uniek individu greep te krijgen op de wereld, en meer een manier om zich eraan bloot te stellen – om te zien wat zich aandient wanneer een nog onbekend creatief vermogen de ruimte krijgt, en tegelijk voortdurend kritisch wordt geëvalueerd.

Dan kan een situatie ontstaan waarin het brein in  de zogeheten ‘vrijstand’ komt, een mentale toestand die volgens Dick Swaab het meest typisch is voor de mens, en waarin serendipiteuze ontdekkingen zomaar kunnen ontstaan – al is het in dit geval uit de onvoorspelbare interactie van mens en machine.  

Kortom: ook fakin’it is wel degelijk makin’it. Al dachten Simon en Garfunkel daar anders over.