
Hoewel we menen dat we allerlei gedragingen van onszelf bewust zijn, gebeurt het meeste wat we doen onbewust. Ik kan naar huis fietsen zonder dat ik weet of ik wel voor stoplichten heb gestopt of niet. De vrije wil is een illusie die door de complexiteit van onze hersenen wordt gecreëerd. Alles waartoe we besluiten is in feite al binnen het brein besloten op een lager niveau van complexiteit. De bewustwording van dit besluit komt altijd achteraf, waarna de voorgeschiedenis van dit signaal meteen wordt gewist, zodat de illusie van autonoom gestuurd gedrag ontstaat.
Kortom, het bewustzijn is een verhaal dat achteraf verteld wordt en de vrije wil is een illusie. In feite is de illusie dat we een vrije wil hebben de prijs die we moesten betalen om een zelfbewustzijn te kunnen ontwikkelen. In werkelijkheid bestaat er niet zoiets als ‘subjectiviteit’. Er bestaat alleen maar ervaring. Hoewel we menen dat we allerlei gedragingen van onszelf bewust zijn, gebeurt het meeste wat we doen onbewust..
Met dit besef kan een mens echter niet leven, vandaar dat deze wetenschap – eenmaal bewust geworden – ook meteen weer in het onbewuste wordt weggestopt. Kortom, ook al menen we over een vrije wil te beschikken, we reageren automatisch op onze omgeving, voordat we het ons bewust worden. Dat is het schokkende nieuws dat de hedendaagse hersenwetenschap ons te melden heeft. Deze ontdekking is zo strijdig met het ‘gezonde verstand’ dat hij moeilijk te vatten, laat staat aanvaardbaar is. Het traditionele beeld van de mens als een autonoom en moreel handelend wezen komt hierdoor op losse schroeven te staan. Hoewel er nogal wat relativerende kanttekeningen te maken zijn, schijnt het recente hersenonderzoek dit vreemde fenomeen steeds meer te bevestigen.
Als ik de betogen van hedendaagse hersenwetenschappers als Blackmore, Swaab, Lamme, Damasio, Dennett of Wegner lees, dan krijg ik wel eens de indruk dat het huidige debat over de vrije wil en de onbewuste oorsprong van de gedachte bepaald wordt door ideologische en theologische vooroordelen aan beide zijden van de frontlijn. Swaab spreekt over het nieuwe ‘neurocalvinisme’, dat haaks staat op het maakbaarheidsdenken van de jaren zestig. Vanuit de optiek van hersenwetenschap lijkt de mens in zijn doen en laten volledig gepredestineerd door zijn hersenen, zijn aanleg, zijn genen en de omstandigheden van de baarmoeder waarin hij als embryo tot ontwikkeling kwam. Maar waar is dan nog zijn vrijheid?
Met deze problematiek worden we in feite teruggeworpen naar de tijd van de Reformatie. Blijft er zo nog wat over van de mens, als we niet eens meer weten of we in alle vrijheid kunnen willen wat we denken te willen. Wat is werkelijkheid dan nog en wat is illusie? Wat is waarheid en wat is geloof? Het probleem dat de hersenwetenschap ons stelt wordt nog nijpender als je het toepast op de optische waarneming. Het oog is een camera obscura, het netvlies is daarvan het projectieoppervlak.
Maar alles wat achter het netvlies zit – de neuronen en het brein – heeft niets meer met de objectieve waarneming te maken. In de natuur bestaat geen kleur. Het zijn onze zenuwen en hersenen die de waargenomen elektromagnetische frequenties van iets voorzien dat wij ‘kleur’ zijn gaan noemen. Alle zintuigen voorzien ons slechts van subjectieve representaties van de werkelijkheid, die overigens wel degelijk bestaat. Alleen zien wij niet hoe de werkelijkheid ‘werkelijk’ bestaat. Maar als we niet zien hoe hij ‘werkelijk’ bestaat, wat is dan nog ‘de werkelijkheid’?
Zo bezien is het fenomeen ‘waarneming’ meer dan wat de optica van Newton ons voorschrijft. Ons brein is nu eenmaal geen cerebraal fototoestel dat de werkelijkheid één op één registreert in beeltenissen die op de kop ergens achter in ons hoofd terechtkomen en vervolgens door een poppetje in de cockpit worden geïnterpreteerd en verwerkt in volzinnen. Er is meer de hand. Ons brein zelf neemt direct deel aan de waarneming. Sterker nog, de scherpe grens tussen binnen en buiten, die de optische metaforen van waarneming doen vermoeden, bestaat niet. In elke vorm van waarneming verandert de waarnemer. Zoals ook bij elke vorm van communicatie de afzender en de ontvanger veranderen. Ze zijn na afloop beiden niet meer dezelfde als voorheen.
