Onlangs raakte ik in gesprek met iemand die mij vertelde dat ik een Varken ben. Niet moreel, maar kosmisch. Ik ben geboren in 1947, het jaar van het Varken. De Chinese kalender, zo zei hij plechtig, volgt een cyclus van zestig jaar. Ik bevind mij dus inmiddels in mijn tweede varkensronde, een soort heruitgave in luxe-editie.
Ik vroeg hem of het Varken tegenwoordig ook een duurzaam keurmerk heeft. Of het biologisch is. Of het in aanmerking komt voor een stikstof-compensatie. Hij lachte niet. Hij sprak over karaktereigenschappen, lotsbestemming, compatibiliteit met Tijgers en Draken en over de popmuziek van de jaren tachtig. ook daar wist hij heel veel van. Ik dacht aan mijn moeder, die mij op een zondagochtend om 9.04 uur ter wereld bracht, en aan de sterren die toen blijkbaar in vergadering bijeen waren om mijn temperament vast te leggen.
Wat hebben sterren met popmuziek te maken? Vooral de popmuziek van 1985 is heel speciaal, zo liet ik mij vertellen. Die klinkt groots, glanzend en elektronisch. Synthesizers en drumcomputers bepalen het geluid, met die typische galmende, krachtige snaredrum. De productie is strak en gepolijst, maar tegelijk vol emotie: uitbundige liefdesliedjes, dramatische ballads en energieke dansnummers wisselen elkaar af. Dankzij MTV wordt muziek ook beeld. Artiesten als Madonna, Prince en George Michael zijn niet alleen zangers, maar stijliconen. Pop is in 1985 mondiaal, stadion-vullend en zelfbewust modern: technologie, emotie en imago vallen samen in één herkenbare jaren-tachtigklank.
Hoe kom ik hierop? Gisteren sloeg ik de I Tjing open, het Boek der Veranderingen. Niet om mijn toekomst te kennen — die wordt mij immers dagelijks toegestuurd in gepersonaliseerde advertenties — maar om een citaat te zoeken. Iemand had mij gemaild met de vraag of ik soms bezeten was van het schrijven. Of mijn weblog niet een vorm van rituele zelfbevestiging was. Bovendien had hij in de I Tjing gelezen dat ik binnenkort zou moeten stoppen vanwege onenigheid met derden. Maar, zo schreef hij triomfantelijk, die voorspelling was niet uitgekomen. Hoe verklaarde ik dat?
Ik antwoordde hem dat schrijven een kwestie is van stofwisseling. Wat naar binnen gaat — nieuws, rampen, opinies, statistieken, oorlogen, virale filmpjes — moet er weer uit. Anders ontstaat er geestelijke constipatie. En constipatie is gevaarlijker dan revolutie. Het Boek der Veranderingen moet men met voorzichtigheid raadplegen, schreef ik. Veranderingen hebben namelijk de hinderlijke eigenschap dat zij veranderen. Wie niet bereid is te veranderen, zal zelfs in een orakel slechts zijn eigen stilstand aantreffen.
Wat je leest, zit al in jezelf. Dat geldt voor de I Tjing, maar evenzeer voor de tijdlijn. De tekens openbaren niets wat niet reeds latent aanwezig was in de lezer. Of zoals het Boek het zegt:
Kijk eerst de woorden aan,
Bezin je wat zij beduiden,
Dan komen de vaste regels aan het licht.
Doch ben je niet de rechte man,
Dan openbaart zich aan jou niet de zin.
Het vreemde was echter — en dat had ik hem niet geschreven — dat er bij het openslaan van de I Tjing een polaroidfoto uitviel. Ik had die daar decennia geleden ingestopt. De foto bleek genomen op 30 mei 1985, een dag na een stadionramp in Brussel die toen het nieuws beheerste en inmiddels is opgelost in de grote soep van historische calamiteiten.
Ik bevond mij destijds op een symposium over de toekomst van kunst en cultuur. De toekomst — dat was toen nog iets wat men in conferentiezalen simuleerde met flap-overs en overheadprojectoren. Een professor met een punthoofd had een gigantisch rollenspel ontworpen waarin de wereld van 24 januari 2019 werd nagebootst. Er verscheen elke week een krant uit de toekomst. Wij lazen hoe het er dan voor zou staan.
Ik herinner mij dat ik het allemaal wat overdreven vond. De wereld van 2019 leek mij onwaarschijnlijk futuristisch. Niemand droeg nog een hoed. Iedereen had een apparaatje bij zich. Er werd gesproken over virtuele werkelijkheden en zelfrijdende structuren. Ik had niet voorzien dat wij in 2026 zouden discussiëren met taalmodellen over de vraag of wij zelf nog wel bestaan.
Op dat symposium moesten wij een polaroidfoto van onszelf op een prikbord hangen. Identiteit als punaise-systeem. Je kwam binnen, werd gefotografeerd, en hing jezelf op tussen de anderen. Toen ik vertrok, nam ik mijn foto weer mee, alsof ik mijn bestaan losmaakte van de muur.
De foto die nu uit de I Tjing viel, toont mij in een grijs kunstlederen colbert, met een gigantische bril die meer weg heeft van een draagbare serre. Achter mij hangen andere foto’s. Foto’s in een foto. Identiteiten binnen identiteiten. Maar terwijl ik ernaar keek, begon de logica te schuiven.
Als deze foto op het prikbord hing, dan konden die andere er niet tegelijk op hebben gehangen. Of was dit een tweede foto? Of een derde? Werd ik bij binnenkomst gefotografeerd, bij vertrek, of continu? Misschien hing er een foto van mij waarop ik een foto van mijzelf ophing waarop ik een foto van mijzelf verwijderde.
Plotseling viel alles samen. Alsof de puzzelstukjes zich ordenden volgens een patroon dat pas achteraf op de deksel verschijnt. Zon, maan en sterren draaiden in een spiraal van zinloze feiten. Tijd werd een carrousel. 1985 keek naar 2019, dat weer terugkeek naar 1947, het Jaar van het Varken, terwijl 2026 alles in realtime archiveerde.
Wat mij het meest trof, was het grijs. Mijn bril was grijs. Mijn colbert grijs. Mijn stropdas grijs. Mijn haar reeds voorzichtig in onderhandeling met het grijs. Alsof ik mij had voorgenomen te verdwijnen in een neutrale tint, een kleur die door geen algoritme als afwijkend gemarkeerd wordt.
Mijn moeder werd ook vroeg grijs. Het zat in de genen. Maar tegenwoordig zitten genen in databanken en databanken in wolken en wolken in datacentra die meer stroom verbruiken dan kleine landen. Misschien ben ik niet het Jaar van het Varken, maar het Jaar van de Server.
Ik keek naar de man op de foto. Hij keek de toekomst in zonder te weten dat de toekomst hem zou terugkijken. Hij dacht dat hij een individu was met een bril en een das. Hij wist niet dat hij ooit zou worden onderverdeeld in categorieën als: a) content-producent, b) oudere man, c) cultureel kapitaal, d) data-archief, e) mogelijk nostalgisch, f) ontelbaar.
Misschien had die onbekende die mij vertelde dat ik een Varken ben, dan toch gelijk. Misschien is elke ordening absurd zodra zij volledig wordt doorgetrokken. Misschien behoren wij allen tot de categorie: h) die in deze indeling voorkomen. Of erger nog: n) die uit de verte op mensen lijken.
En ergens, in een kosmisch prikbord, hangt nog altijd mijn polaroid. Met een punaise vastgezet in het midden van mijn tijd.
