Gisteren heb ik mijn manuscript De dageraad der automaten. Harry Mulisch en de machinemens voltooid en naar een uitgever gestuurd. Er zijn van die momenten waarop je na een lange tocht plotseling het gevoel hebt dat het licht anders valt. Alsof er, na maanden van herschrijven, schrappen, twijfelen en hernemen, eindelijk een aarzelende straal over het papier schuift. Little darling, it’s been a long, cold, lonely winter.
Het schrijven van dit boek had iets van een hardnekkige winter die maar niet wijken wilde. Ideeën vroegen om dooi, zinnen om ademruimte, gedachten om een nieuw begin. Soms leek het alsof de machinemens uit mijn eigen betoog zich tegen mij keerde: formules die vastliepen, redeneringen die bleven ronddraaien als een programma zonder einde. Maar juist in die cirkelgang tekende zich langzaam een dageraad af. De automaten begonnen te spreken, Mulisch’ geest waaide weer door de bladzijden, en tussen mens en machine brak een onverwachte lichtstraal door.
Nu is het manuscript onderweg. Losgelaten. Als een zon die opkomt zonder garantie op een heldere dag, maar met het vaste voornemen te schijnen. Laten we hopen dat deze lange, moeizame winter plaatsmaakt voor een voorjaar waarin het licht blijft hangen en de hemel openbreekt. Here comes the sun — niet triomfantelijk, maar voorzichtig, als een belofte.
Bij het inzenden moest ik een korte samenvatting meesturen. Die heb ik als volgt geformuleerd.
***
Dit boek onderzoekt de verborgen verwantschap tussen het schrijven, de opkomst van kunstmatige intelligentie en het fenomeen psychose. Vertrekkend vanuit het leven en werk van Harry Mulisch ontvouwt zich een visie waarin de psychose niet uitsluitend verschijnt als ziekte, maar als een ontregeling waarin taal zichzelf begint voort te brengen en het subject tijdelijk buitenspel raakt. Deze ervaring van ‘autocreatie’, waarin denken en schrijven in toenemende mate vanzelf lijken te gaan, wordt verbonden met de hedendaagse AI-systemen, waarin taal eveneens autonoom lijkt te functioneren, los van ervaring en innerlijkheid. In deze parallel tekent zich een cultuurbeeld af waarin de grens tussen mens en machine vervaagt en waarin een collectieve vorm van hyperwaanzin zichtbaar wordt: een technologische betovering die haar oorsprong heeft in de menselijke psyche zelf.
Het betoog ontvouwt zich langs een steeds terugkerende vergelijking tussen de psychotische ervaring en de figuur van de machinemens. Die vergelijking krijgt concreet gestalte in de biografische laag van Mulisch’ psychotische ervaringen rond 1950 en de verwerking daarvan in zijn vroege werk, waarin ontregeling, inzicht en creativiteit samenvallen. Tegelijk wordt deze existentiële laag verdiept door een esoterisch begrippenkader, waarin ideeën over ontwaken, mechanisch leven en innerlijke afwezigheid worden ingezet om zowel de psychose als de moderniteit te begrijpen. Daartegenover staat de technologische laag, waarin zichtbaar wordt hoe de bureaucratische machinemens van de twintigste eeuw overgaat in de algoritmische machinemens van nu, en hoe de techniek zich niet langer buiten de mens bevindt, maar in zijn innerlijk nestelt.
Centraal in het boek staat ‘het vanzelf gaan’: de ervaring van een taal die zich aandient als een stroom zonder duidelijke oorsprong, zowel in de waan als in het creatieve proces. Van daaruit verschijnt de figuur van de automaat, waarin oorlog, techniek en morele leegte samenkomen en waarin de ontzielde machine niet tegenover de mens staat, maar met hem samenvalt. Deze ontwikkeling leidt tot een beschouwing over tijd en taal, waarin zowel psychose als kunstmatige intelligentie de lineaire tijd opheffen en vervangen door een permanent heden, een hyperrealiteit zonder anker in ervaring of geschiedenis. In het slot opent het boek deze analyse naar de toekomst, waar alchemistische beelden en psychologische inzichten samenkomen in de vraag wat er van de mens overblijft wanneer hij zijn vermogens uitbesteedt aan zijn eigen creaties.
Door het hele boek heen verschijnt de stem van de AI niet als een extern hulpmiddel, maar als een immanente gesprekspartner die de spanning tussen mechanisering en ont-mechanisering belichaamt. Historische uitweidingen buigen telkens terug naar de kernvraag rond de machinemens en naar de figuur van Mulisch als exemplarisch knooppunt van waan, scheppingsdrift en modern bewustzijn. Dragende metaforen, zoals die van de Möbius-ring, maken de vervaging tussen binnen en buiten, mens en machine, waan en rede tastbaar en geven vorm aan een wereld waarin oorzaak en gevolg in elkaar terugkeren.
De alchemistische toon die het betoog kenmerkt is daarbij geen stilistische versiering, maar een inhoudelijk principe. De tekst beschrijft niet alleen een innerlijke transformatie, maar voltrekt die ook in de taal zelf. In de verzoening die het boek suggereert tussen de ratelende machinerie van de taal en het kwetsbare hart van de mens verschijnt geen sluitend antwoord, maar een ‘vruchtbare wond’: het inzicht dat menselijkheid juist schuilt in het falen en de onvoltooidheid, precies daar waar de machine noodzakelijk tekortschiet. Zo wordt dit boek niet alleen een analyse van Mulisch of van kunstmatige intelligentie, maar tegelijk ook een diagnose van de hyperwaanzin van onze tijd.
De titel van dit boek verwijst niet toevallig naar De dageraad der magiërs van Pauwels en Bergier. Zoals zij zochten naar een verzoening van wetenschap en irrationele krachten, zo tonen hedendaagse AI-systemen het grensgebied waar algoritme en inspiratie elkaar raken. Niet omdat machines werkelijk magisch zouden zijn, maar omdat zij zichtbaar maken dat ook het menselijke denken altijd al gedeeltelijk automatisch, gedeeltelijk ondoorzichtig en gedeeltelijk oncontroleerbaar was.
