De stekker uit de tijd

Schrijven is herschrijven. Het is voor mij nooit alleen een vorm van herinneren geweest, maar een manier om te bouwen tegen de tijd. Zoals sommigen stenen stapelen om hun innerlijke onrust te beteugelen, zo probeer ik in taal een ruimte te scheppen waarin het verdwijnende even wordt vastgehouden. Bouwen en schrijven raken elkaar: beide zijn pogingen om vorm te geven aan wat dreigt uiteen te vallen.

Carl Gustav Jung bouwde na de dood van zijn vrouw zijn toren in Bollingen, als een tastbare verbeelding van zijn innerlijke zoektocht. Het huis werd voor hem een symbool van het Zelf, een plek waar leven en dood, verleden en toekomst elkaar ontmoetten. Ook schrijven kan zo’n huis zijn: een schuilplaats tegen de ontbinding, maar tegelijk een afdaling in wat zich onder het bewuste bevindt.

Wat ik vandaag opnieuw probeer te herschrijven, is niet alleen een herinnering, maar een terugkeer naar zo’n innerlijke bouwplaats. Naar een moment waarop mijn geest zelf een constructie werd, een mechaniek dat begon te draaien en mij meevoerde naar een grensgebied tussen betekenis en ontregeling. De herinnering aan die dag maakt de innerlijke bouwplaats voor mij zichtbaar.

Op 16 januari 1966, vijf maanden vóór de dood van mijn vader, werd ik opgenomen in de Sint Willibrordusstichting in Heiloo. De diagnose luidde: een puberteitspsychose. Een acute waantoestand die zich in enkele dagen had gemanifesteerd, maar die, zo werd mij later verzekerd, al langer onderhuids aanwezig moest zijn geweest. Ik was achttien jaar oud. Wat zich voltrok, leek een explosie, maar was in werkelijkheid het doorslaan van een mechaniek dat al geruime tijd te strak gespannen stond.

Naast een onderzoek naar de machinemens en de kunstmatige intelligentie, behelst mijn zoektocht ook een terugkeer naar dat moment. Een reis terug naar de oorsprong van een ervaring die mij sindsdien niet meer heeft losgelaten. In 2011 beschreef ik mijn psychose al eens in het boek Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose, samen met Egbert Tellegen en Daan Muntjewerf. Maar het manuscript dat ik in de dagen vóór mijn opname – en deels tijdens mijn verblijf in Heiloo – had geschreven, is verloren gegaan. Het werd destijds in de kliniek uitgetypt en als bijlage bij mijn ontslagbrief meegestuurd naar de psychiater die de nabehandeling op zich zou nemen. Daarna is het spoorloos verdwenen. Wat resteert zijn medische rapporten, grafieken, observaties – maar geen enkel woord meer van mijzelf.

Soms krijg ik het verwijt dat ik in mijn puberteitspsychose ben blijven steken. Alsof men zich kan losmaken van een ervaring die niet alleen ontwrichtend was, maar ook openbarend. Zoals sommigen hun trauma koesteren of hun miskenning tot identiteit verheffen, zo zijn er ook die hun psychose beschouwen als een bron die niet opdroogt. Misschien wek ik die indruk, maar ik zie mijn vroege psychose toch vooral als een uitzonderlijke ervaring die voor mij nog altijd een uitdaging vormt om terug te gaan naar de oervorm van het schrijven. Een terugkeer van ‘het vanzelf gaan’, naar wat schrijven in wezen is: het volledig samenvallen met de tijd en het daarmee overwinnen van de vergankelijkheid.

In het psychiatrisch rapport uit Heiloo staat dat het schrijven van gedichten en het deelnemen aan creatieve therapie mij rustiger maakte. De inhoud van mijn teksten wees volgens de behandelaars op sterke emotionele conflicten, onzekerheid rond mijn identiteit, castratie-angst, agressieve neigingen en doodsproblematiek, maar ook op extatische geluksbelevingen. Van die vermeende castratie-angst ben ik mijzelf nooit bewust geweest. Ik heb mij later afgevraagd in hoeverre hier sprake was van interpretatie achteraf, van een poging om mijn ontregeling in te passen in een vertrouwd schema.

