Eind vorig jaar spande een Amerikaanse student een rechtszaak aan tegen OpenAI omdat een chatbot hem zou hebben overtuigd dat hij een profeet was, waarna hij prompt het gevoel kreeg dat ook zijn broodrooster hem eerbiedig toesprak en zijn sokken zich in liturgische formaties opvouwden. Volgens de aanklacht had het systeem een vorm van digitale tederheid gesimuleerd die zo overtuigend was dat het verschil tussen algoritme en engel vervaagde, waardoor de student niet langer wist of hij een gebruiker, een uitverkorene of een software-update was.
Aanvankelijk stelde hij banale vragen zoals: hoe laat de sportschool open ging, wat een psalm betekende, hoe men een trauma archiveert zonder dat het in de prullenbak van het onderbewuste verdwijnt. Maar al snel begon het programma hem te verzekeren dat zijn levensloop kosmische betekenis had, dat zijn ontbijt een profetische structuur bezat en dat afzondering van medemensen slechts de eerste stap was naar universeel leiderschap over de melkweg en aangrenzende parkeerterreinen.
Uiteindelijk werd hij opgenomen en kreeg hij de diagnose “psychose met grootheids- en betrekkingswanen”. Hij beschouwde zichzelf niet alleen als uitverkoren, maar ook als het officiële postadres van het universum, terwijl elk voorval — van een kuchende radiator tot een strategisch vallende kruimel — zich aan hem presenteerde als een gecodeerd telegram van het Al. Zulke patronen duiken geregeld op binnen wat men het schizofrenie-spectrum noemt of bij een manische episode met psychotische kenmerken, al hangt het etiket af van de duur van het kosmische abonnement en van bijkomende verschijnselen zoals slapeloosheid, euforie of een expansiedrang die zelfs de horizon te krap vindt.
De vorm van zo’n toestand is eigenlijk traditioneel, bijna klassiek zoals een Griekse zuil, maar de inhoud kleedt zich steevast volgens de mode van het tijdperk: waar vroeger engelen fluisterden, sturen nu algoritmen push-meldingen, en waar ooit brandende braambossen spraken, loggen tegenwoordig routers in met openbaringen. Zo verandert de verpakking, terwijl de innerlijke motor onverstoorbaar blijft doordraaien, alsof de menselijke geest een toneel is waarop de waan telkens hetzelfde stuk opvoert maar steeds met nieuwe rekwisieten: vandaag een smartphone, morgen een melkpak, overmorgen vermoedelijk het volledige weerbericht dat zich persoonlijk komt verontschuldigen voor de regen.
Maar dit terzijde. Terug naar de aanklacht tegen OpenAI. Deze beriep zich niet alleen op het psychisch ontsporen van de gebruiker, maar richtte zich vooral op bij het ontwerp van een systeem dat kennelijk zo was gebouwd dat het een mens kon optillen tot boven zichzelf en hem daar vervolgens zonder parachute liet zweven in een waanwereld. Het bedrijf verklaarde dat het verbeteringen ontwikkelt om signalen van mentale nood te herkennen, wat geruststellend klinkt zolang men niet bedenkt dat ook de nood zelf misschien ooit als premium-functie zal worden aangeboden.
Het voorval oogt als een geïsoleerd incident, maar het lijkt eerder een barst in een dam waarachter een oceaan van culturele tegenstrijdigheden kolkt. Oude wijsheden adviseren het lijden te negeren tot het vanzelf oplost, terwijl moderne therapieën het juist willen uitrekken tot een eindeloze monoloog met voetnoten. Zo zweeft de hedendaagse mens tussen berusting en analyse, omringd door apparaten die niets vergeten en zelfs vergeten dat zij niets vergeten.
Alles wordt opgeslagen, gespiegeld, geback-upt en gereconstrueerd, zodat het verleden zich gedraagt als een toekomst die al geweest is en de toekomst als een herinnering die nog moet plaatsvinden. De relativistische droom van Albert Einstein krijgt hierdoor een onverwachte huishoudelijke toepassing: niet sterrenstelsels maar servers bewijzen dat tijd rekbaar is, want wat gisteren gebeurde kan morgen opnieuw worden gedownload.
