Een dichter ben ik nooit geworden, al heb ik rond mijn twintigste levensjaar met enige toewijding een reeks gedichten op papier gezet. De melancholie van de adolescentie vormt nu eenmaal een vruchtbare voedingsbodem voor poëtische ontboezemingen: de gevoelens zijn intenser, de gedachten krijgen sneller een dramatische lading, en de wereld lijkt zich bij uitstek te lenen voor grote woorden en kleine openbaringen.
Toch moet ik bekennen dat, wanneer ik die vroege probeersels nu herlees, de maatstaf voor kwaliteit beter niet al te streng gehanteerd kan worden. Wat destijds als diepzinnig en noodzakelijk werd ervaren, blijkt achteraf vaak meer te getuigen van een wankelmodedige gemoedstoestand dan van een strenge vormbeheersing.
Bij het opruimen van wat oude spullen, stuite ik onlangs op een schoenendoos waarin zich nog enkele van die jeugdige ontboezemingen bevonden. Tussen losse papieren, halfvergane schriftjes en vergeten aantekeningen lag daar plotseling een gedicht dat onmiskenbaar uit die periode moest stammen, vermoedelijk geschreven ergens aan het einde van de jaren zestig.
Het was alsof ik een stem terug hoorde die mij tegelijk vertrouwd en vreemd voorkwam: de echo van een jongere versie van mezelf, zoekend naar woorden voor wat zich toen nog nauwelijks liet benoemen.
.

