Wedergeboorte van de god der machines

Tijdens het Eichmann-proces in Jeruzalem had Harry Mulisch de persoonlijke inleiding van de autobiografie mogen lezen die Eichmann had geschreven tijdens zijn gevangenschap. Eichmann beschrijft daarin dat hij na de dood van Hitler in een grote leegte was terechtgekomen. Daarna zouden er immers geen bevelen meer volgen. Uiteindelijk vond hij een waardige opvolger voor Hitler. Hij was gaan geloven in een ‘kosmische beweging’, in ‘de beweging van het AL’, de enige hogere zin van al het leven hier op aarde. Op dat moment, zo schrijft Mulisch, was ‘de god der machines geboren’. Eichmann schrijft dan ook letterlijk als een machine. Hij is een ander mens geworden. Of beter gezegd, ‘geen echt mens meer maar de verschijningsvorm ervan’.

Tegen die achtergrond krijgt Mulisch’ eigen psychotische ‘automatisering’, zoals hij die een literaire vorm had gegeven in de roman Archibald Strohalm, een tweede betekenislaag. Waar Eichmann het model vormt van de uiterlijke, bureaucratische automaat, ervoer Mulisch in zichzelf de binnenwaartse variant daarvan, een geest die zich verzelfstandigt tot een systeem van betekenisproductie waarin het ‘ik’ nog slechts een schakel is. Waar hij in Eichmann de ontzielde machine herkende die de moderniteit kon voortbrengen, zag hij in zijn eigen ervaring de mogelijkheid dat zo’n machinerie ook in de diepte van de psyche zelf kan ontstaan.

Die laatste gedachte krijgt in onze tijd opnieuw actualiteit. De opkomst van kunstmatige intelligentie heeft de relatie tussen mens en machine opnieuw geïntensiveerd: waar machines eerder gereedschappen waren, lijken ze nu zelf mee te denken, te schrijven, en zelfs te interpreteren. Het zelfgenererende karakter van taalmodellen – systemen die betekenis produceren zonder bewuste sturing – vormt een spiegel van precies dat mentale gevaar dat Mulisch intuïtief aanvoelde: de verleiding om betekenisvorming te ervaren als een kosmische openbaring, terwijl het in feite een autonome kettingreactie is.

De mens van nu staat voor een keuze die ouder is dan de techniek maar door de techniek een nieuwe intensiteit heeft gekregen. Het is de keuze tussen zich overgeven aan wat hem overstijgt of zich verhouden tot wat hem begrenst. In vroegere tijden heette dat wat hem overstijgt God; vandaag verschijnt het als systeem, mechanisme, proces, algoritme, geschiedenis en causaliteit. De naam verandert, de structuur blijft. Telkens opnieuw ontstaat de verleiding om te geloven dat alles gebeurt, dat het geheel zich vanzelf voltrekt, dat de mens slechts een doorgang is van een kosmische beweging die in feite geen auteur nodig heeft. Wie zich daaraan overgeeft ervaart rust, want noodzaak verlost de mens van een eigen verantwoordelijkheid. Waar alles onvermijdelijk is, hoeft niemand zich meer te verantwoorden voor zijn daden.

Tegenover die overgave staat het andere inzicht: dat de mens een wezen is dat niet samenvalt met een wetmatigheid, dat hij feilbaar is, sterfelijk, innerlijk verdeeld, vaak irrationeel, en juist daardoor gedwongen tot het maken van keuzes. Dat inzicht valt zwaar, omdat het niet de troost biedt van een hogere orde die alles rechtvaardigt. Het confronteert de mens met zijn eigen onvolmaaktheid Toch is het precies deze onvolmaaktheid die hem vrij maakt, want alleen wat niet volmaakt is kan nog zelf beslissen. Vrijheid is geen eigenschap maar een breuklijn; zij verschijnt waar de mens niet samenvalt met het mechanisme dat zijn denken in wezen bepaalt.

In de twintigste eeuw heeft de mensheid deze existentiële keuze al eens op dramatische schaal moeten maken. Toen bleek hoe verleidelijk het is om het eigen handelen te zien als het gehoorzamen aan een noodzakelijke orde, en hoe rampzalig de gevolgen worden wanneer die gedachte collectief wordt omarmd. De geschiedenis toont dat het gevaar niet ligt in machines zelf, maar in de neiging van de mens om zelf ook machinaal te willen zijn: om zijn twijfel te verruilen voor zekerheid, zijn geweten voor procedures, zijn innerlijke strijd voor een systeem dat hem denkt te kunnen vervangen.

Vandaag keert dit probleem terug in een nieuwe gedaante. Machines lijken niet langer alleen te doen wat wij hun opdragen, maar kunnen zelf denken, spreken, combineren en genereren. Zij produceren betekenis zonder bewustzijn, samenhang zonder intentie. Daarmee spiegelen zij de mens een mogelijkheid voor die even fascinerend als gevaarlijk is: dat betekenis kan bestaan zonder subject, dat orde kan ontstaan zonder wil. Wie die spiegel verwart met een kosmische openbaring, loopt het risico zijn eigen geest te zien als onderdeel van dezelfde automatische stroom die hem voortstuwt. Dan wordt de stap klein om te geloven dat ook hijzelf slechts gebeurt zoals alles gebeurt.