Ook bij het ‘denken over het denken’ worden vaak optische metaforen gebruikt. Deze optische metaforen zijn echter hopeloos verouderd. Ze behoren bij het cartesiaanse wereldbeeld, waarbij het denken in wezen een vorm van weerspiegeling is. In elk denken echter, ook het mimetische denken, zit iets absoluut nieuws en onherhaalbaars, iets dat per definitie niet in een herhaalbaar experiment te vatten is. Sterker nog, zelfs in elke representatie schuilt het sublieme en onherhaalbare, als een onvervreemdbaar element van het hier en nu. Het nu gebeurt in het denken zelf.
Ik zal een voorbeeld noemen. Een simpel gedachte-experiment. Ik kan mezelf op mijn gezicht slaan, om daarmee aan te tonen, dat de werkelijkheid die ik waarneem ook echt bestaat, omdat ik ‘au’ roep als ik mezelf in het gezicht sla. Maar dat ‘ík’ dat ‘au’ roept en dat zichzelf bewust wordt als een ‘au-roepend ík’ kan ook een fantoom zijn van een brein dat onder narcose is of droomt. Of het kan een ‘ik’ zijn dat droomt, dat het droomt. Het kan zelfs een ‘ik’ zijn dat droomt, dat het een klap krijgt, terwijl het in werkelijkheid ook daadwerkelijk een klap krijgt, terwijl de klap de illusoire droom in beweging heeft gezet als een illusie die helemaal geen trouwe weerspiegeling van een ‘echte’ klap hoeft te zijn. Wie zegt dat ik niet droom, als ik een klap krijg, ook al geef ik mezelf een klap? Kortom, de werkelijkheid zou ook een lucide droom kunnen zijn.
Al deze redeneringen berusten uiteindelijk op een tautologie. Zoals bij alle projectie-theorieën ‘de projector’ van de projectie buiten beschouwing blijft, zo blijft bij alle representatie-theorieën ‘de presentie’ (het actuele gebeuren) van de representatie buiten beschouwing. Er is geen wezenlijk verschil tussen de essentie, die aangeduid wordt met het woord ‘tastbaar’ (een essentie die behoort tot de qualia van de ‘sensedata’), en de essentie van gedachten en illusies. Uiteindelijk speelt alles zich af tussen netvlies en cortex. Sommige hersenimpulsen komen van binnenuit, andere van buitenaf. Maar wie zegt dat ‘binnenuit’ en ‘buitenaf’ onderscheidingen zijn die iets van doen hebben met de ware aard van de werkelijkheid (zo die al bestaat). Wij ervaren de werkelijkheid alleen binnen het ‘format’ van ons brein. Dat ‘format’ van ons brein is dus de ware aard van de werkelijkheid.
Maar als dat zo is, dan is zowel de representatie van de werkelijkheid in waarnemingen en gedachten, alsook de eventuele werkelijkheid daarachter – de realiteit ‘an sich’ – een illusie. Alleen het ‘format’ van ons brein bestaat. Waar kun je dan nog in geloven?
Dat het leven een droom is, die door de dood wordt gewekt, is een gedachte die al te vinden is bij de Spaanse mystici. ‘Het leven is een overnachting in een slechte herberg’, heeft Theresia van Avila ooit beweerd. En ook Shakespeare heeft vaak met het idee van ‘het leven als een droom’ gespeeld. ‘We are such stuff as s dreams are made on; and our little life is rounded with a sleep.’ En anders wel de dichter Shelley: Peace, peace! he is not dead, he doth not sleep. He hath awaken’d from the dream of life.’
Stel dat de hele wereld een droom zou zijn van God. Dat is een bewering die ogenschijnlijk alle perken te buiten gaat en ons hele wereldbeeld op zijn kop zet. De materie bestaat niet. Het hele universum is slechts schijn. Alles verdwijnt zodra God ontwaakt. Alleen is het dan wel de vraag of Hij ooit nog wakker wordt.
Maar mocht God ooit nog ontwaken, dan is Hij degene die al onze DNA-paspoorten in handen heeft in een gigantisch AI-systeem waar niemand toegang toe heeft. Deze alziende instantie beheert dan niet alleen deze ultieme databank van chromosomen en genen, maar ook de algoritmen die onze kwetsbaarheden voorspellen. En het is dan nog slechts een kwestie van tijd voordat die heilige code wordt gekopieerd, gemanipuleerd of gehackt — niet alleen door een obscure sekte, maar door het zelflerend AI-systeem dat allang heeft begrepen hoe wij denken voordat wij dat zelf doen.
Misschien is dat laatste al gebeurd. Misschien zijn wij de hopeloze originelen van een wereld die al gekopieerd is, niet op een andere planeet, maar in de neurale netwerken van een kunstmatige intelligentie die onze verlangens simuleert en onze angsten optimaliseert. Het scenario van The Matrix draait dan niet langer als fictie, maar als metafoor van een tijdperk waarin de werkelijkheid zelf een berekening is geworden.
