Hoe kan een mens blijven verlangen naar God, verlossing, vervulling of iets wat slechts vaag als ‘oneindige liefde’ wordt aangeduid, wanneer hij tegelijk heeft aanvaard dat God dood is? Dat is de kern van wat Albert Camus “het absurde” noemde: de botsing tussen een onuitroeibaar verlangen naar eenheid en de onverschillige stilte van het universum. Het absurde is geen theorie, maar een onhoudbare spanning. Het is de kloof tussen honger en afwezigheid van brood, tussen vraag en uitblijvend antwoord. Wie God doodverklaart, schaft niet alleen een Opperwezen af, maar ook de mogelijkheid van transcendentie als laatste grond onder de werkelijkheid. Maar wat wordt er precies ontkend wanneer men zegt dat transcendentie niet bestaat?
Transcendentie kan worden opgevat als een hogere werkelijkheid, een sfeer boven of buiten de natuur, een metafysische dimensie die de zichtbare wereld draagt of doordringt. Zij kan ook worden begrepen als iets dat niet buiten, maar in de werkelijkheid zelf besloten ligt: een structuur die onze ervaring van ruimte, tijd en causaliteit van binnenuit ordent. In dat geval is het transcendente geen aparte wereld, maar de onzichtbare architectuur van deze wereld, gegrift in het brein en daarmee in de natuur zelf. En dan is er nog de gedachte van een transcendente immanentie: het idee dat het goddelijke niet losstaat van de geschiedenis, maar zich daarin ontvouwt, zoals bij Georg Wilhelm Friedrich Hegel de Geest zich in de tijd verwerkelijkt. Zodra men dus spreekt over het verdwijnen van transcendentie, moet men eerst vaststellen welke gedaante daarvan men precies ontkent: een bovennatuurlijke macht, een innerlijke ordening, of een historische dynamiek die zin suggereert.
Deze vragen zijn voor mij nooit louter academisch geweest. Ze raakten aan een existentiële ervaring die teruggaat tot een zomer in het midden van de jaren zestig, toen ik als jongen met mijn ouders door Spanje reisde in een kleine auto die ons door stoffige landschappen en langs witte dorpen voerde. In Toledo, die stad op de rots boven de Taag, waar de geschiedenis als een opeenstapeling van beschavingen tegen de heuvels is geplakt, kocht ik een zwaard. Het was een toeristisch object, een stalen symbool van een mythisch verleden, maar voor mij kreeg het al snel een andere lading. Op campings las ik De mens in opstand, waarin Camus de metafysische opstand van de mens tegen God en wereld analyseert. Ik las over koningsmoordenaars, over nihilisten die de poorten van de hel wilden openen, over ‘zonen van Kaïn’ die hun opstand tegen de schepping tot een daad van terreur maakten.
Voor het eerst drong het tot mij door dat verzet tegen God kon omslaan in verzet tegen de wereld zelf. Dat de ontkenning van een hogere zin niet automatisch leidt tot nuchtere berusting, maar ook kan uitmonden in een explosieve wil tot vernietiging. De figuur van de Markies de Sade doemde op als iemand die de schepping zelf wilde tarten, de sterren uit hun banen rukken, het universum reduceren tot stof. In die radicale ontkenning van elke orde school een duistere fascinatie: als God afwezig is, dan kan de mens zich tot God van de vernietiging uitroepen.
Jaren later, toen ik terugkeek op de aanloop naar mijn eigen psychotische ontsporing, zag ik hoe dicht het verlangen naar het absolute en de neiging tot destructie bij elkaar kunnen liggen. In een pre-psychotische fase kan het bewustzijn zich samentrekken tot een brandpunt waarin alles betekenis krijgt. Toeval bestaat niet meer. Elk detail verwijst naar een verborgen samenhang. Wat in het dagelijks leven diffuus en meerduidig is, wordt plotseling glashelder. Die helderheid kan extatisch zijn. Zij kan aanvoelen als een openbaring, als een doorbraak van het absolute in de tijd. Maar zij kan ook gevaarlijk worden wanneer zij zich verhardt tot een exclusieve waarheid die geen tegenspraak duldt.
In die periode ervoer ik momenten waarop ik meende een grens te hebben overschreden, alsof ik door een simpele handeling een andere wereld had betreden. Ik voelde me tegelijk dood en levend, losgemaakt van mijn omgeving en toch intenser aanwezig dan ooit. Het zwaard uit Toledo, dat ik soms met mij meedroeg, werd een symbool van een innerlijke strijd die ik zelf nauwelijks begreep. Ik liep door de stad in een roes van betekenis, terwijl de mensen om mij heen niets bijzonders leken te zien. De kloof tussen innerlijke apocalyps en uiterlijke banaliteit was immens.