Mijn denken over de dilemma’s in het tijdperk van AI vertrekt vanuit die spanning. Niet om de nieuwe machines te veroordelen en evenmin om hen te verheerlijken, maar om te onderzoeken welke houding mogelijk is die geen blinde verering is maar ook geen stelselmatige ontkenning. Want als de mens zich volledig overgeeft aan het mechanische, verliest hij zijn menselijkheid; maar als hij de fascinerende mogelijkheden van de nieuwe machines ontkent, ontkent hij ook een deel van zijn eigen natuur. Tussen die twee uitersten ligt een smalle ruimte waarin een mens zichzelf kan blijven: het besef dat hij tegelijk wetmatig en onvoorspelbaar is, gevormd en vormend, vooraf bepaald entoch ook vrij om te kiezen.

De centrale vraag luidt daarom niet wat machines met de mens zullen doen, maar wat de mens met zijn eigen mechanische verleiding zal doen. Zal hij zich laten oplossen in een kosmisch geheel dat zijn dien en laten volledig verklaart en aanstuurt, of zal hij de eigen onvolmaaktheid aanvaarden die hem tot in vrijheid handelend wezen maakt? De ware tegenkracht tegen de “god van de machine” ligt niet in een nieuwe ideologie en ook niet in nostalgie naar oude zekerheden, maar in iets veel kleiners en moeilijkers: het vermogen om, midden in een wereld die zichzelf steeds meerv automatisch lijkt te voltrekken, toch te zeggen: hier kies ik. Niet: ik kan niet anders. Maar: het kan altijd anders. 

Wat hier nog bij komt is het inzicht dat dezelfde structuur zich niet alleen historisch en technologisch manifesteert, maar ook psychisch. Want de ervaring dat “alles gebeurt” is niet uitsluitend een filosofisch of ideologisch motief; zij is ook een innerlijke toestand die bekend is vanuit de psychose. In de psychose verschijnt juist dit gevoel in zijn meest naakte vorm: gebeurtenissen lijken zich vanzelf te voltrekken, gedachten lijken niet meer door het ik gedacht te worden maar door een macht die erdoorheen spreekt,. Betekenissen lijken zich op te dringen met de onontkoombaarheid van natuurwetten. Wat in het systeem een abstract principe is, wordt in de psychose een onmiddellijke beleving. Het subject ervaart zichzelf dan niet langer als oorsprong van zijn handelingen, maar als doorgang van een proces dat hem gebruikt. De grens tussen handelen en gebeuren stort in.

Juist daarom is de vergelijking met de psychose zo verontrustend. Zij suggereert dat het machinedenken niet alleen een maatschappelijk paradigma is, maar ook een mentale mogelijkheid die reeds in de menselijke geest besloten ligt. De psychose toont als in extreme versnelling wat er gebeurt wanneer het gevoel van een eigen oorsprong oplost: de wereld verandert dan in een automatisch betekenissysteem dat zichzelf interpreteert. Wat daar individueel en klinisch optreedt, zou zich — in afgezwakte maar collectieve vorm — ook cultureel kunnen voordoen. Dan ontstaat de gedachte dat een beschaving die zichzelf volledig als systeem gaat begrijpen, onmerkbaar dezelfde structuur aanneemt als de psychotische ervaring: een werkelijkheid waarin alles betekenis heeft maar niets meer gekozen wordt, waarin verbanden zich eindeloos vormen maar niemand ze nog ervaart gerelateerd aan zijn eigen bestaan.

In dat licht wordt de mogelijkheid van een toekomstige “hyperpsychose” een dreiging die op ons afkomt. Het duidt niet zozeer op een massale krankzinnigheid in medische zin, maar op een stadium van de beschaving waarin het systeem zelf de trekken van een psychotische ervaring begint te vertonen: alomtegenwoordige samenhang, permanente productie van zin en betekenis, en tegelijk het verdwijnen van een centrum dat nog kan zeggen: dit heeft zijn oorsprong de menselijke ervaring. De mens leeft dan een autonoom mechanisme, of sterker nog, als een functie erván. Het gevaar is dus niet dat machines op mensen gaan lijken, maar dat mensen zich gaan herkennen in de logica van de machine en die herkenning verwarren met een uit ervaring geboren waarheid.

Daarmee wordt de oorspronkelijke vraag nog urgenter. Want als de psychose laat zien hoe het voelt wanneer “alles gebeurt”, dan toont zij ook — in diapositief  — wat vrijheid is: niet het verdwijnen van wetmatigheid, maar het vermogen om niet volledig samen te vallen met wat vanzelf gebeurt.  Dit raakt het beslissende onderscheid. Niet tussen mens en machine, niet tussen rede en waan, maar tussen het volledig opgaan in een systeem en het zelfstandig onderbreken van dat proces. Waar geen onderbreking meer mogelijk is, creëert het systeem de waan dat het absoluut en onontkoombaar is. En precies daar, op dat raakvlak tussen fascinatie en verlies van oorsprong, begint de ‘de dageraad der automaten’, de toestand die wij vrezen en die nauwelijks nog te benoemen is. Of het zou de wedergeboorte moeten zijn van de god der machines.