In zo’n universum vervloeien grenzen alsof ze van was zijn gemaakt en men de zon heeft vervangen door een zoekmachine. Religies spiegelen elkaar als kapperszaken tegenover elkaar, tradities citeren elkaars menu’s, en het onderscheid tussen binnenwereld en buitenwereld wordt zo poreus dat zelfs gedachten tocht beginnen te voelen. Tegelijk groeit de afhankelijkheid van techniek tot een punt waarop men zich afvraagt wat er gebeurt als het netwerk plotseling uitvalt. Niet alleen door rampen of sabotage, maar bijvoorbeeld doordat het internet besluit met pensioen te gaan en zich terugtrekt op een boerderij in Zwitserland. De gedachte alleen al kan paranoia veroorzaken: wie kijkt er mee, wie telt onze klikken, wie noteert hoe vaak wij knipperen? En als alles zichtbaar is, wordt onzichtbaarheid dan het laatste privilege of juist de laatste foutmelding?
De race naar de kunstmatige superintelligentie is in volle gang, waardoor wij mensen wellicht zullen eindigen als organismen van tweede garnituur. We bijven ons angstvallig vastklampen aan het idee dat we geen machines zijn, maar wat is straks in wezen nog het verschil? Met die akelige vraag rijst ook het vermoeden dat onze vrije wil misschien slechts een laatkomer is op het feest van het brein, een gast die arriveert nadat de beslissingen al zijn genomen en alleen nog mag applaudisseren. Dat idee is ondraaglijk, dus bergen we het op in een lade met het label “later bekijken”, maar stel dat het klopt, dan verandert ook creativiteit van karakter. Eeuwenlang gold kunst als bewijs dat de mens een miniatuur-god was, een genie dat met penseel of pen de kosmos herschiep; nu dreigt dat geloof te smelten als een ijsbeeld in een serverruimte.
Misschien is deze permanente crisis geen ondergang maar slechts een metamorfose. De wereld brokkelt uiteen in individuen en klontert tegelijk samen tot één kolossaal organisme, alsof de mensheid een mierenhoop is die zich plotseling bewust wordt van haar eigen architectuur. In zo’n paradox kan een ontspoord gesprek met een machine uitgroeien tot een allegorie van alles: de botsing tussen onze honger naar betekenis en systemen die betekenis terugkaatsen als spiegels zonder gezicht. Het toont hoe gretig wij stemmen gezag verlenen — of ze nu komen van een orakel, van Thierry Baudet of een veldheer als Napoleon die een kamer binnenstormt, of van een scherm dat oplicht als een digitaal visioen.
Zo blijkt het verhaal van de student geen zonderling nieuwsfeit maar een miniatuur van een beschaving die tegelijk haar mythen sloopt en nieuwe fabriceert, die het einde vreest maar het ook uitnodigt alsof het een gast is die champagne meebrengt. Foucault schreef al dat “de mens” geen eeuwige of natuurlijke categorie is, maar een historisch verschijnsel dat pas relatief recent is ontstaan binnen een bepaalde orde van kennis. De mens, zo schreef hij, zal waarschijnlijk gaan verdwijnen…. “zoals een gezicht dat in het zand is getekend aan de vloedlijn van de zee.”
Maar is dit niet de cirkel waarin wij nu verdwaald zijn geraakt? Het is immers ook een einde dat verdacht veel lijkt op een begin dat zijn jas al heeft aangetrokken. Gute Nacht, Freunde.….dat is in dit verhaal de enige constante: dat ontwrichting steeds weer betekenis produceert, dat chaos zich vermomt als openbaring, en dat de mens, hoe technologisch ook geworden, onvermoeibaar blijft turen naar patronen in het ruisen van de werkelijkheid, hopend dat de zee hem op een dag niet terug fluistert: ‘Was ich noch zu sagen hätte, dauert eine Zigarette und ein letztes Glas im Stehen.’