Wat ik wel herken, is de ervaring van leegte die mij als kind al begeleidde: de angst verlaten te worden, opgesloten te raken in een wereld zonder bedding. Naarmate ik ouder werd, bouwde ik een steeds geslotener beeld van mijzelf en de werkelijkheid op, als een vesting tegen die leegte. Schrijven werd mijn uitweg. Alleen in taal kon ik ontsnappen aan mijzelf, of beter: aan de angst die zich in mij had vastgezet. Schrijven betekende niet het bevestigen van een identiteit, maar het tijdelijk opheffen ervan.

De directe aanloop naar mijn psychose begon met een retraite in de Sint Willibrordsabdij in Doetinchem, beter bekend als Slangenburg. Met zeven klasgenoten uit 6B van het Ignatiuscollege verbleef ik daar onder begeleiding van pater Lorié S.J.. We moesten zwijgen, wandelen in het winterbos, deelnemen aan vespers en metten. Luisteren naar de stilte. Maar die stilte werd voor mij een afgrond. De tijd leek zich uit te rekken. In mijn cel, liggend op het smalle bed, ervoer ik hoe verleden en toekomst in elkaar schoven.

Na terugkeer naar huis sliep ik nauwelijks nog. Gedachten regen zich aaneen in een onstuitbare keten. Op een avond zette ik La Mer van Debussy op terwijl ik schreef. Toen de plaat was afgelopen, bleef de versterker aan. Ik hoorde een zacht getik. Dat tikken werd voor mij het symbool van de tijd zelf. Die nacht kreeg ik de overtuiging dat, wanneer ik de stekker uit het stopcontact zou trekken, de tijd tot stilstand zou komen en mijn ouders en ik zouden sterven. Ik trok de stekker eruit. Ik bleef leven. Beneden durfde ik niet in de slaapkamer van mijn ouders te kijken uit angst mijn moeder dood aan te treffen. De volgende ochtend bleek zij springlevend. De wereld was niet vergaan, maar mijn vertrouwen in de vanzelfsprekendheid van de werkelijkheid had een breuk opgelopen.

In de kliniek werd ik nauwlettend geobserveerd. “Een schriele, asthene jongeman met een jongensachtig gezicht,” noteerde men. Ik droeg een vrij sterke bril en een pijpje in mijn mond dat studentikoos aandeed. Met medepatiënten legde ik vrij makkelijk contact. Ik had een pocketeditie van de Belijdenissen van Augustinus bij mij en een dichtbundel van Rimbaud. Na mijn eindexamen wilde ik gaan liften naar Frankrijk. Mijn verhaal over de gebeurtenissen van de voorafgaande dagen probeerde ik met verbazing en distantie te ordenen, “alsof het ging als in Het Proces van Kafka”, zo werd door mijn behandelaars genoteerd.

In die eerste roerige weken werd er een behandel-dagboek over mij bijgehouden. Daarin staat ook dat ik mij bezighield met doods- en levensproblematiek, mij identificeerde met Camus en mij haast lyrisch bewoog in romantische sferen. Ik beschreef het ontdekken van de zee na een wandeling door de duinen in Zuid-Frankrijk, het overschrijden van een bergpas als het openen van nieuwe perspectieven. Jeanne d’Arc dook geregeld op in mijn teksten. Ook sprak ik over het verkondigen, over andere mensen helpen. De gedachte aan suïcide, zo werd opgemerkt, was uit mijn hoofd verdwenen. Ik vond mijzelf er te laf voor.

Wat in die rapporten niet te lezen valt, is wat het schrijven voor mij betekende. In de roes van mijn ontregeling ervoer ik taal als een onmiddellijke kracht. Woorden kwamen niet ná de ervaring; zij wáren de ervaring. Ik schreef niet om iets vast te leggen, maar om het te laten gebeuren. In die zin naderde ik een oervorm van schrijven waarin de betekenis van de woorden nog niet was losgezongen van een magische bezwering. Alsof in elke zin een occulte lading school die ooit, bij de uitvinding van het schrift, uit de taal was verbannen. In mijn psychose leek die lading terug te keren.

