Zo absurd dat het niet meer absurd is

In de jaren zestig ging ik wel eens naar experimenteel toneel. Althans: ik was aanwezig in een ruimte waarin acteurs zich voortbewogen alsof ze instructies kregen via een slecht afgestemde radiozender uit een parallel universum. Het theater zat in de Nes, maar had net zo goed nergens kunnen zijn. De toneelgroep Studio speelde voorstellingen waarin iemand minutenlang een stoel aansprak, waarna de stoel zich beledigd omdraaide. In het programmaboekje stond dat men dit niet moest begrijpen, maar moest ondergaan. Dat was geruststellend, want begrijpen was uitgesloten. Soms vermoedde ik dat de tekst zo slecht vertaald was, dat het absurdisme pas tijdens de douanecontrole was ontstaan. Maar ook dat kon weer een regieconcept zijn.

Wie zich eenmaal op het pad van de onbegrijpelijkheid begeeft, raakt onvermijdelijk de weg kwijt en wordt daar vervolgens niet zelden uitbundig om geprezen. Dat geldt voor toneel, voor poëzie, en inmiddels ook voor beleidsnota’s, algoritmen en gebruiksvoorwaarden. De gedichten van Lucebert waren al niet eenduidig, maar vergeleken met een hedendaags persbericht van een techbedrijf zijn ze bijna pastorale lyriek. Zijn woorden weigeren betekenis, terwijl moderne teksten haar eindeloos beloven via hyperlinks die nergens toe leiden.

Jos Joosten en Thomas Vaessen maken een nuttig onderscheid tussen moderne poëzie — met ‘inhoud’, ‘persoonlijkheid’ en ‘essentie’ — en postmoderne poëzie, die tegen al deze begrippen is. Dat klinkt overzichtelijk, maar alleen zolang je niet probeert het toe te passen. Lucebert past er namelijk niet in, zoals een kat niet past in een Excel-sheet. Veronica Forest-Thomson wees er al op hoe lezers zich inspannen om anomalieën weg te poetsen. Men wil nu eenmaal iets. Zelfs als het er niet is. Vooral dan.

Die neiging is alleen maar sterker geworden. Tegenwoordig rationaliseren we niet alleen poëzie, maar ook de chaos zelf. Een kunstmatig intelligent systeem hallucineert? Dan noemen we het een emergente eigenschap. Een politicus spreekt zichzelf binnen één zin tegen? Dan heet het narratieve flexibiliteit. De absurditeit is niet langer een probleem, maar een functie.

Mystiek helpt daarbij uitstekend. Mystiek is het universele schoonmaakmiddel: alles wat niet klopt, wordt erdoor glanzend onbegrijpelijk. ‘Credo quia absurdum.’ Ik geloof omdat het absurd is. Dat is  een uitspraak die tegenwoordig probleemloos op een pitch voor aandeelhouders zou passen, mits voorzien van een PowerPoint en een grafiek. Mystiek legitimeert het onzegbare, en dat is handig in een tijd waarin niemand meer precies weet wat er eigenlijk gezegd wordt.

Mystici benadrukken dat hun ervaring niet in taal te vatten is. Dat is waar. Maar intussen is de taal zelf een mystieke ervaring geworden: scrollend door sociale media ervaart men een permanente extase van betekenissen die elkaar opheffen. ‘Inhoud’, ‘persoonlijkheid’ en ‘essentie’ zijn vervangen door engagement, bereik en zichtbaarheid. De leegte heeft en onpeilbare inhoud gekregen.

De moderne poëzie ontmantelde ooit de betekenisdaad. Tegenwoordig doet de werkelijkheid dat zelf. De taaldaad volgt al lang niet meer het schema zender–boodschap–ontvanger. Er is alleen nog circulatie van onbegrijpelijke taal. Woorden verschijnen, verdwijnen, keren terug als memes, worden geciteerd door mensen die ze niet wezenlijk vatten en geïnterpreteerd door machines die ze te goed begrijpen. Dat is geen communicatie meer, dat is liturgie.

Dit is tegelijk ook het sacrament van de hedendaagse poëzie — het niet-verwijzende beeld — is volledig geïncorporeerd in de actualiteit. Kijk naar een nieuwsfeed: oorlog naast kattenfilmpjes, een genocide onderbroken door een advertentie voor de Jumbo, een politicus die zijn excuses aanbiedt via een dansje op TikTok. Het absurde is niet langer een stijlmiddel, maar de grondtoon.

Luceberts Lilith, muze en demon, is inmiddels gereïncarneerd als influencer. Zij belichaamt nog steeds begeerte en verleiding, maar nu in de vorm van ‘authenticiteit’. Haar demonie is algoritmisch. Zij wordt gekruisigd in comment-secties, herrijst in stories en spreekt in hashtags. Het vlees is opnieuw woord geworden, maar ditmaal met links naar een WikiWoordenboek.

Na de oorlog werd het persoonlijke universeel. Vandaag wordt het universele persoonlijk: elke wereldcrisis is een beleving, elke catastrofe een profiel-afbeelding. Grote verhalen zijn niet verdwenen, ze zijn opgesplitst in persoonlijke dashboards. De mythe van de vooruitgang leeft voort in software-updates die beloven dat alles beter wordt, mits je eerst akkoord gaat met de voorwaarden voor het carnaval dat per abuis wordt aangekondigd als anaal.

Het naoorlogse modernisme was een vorm van laat-romantische gnostiek. Maar wat wij nu meemaken is een gnostiek zonder gnosis: een wereld vol openbaringen zonder inzicht. Het absurde is niet langer het wachten op Godot. Godot heeft een persvoorlichter gekregen die zegt dat hij onderweg is, maar wegens omstandigheden iets later komt. Ondertussen verschijnt er een pop-up met de vraag of hoe deze ervaring willen beoordelen.

Toen God van het toneel verdween, kreeg de duivel vrij spel. Inmiddels heeft ook de duivel het podium verlaten. Wat resteert is een leeg theater waarin de spotlights blijven branden, de acteurs zijn verdwenen, en het publiek zichzelf filmt terwijl het wacht op iets wat al lang begonnen is.

Dat is vandaag het absurde toneel dat ooit een experiment was: niet dat er geen betekenis is, maar dat zij overal tegelijk opduikt, zich vermenigvuldigt, en precies daardoor onvindbaar wordt. Het absurde heeft geen tegenstander meer in een begrijpelijke werkelijkheid. Het is genormaliseerd. Het heeft een helpdesk. En die zegt telkens opnieuw, heel vriendelijk, terwijl de hele wereld om je heen in brand staat : Uw vraag is belangrijk voor ons. Wat vindt u er zelf van?