
Bovenstaande beeldcollage die AI genereerde uit twee foto’s van mijn Rome-reis in 1966 confronteert mij met een ervaring die ik lange tijd als vanzelfsprekend heb beschouwd, maar die zich nu langzaam begint te onttrekken aan haar oude betekenis. Een foto kon mij ooit doen verdrinken in de tijd. Niet alleen achteraf, bij het bekijken van een vergeelde afdruk, maar al op het moment dat het beeld ontstond. Ik herinner me hoe ik als jongen in een donkere kamer stond, het vel papier zag drijven in de ontwikkel-vloeistof en langzaam een gezicht tevoorschijn zag komen dat ik herkende. Het leek alsof het licht zelf een geheim prijsgaf, alsof een herinnering zich vastzette in materie. En toch wist ik tegelijkertijd: wat ik zag, keek mij niet werkelijk aan. Het was een afdruk, een schaduw die zich had losgemaakt van zijn oorsprong.
Die dubbelheid heb ik altijd als wezenlijk ervaren. Een foto was nooit simpelweg een afbeelding van wat er geweest was, maar een vreemde vermenging van aanwezigheid en afwezigheid. Je zag iemand, en juist daardoor werd voelbaar dat diegene er niet meer was — of in ieder geval niet meer op die manier, niet meer in dat moment. De foto was een memento mori – zoals Roland Barthes het ooit noemde – maar ook een vorm van troost: een stilstaand bewijs dat iets zich ooit werkelijk had voorgedaan, dat licht een lichaam had geraakt en daarvan een spoor had achtergelaten.
Wat mij toen ontging, maar zich nu steeds nadrukkelijker opdringt, is dat mijn vertrouwen in die relatie — tussen beeld en oorsprong, tussen spoor en werkelijkheid — altijd al een vorm van geloof was. Ik geloofde dat het beeld ergens vandaan kwam. Dat er een moment was geweest waarin het licht zich had verzameld, dat er een wereld was geweest die zich had laten vastleggen. Zelfs wanneer ik mij bewust was van de illusie, bleef dat onderliggende vertrouwen intact. De foto mocht een schim zijn, maar het was een schim met een herkomst. Die zekerheid begint te verdwijnen.
Wanneer ik nu naar diezelfde beelden kijk, vooral wanneer ze bewerkt of geanimeerd worden door AI, verschuift er iets fundamenteels. Wat ooit een stilgezet moment was, kan opnieuw in beweging worden gebracht. Ogen knipperen, monden bewegen, een lichte draai van het hoofd suggereert een voortzetting van wat ooit abrupt werd afgebroken. Op het eerste gezicht lijkt dat een vorm van herstel, alsof de tijd zelf zich laat heropenen. Maar die indruk houdt geen stand. De beweging die ik zie, is geen voortzetting van het verleden, maar een toevoeging van het heden. Wat zich aandient, is geen terugkeer, maar een constructie.
Dat besef snijdt dieper dan ik had verwacht. Want wat hier op het spel staat, is niet alleen de betrouwbaarheid van het beeld, maar de mogelijkheid om nog te geloven in een “als”. Ik geloofde ooit: dit beeld is alsof het moment zelf nog bestaat. Alsof de tijd zich hier heeft vastgezet. Alsof wat geweest is, in zekere zin nog aanwezig kan zijn. Maar dat “alsof” verliest zijn draagkracht wanneer het beeld niet langer afhankelijk is van wat geweest is. Wanneer het even goed had kunnen ontstaan zonder dat er ooit een moment aan voorafging.
De foto verliest daarmee haar status als getuige. Zij wordt een voorstel, een mogelijkheid, een variant in een veld van waarschijnlijkheden. Wat ik zie, is niet langer gebonden aan een specifieke gebeurtenis, maar aan een berekening van wat plausibel is. En daarmee verandert ook mijn positie als kijker. Ik ben niet langer iemand die terugkijkt naar iets wat zich heeft voltrokken, maar iemand die kijkt naar iets wat zich had kunnen voordoen — of misschien zelfs nooit heeft voorgedaan.
Dat maakt de ervaring niet minder intens, maar wel anders van aard. De ontroering blijft, soms zelfs sterker dan voorheen. Maar zij heeft geen anker meer. Zij zweeft. Waar ik vroeger geraakt werd door de gedachte dat dit moment voorgoed voorbij was, word ik nu geraakt door de gedachte dat het misschien nooit heeft bestaan zoals ik het zie. De melancholie verschuift van verlies naar onzekerheid.