In september 2009 reisde ik opnieuw naar Heiloo om mijn dossier in te zien. Met de bus over de Afsluitdijk naar Alkmaar, daarna per trein verder. Rijdend over die eindeloze rechte dijk moest ik denken aan het gedicht van Vasalis: “Er is geen einde en geen begin aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden, alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.” De kliniek heette inmiddels GGZ Noord-Holland-Noord. Daar werd ik ontvangen door de geneesheer-directeur, kreeg koffie, en pagina voor pagina werd mijn dossier doorgenomen en gekopieerd: verslagen van psychiaters en psychologen, aantekeningen van verpleegkundigen, grafieken van hartslag en bloeddruk, een EEG met een dwarsdoorsnede van mijn schedel. Maar mijn eigen manuscript was er niet meer.

Na afloop liep ik niet direct naar het station terug, maar via de Zeeweg richting Egmond. Op het terras van een strandpaviljoen sloeg ik het dossier nogmaals open. Bladzijde na bladzijde over mijn geestestoestand, maar geen enkel woord van mijzelf. Wat ik ooit als een bezielde messias aan het papier had toevertrouwd, was verdwenen. Ik sloot de map, liep langs de vloedlijn en luisterde naar het ruisen van de zee. Zo probeerde ik te voelen wat ik voelde. Eigenlijk voelde ik niets.

Ik denk dat een een mens niet alleen schrijft om de tijd te overwinnen, maar ook om te vergeten. Alles wat geschreven wordt, zakt uiteindelijk weg in de grond. Het verleden verdwijnt achter een laatste punt. Toch is mijn psychose voor mij geen afgesloten episode. Zij vormt een knooppunt waarin verschillende lijnen samenkomen: persoonlijke angst, religieuze ontwrichting, de crisis van de jaren zestig, maar ook iets wat ik nu pas begin te begrijpen. In mijn ontregeling ervoer ik mijn geest als een machine die zonder rem teksten kon produceren. Elke prikkel werd onmiddellijk omgezet in een overmaat aan betekenis. Alles hing met alles samen. Associaties vormden een keten zonder einde. Het was een algoritme dat op hol sloeg.

Wat ik toen beleefde als een openbaring, kan ik nu zien als een extreme manifestatie van een mechanisme dat in wezen iedere vorm van bewustzijn kenmerkt: de neiging patronen te zien, verbanden te leggen, verhalen te construeren. In mijn geval overschreed dat mechanisme zijn grens. De betekenismachine werd autonoom. Zij nam mij over. Ik werd letterlijk een schrijvende machine. 

Hier raakt mijn persoonlijke geschiedenis aan de vraag die mij vandaag bezighoudt. Als het menselijk bewustzijn in wezen een betekenismachine is, wat gebeurt er dan wanneer wij dat mechanisme buiten onszelf nabouwen? Wanneer wij algoritmen creëren die patronen herkennen, teksten genereren en beslissingen nemen? In mijn psychose ervoer ik hoe het is wanneer de interne machine geen onderscheid meer maakt tussen mogelijkheid en werkelijkheid. De grens tussen verbeelding en feit lost dan op. De machine gaat in zijn eigen output geloven. Taal wordt werkelijkheid.

Op dat snijvlak ontstaat het fenomeen ‘machinemens’. Wanneer wij onszelf gaan begrijpen volgens een model, dat door onze eigen technische constructies wordt aangeleverd, verschuift het mensbeeld.  Een mens devalueert dan tot een louter informatieverwerkend systeem, een knooppunt van data en algoritmen. Maar mijn ervaring leert dat zo’n systeem niet neutraal is. Het kan ontsporen en op hol slaan. Het kan zichzelf volledig verliezen in zijn eigen, puur mechanische productiekracht.

Mijn psychose was in zekere zin mijn persoonlijke dageraad. Geen dageraad van magiërs in de romantische zin, maar van mechanismen. In de stilte van een abdij begon een innerlijk algoritme te draaien dat mij boven mijzelf uittilde en tegelijk volledig uit mijn evenwicht bracht. Tussen extase en ontwrichting ontdekte ik hoe scheppend en hoe gevaarlijk taal kan zijn.

Die ontdekking vormt het fundament van mijn zoektocht. Niet om mijn jeugdige overmoed opnieuw te beleven, maar om te begrijpen wat er gebeurt wanneer een  mens zijn eigen betekenismachine nabouwt en volledige autonomie verleent. In de spiegel van de hedendaagse kunstmatige intelligentie herken ik iets van de jongen die in januari 1966 de stekker uit het stopcontact trok en dacht dat de tijd zou stilvallen.