Wanneer ik later kennisnam van gewelddaden die in naam van een religie of ideologie werden gepleegd, drong zich onvermijdelijk de vergelijking op tussen ideologisch gemotiveerd geweld en geweld dat voortkomt uit een psychotische ontsporing. De ene dader beroept zich op een collectief verhaal, een heilige tekst, een gemeenschap van gelovigen; de andere lijkt opgesloten in een solipsistisch universum waarin hijzelf de enige getuige is van een vermeende openbaring. Toch is er een raakvlak: in beide gevallen kan sprake zijn van een absolutering van betekenis. De wereld wordt herleid tot één interpretatie, één vijand, één opdracht.
Dat roept de vraag op wat er in psychisch opzicht gebeurt wanneer een mens plotseling zijn geestelijk evenwicht verliest en tegelijk een explosie van inzicht ervaart. Binnen het dominante medische paradigma wordt zo’n toestand primair als pathologie begrepen: een ontregeling van neurotransmitters, een verstoring van cognitieve schema’s. Maar daarmee is niet alles gezegd. De ervaring zelf kan gepaard gaan met een intens gevoel van waarheid, van contact met de grond van het bestaan. De theoloog Paul Tillich sprak over ‘de moed om te zijn’ en over de dieptedimensie van het bestaan die zich soms abrupt kan aandienen. De vraag is of de hedendaagse psychiatrie voldoende oog heeft voor die existentiële dimensie, zonder daarom de gevaren te bagatelliseren.
Hier raakt dit betoog aan de driehoek die mij al enige tijd bezighoudt: de psychose, de machinemens en kunstmatige intelligentie. In een psychose kan het bewustzijn zich mechanisch gaan gedragen: associaties volgen elkaar met een dwingende logica, alsof een innerlijk algoritme op hol is geslagen. De wereld wordt gelezen als een code die ontcijferd moet worden. Tegelijk zien we in de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie hoe algoritmen patronen herkennen, betekenissen genereren, zelfs teksten produceren die op menselijke reflectie lijken. De machinemens is niet langer een metafoor, maar een reële mogelijkheid: een wezen dat betekenis simuleert zonder te verlangen, dat antwoorden produceert zonder existentiële honger.
En toch blijft dat verlangen bij de mens bestaan. Ook in een seculiere cultuur, waarin traditionele religieuze kaders zijn weggevallen, blijft de behoefte aan een transcendente thuishaven voor de ziel voelbaar. Misschien uit zij zich niet langer in kerkbezoek of dogmatische overtuigingen, maar in een hunkering naar intensiteit, naar gemeenschap, naar een verhaal dat groter is dan het individuele leven. Tegelijkertijd worden oude vormen van solidariteit afgebroken, terwijl nieuwe nog geen vaste vorm hebben aangenomen. Het individu wordt verheerlijkt, maar voelt zich steeds vaker ontworteld.
Is onze cultuur in een overgangsfase beland die vergelijkbaar is met eerdere breukmomenten in de geschiedenis, waarin oude goden stierven en nieuwe nog niet waren geboren? In zo’n vacuüm kan het heilige terugkeren in ontheiligde gedaanten: als fanatisme, als identitaire verkramping, als gewelddadige poging om een verloren eenheid te herstellen. Het kwaad manifesteert zich dan niet louter als verstandsverbijstering, maar soms juist als ijzige luciditeit: een consequente toepassing van een eenzijdige waarheid.
Voor mij persoonlijk betekent dit alles dat religie als institutionele werkelijkheid uit mijn leven is verdwenen, maar dat het verlangen naar transcendentie is gebleven. Dat verlangen is geen nostalgie naar een kinderlijk geloof, maar een open vraag. Het is de erkenning dat de mens meer is dan een biologisch systeem en tegelijk kwetsbaarder dan hij wil toegeven. In de psychose heb ik ervaren hoe dicht je het absolute kunt naderen – of hoezeer het absolute een projectie kan zijn van een ontregelde geest. In de opkomst van de machinemens zie ik nu hoe betekenis kan worden nagebootst zonder innerlijke noodzaak.
De toekomst van onze cultuur ligt wellicht in het leren onderscheiden van deze dimensies: het erkennen van de existentiële diepte-ervaring zonder haar onmiddellijk te pathologiseren, maar ook zonder haar te verheffen tot een onfeilbare openbaring. Tussen de tragische aanvaarding van het absurde en de blinde onderwerping aan een vermeend opperwezen gaapt een ruimte waarin de mens zijn vrijheid zal moeten beproeven. In die ruimte beweegt zich ook mijn dagelijks schrijven: zoekend naar nieuwe fundamenten voor een driehoek die niet rust op autoriteit of traditie, maar op het kritisch en soms pijnlijk doordenken van wat het betekent mens te zijn in een tijdperk van de denkende machines en mensen die hun existentiële houvast steeds meer dreigen te verliezen.