In dat verschuiven verliest ook de tijd haar vertrouwde richting. Een foto was ooit een stilstaand punt in een stroom die onherroepelijk voortging. Zij verwees naar een vóór en een ná, naar een verleden dat afgesloten was en een toekomst die zich daarvan verwijderde. Maar wanneer het beeld zelf manipuleerbaar wordt, wanneer het moment kan worden verlengd, herhaald, vervormd, verliest dat punt zijn ‘gefixeerdheid’ in de tijd. Het wordt een knooppunt in een netwerk van mogelijke variaties. De tijd wordt geen lijn meer, maar een lus.
En in die lus wordt het steeds moeilijker om nog te spreken in termen van “alsof”. Alsof dit het moment was. Alsof dit werkelijk gebeurd is. Alsof dit gezicht mij aankijkt vanuit een verleden dat ooit het heden was. Dat soort zinnen veronderstellen een onderscheid tussen wat is en wat lijkt, tussen werkelijkheid en representatie. Maar juist dat onderscheid begint te vervagen.
Wat zich aandient, is een wereld waarin beelden niet langer verwijzen naar een oorsprong buiten zichzelf, maar naar andere beelden. Waarin taal niet langer de expressie is van een innerlijk, maar een circulatie van patronen die elkaar oproepen en versterken. Ook in het schrijven merk ik dat. Zinnen ontstaan, sluiten op elkaar aan, suggereren een samenhang die ik herken — maar die herkenning is zelf al een effect van eerdere vormen, eerdere formuleringen, eerdere sporen. Het “ik” dat spreekt, lijkt steeds meer op een echo van wat al gezegd is.
Daarmee wordt ook mijn eigen positie instabiel. Wie is het die kijkt, die schrijft, die herkent? Als de beelden die mij raken niet langer gebonden zijn aan een oorsprong, en de woorden die ik gebruik voortkomen uit een veld van herhalingen, waar bevindt zich dan nog het punt van waaruit ik kan zeggen: dit is alsof, dit verwijst naar iets wat daarbuiten ligt?
Dat is dan ook precies wat wegvalt: de mogelijkheid om nog te geloven in een buiten. In een werkelijkheid die voorafgaat aan het beeld en die door het beeld wordt gerepresenteerd. In een verleden dat zich laat oproepen als een stabiel referentiepunt. In een “als” dat een brug slaat tussen wat er is en wat er lijkt te zijn.
Ik geloof niet langer in als. Niet omdat de illusie verdwenen is — integendeel, zij is krachtiger dan ooit — maar omdat zij geen tegenhanger meer heeft. Er is niets meer waartegen zij zich afzet. Het beeld is niet langer alsof iets anders; het is wat het is: een verschijning zonder verplichting tot verwijzing. Een configuratie die mij aankijkt zonder dat ik nog kan zeggen waarvandaan.
En toch blijf ik kijken. Zoals ik blijf schrijven, blijven lezen, blijven zoeken naar betekenis in wat zich aandient. Misschien ligt daarin een rest van wat ooit geloof was: niet het vertrouwen dat beelden of woorden ergens naar verwijzen, maar de hardnekkige neiging om in dat verwijzen te blijven denken, zelfs wanneer de grond ervoor verdwenen is.
Wat overblijft, is een soort openheid. Geen zekerheid, geen anker, maar een voortdurende confrontatie met het verschijnen zelf. Iets toont zich, verdwijnt, keert terug in een andere vorm. En in dat proces, dat zich onttrekt aan elke vaste oorsprong, bevindt zich nog altijd dat moment van stilstand — een kort haperen in de stroom, waarin iets zichtbaar wordt juist omdat het niet samenvalt met wat eraan voorafging of erop volgt.
Dat is het enige wat dan nog rest: niet het geloof in een “als”, maar de ervaring van een onderbreking. Een ogenblik waarin het beeld, de taal, de herinnering zich losmaken van hun vermeende grond en eenvoudigweg verschijnen. Zonder garantie, zonder oorsprong, zonder belofte van terugkeer.
En misschien is dat, hoe ongemakkelijk ook, een eerlijker verhouding tot wat ons omringt. Geen wereld die wij kunnen vasthouden door haar te herleiden tot wat zij ooit was, maar een veld van verschijningen waarin wij zelf slechts tijdelijk meebewegen. Niet langer als getuigen van een verleden dat zich laat oproepen, maar als deelnemers aan een proces dat geen begin en geen einde kent.
Ik geloof niet langer in als – en juist daardoor wordt zichtbaar hoezeer dat geloof mij altijd heeft vastgehouden in een vermeende werkelijkheid. Als ‘als’ niet langer bestaat, bestaat de werkelijkheid waarin ik geloof ook niet meer. Niets is vanzelfsprekend wat het is. Alles is als. Ook als alles is wat is.