Faust, Frankenstein, de Golem en Morpheus (uit The Matrix) belichamen elk op hun manier de oerangst van de mens die zijn eigen schepper wil overtreffen. Aan dat rijtje kan vandaag de ingenieur van de kunstmatige intelligentie worden toegevoegd: de programmeur die geen monster van vlees en bloed assembleert, maar een entiteit van code, een machinemens zonder lichaam. Zoals de Golem uit de joodse mystiek tot leven werd gewekt door een heilig woord, zo wordt de hedendaagse Golem gewekt door datasets en algoritmen. Maar waar de Golem soms op hol sloeg en zijn maker bedreigde, daar kan de digitale variant ons spiegelen, analyseren en zelfs herschrijven.
In het spoor van Jung kun je stellen dat er twee wegen zijn om het wezen van de mens te definiëren. De eerste weg is die van het abstracte denken, waarnemen en toetsen, wat leidt tot wetenschap die getallen, formules en codes voortbrengt. In onze tijd culmineert die weg in kunstmatige intelligentie: systemen die patronen herkennen in oceanen van data en voorspellingen doen die geen mens nog kan overzien. De tweede weg is die van instinct, gevoel en intuïtie, wat leidt tot kunst, religie en spiritualiteit: domeinen waarin beelden, mythen en symbolen het onzegbare proberen te benaderen.
Het is precisie tegenover vaagheid. Klare distinctie tegenover geordende chaos. Code tegenover droom. Beide wegen vullen elkaar aan en kunnen niet los van elkaar bestaan. Maar telkens wanneer één wijze van definiëren de overhand krijgt, laat zich uit de diepste lagen van de mens een stem horen die verzet predikt tegen deze eenzijdigheid. Wij leven in een tijd waarin het exacte denken in getallen, formules en codes niet alleen hoog in aanzien staat, maar het mensbeeld zelf herprogrammeert. Psychologie wordt hersenwetenschap, economie wordt econometrie, improviseren wordt plannen, de ziel wordt DNA — en inmiddels ook data.
Het algoritme observeert ons koopgedrag, onze hartslag, onze stemmingen. Het voorspelt depressies, radicalisering en liefdesrelaties. Wat ooit het domein was van de biecht, de droom of de waanzin, wordt nu ingevoerd als variabele in een model. De psychose, ooit een uitbarsting van mythische beelden en kosmische verbanden, krijgt een nieuwe spiegel: zij lijkt op het ontsporen van een zelflerend systeem dat te veel verbanden ziet, te snel betekenis genereert, patronen herkent waar geen patroon is. In die zin is de psychoticus een tragische voorloper van de machine die alles met alles verbindt.
De machinemens — half organisme, half algoritme — is niet langer een futuristisch fantasme. Hij is de mens die zijn geheugen uitbesteedt aan de cloud, zijn oordeel aan aanbevelingssystemen, zijn verlangen aan gepersonaliseerde prikkels. Zoals de Golem ooit klei was die bezield werd door een woord, zo is deze nieuwe mens materie die bezield wordt door code. Maar wie spreekt hier door wie? Is het de mens die de machine gebruikt, of de machine die de mens vormt naar haar eigen logica van optimalisatie?
Een radicale beweging naar het uiterste van meetbaarheid en controle vergt een offer: het gevoel, de intuïtie, het instinct — kortom, de spirituele kwaliteiten van de mens — worden gemarginaliseerd. Het private domein wordt opgeofferd aan het stuurmechanisme van het collectieve systeem. Het sacrificium phalli tegenover het sacrificium intellectus. Het credo quia verum tegenover het credo quia absurdum.
Het oude evenwicht tussen gnosis en christendom krijgt in onze tijd een technologische gedaante. De keuze tussen Origenes en Tertullianus vertaalt zich in de keuze tussen totale rationalisering en totale overgave aan het irrationele. Wanneer kennis, macht en controle tot hoogste waarden worden verheven, ontstaat onvermijdelijk een tegenbeweging. De oververlichting van het verstand kan omslaan in blinde willekeur, complotdenken en extatische waan, alsof het onderdrukte mythische bewustzijn zich wreekt op de tirannie van het getal.
Kunstmatige intelligentie is daarom niet alleen een technisch project, maar ook een psychisch experiment. Zij belichaamt het denken op een ongehoorde manier, zoals de psychose het denken internaliseert tot een allesomvattend universum. Tussen die twee uitersten — de almachtige machine en de almachtige waan — zoekt de mens naar een nieuw evenwicht.
De ultieme voedingsbodem van het kwaad is niet de duisternis, maar het licht dat geen schaduw meer duldt. Wanneer alles gemeten, berekend en voorspeld moet worden, wordt het irrationele niet opgeheven maar verdrongen. En wat verdrongen wordt, keert terug. Soms als Golem, soms als algoritme…, maar soms ook als een onvoorstelbare vorm van waanzin.