De teloorgang van het leiderschap

Soms bekruipt mij het vermoeden dat de hedendaagse samenleving niet langer de juiste biotoop vormt voor leiderschap, zoals een uitgedroogd moeras geen habitat meer is voor amfibieën. Het probleem zit dan niet bij de leiders, maar bij het ecosysteem dat hen voortbrengt. Zoals een bodem die met pesticiden is verzadigd alleen nog genetisch uniforme gewassen toelaat, zo lijkt het huidige institutionele klimaat uitsluitend nog een bepaald type bestuurder te kweken: de mens zonder reliëf. Het systeem zelf fungeert als een subtiel selectiemechanisme dat karakter niet beloont maar wegfiltert, persoonlijkheid niet versterkt maar neutraliseert.

Men zou kunnen zeggen dat leiderschap ooit een vorm van verbeeldingskracht vereiste:  het vermogen om iets te zien wat er nog niet was. Tegenwoordig volstaat het vermogen om te controleren wat er al is. De hedendaagse bestuurder lijkt minder op een kapitein die koers zet dan op een boekhouder die de golven telt. Besturen is een kwestie geworden van spreadsheet-ethiek: wie de juiste hokjes invult, wordt moreel gelegitimeerd. De spreadsheet is de nieuwe deugdethiek.

Het gevolg is dat leidinggeven steeds meer neerkomt op calculerend managen. Niet de vraag wat moet er gebeuren? staat centraal, maar hoe tonen we aan dat het gebeurd is volgens het protocol? De moderne organisatie leeft niet meer in de tijd, maar houdt de tijd bij in formulieren.. Alles is voorlopig totdat het is gevalideerd, gecertificeerd, geëvalueerd en opnieuw geformatteerd in een kwartaalrapport dat door niemand wordt gelezen maar door iedereen wordt gevreesd. Vierjarige beleidsplannen fungeren als seizoenen, jaarlijkse productafspraken als kalenderdagen, en KPI-dashboards als sterrenbeelden waaraan de manager zijn oriëntatie ontleent.

In zo’n universum kan persoonlijkheid slechts storend werken. Charisma is immers niet meetbaar. Integriteit laat zich niet grafisch weergeven. Verbeeldingskracht past niet in een tabel. Wat niet gevisualiseerd kan worden in een PowerPoint-slide bestaat bestuurlijk eenvoudigweg niet. Zo ontstaat een cultuur waarin de ideale manager iemand is die niets aan het toeval overlaat , vooral niet het toeval dat hij zijn oif haar eigen persoonlijkheid  zou kunnen verbeelden.

De manager van nu is daarom een curator van procedures. Hij bewaakt het klimaat zoals een thermostaat de temperatuur bewaakt: niet door te voelen, maar door te registreren. Urenregistratie, doelgroepenanalyse, risico-inventarisaties, compliance-modules, ESG-rapportages, gedragscodes, protocollen voor protocollen — het zijn de sacramenten van een nieuwe technocratische liturgie. De organisatie wordt geen gemeenschap meer genoemd maar een systeem, geen werkplaats maar een platform, geen probleem maar een proces. Het jargon is de wierook waarin de werkelijkheid oplost.

Langzaam maar zeker trekt dit systeem de verkeerde mensen omhoog. Niet degenen met een overmaat aan talent stijgen, maar degenen met een tekort aan afwijking. Originaliteit is immers een risico, en risico’s moeten worden vermeden. Wie fantasie bezit, produceert onzekerheid; wie kleurloos is, garandeert stabiliteit. Zo ontstaat een meritocratie van middelmatigheid, waarin succes niet wordt bepaald door bekwaamheid maar door voorspelbaarheid. De ideale kandidaat is degene die zo goed aansluit bij het profiel dat hij er volledig in verdwijnt.

Het wonderlijke is dat dit proces zichzelf versterkt. Want zodra een organisatie voldoende kleurloze leiders heeft, gaan zij op zoek naar hun eigen spiegelbeelden. Selectiecommissies kiezen instinctief kandidaten die hen niet verontrusten. De toekomst wordt gerekruteerd door het heden, en het heden rekruteert uitsluitend zijn eigen bevestiging. Evolutie zonder mutatie.

Men zou dit nog als satire kunnen afdoen, ware het niet dat de actualiteit voortdurend nieuwe voorbeelden aanlevert. Bestuurders die meer tijd besteden aan reputatie-management dan aan besluitvorming. Beleidsmakers die hun beleid aanpassen aan algoritmische sentiment-analyses van sociale media. Politici die hun uitspraken eerst laten testen door taalmodellen om te controleren of ze voldoende neutraal klinken. Bedrijven die beslissingen uitstellen totdat de data-afdeling statistische zekerheid heeft berekend dat uitstel de veiligste keuze is. De besluiteloosheid wordt dan gepresenteerd als voorzichtigheid, en voorzichtigheid als professionaliteit.

De technocratisering produceert zo een nieuw mensentype: de functionaris zonder binnenwereld. Hij spreekt vloeiend in bullet-points en droomt in grafieken. Zijn vocabulaire bestaat uit woorden die nergens naar verwijzen maar overal toepasbaar zijn: optimaliseren, faciliteren, implementeren, borgen, alignen, opschalen. Het zijn woorden die geen werkelijkheid beschrijven maar haar vervangen. Wie ze beheerst, hoeft niets meer te begrijpen.

Steeds meer mensen praten daardoor over het werk van anderen zonder het ooit gedaan te hebben. Expertise wordt vervangen door supervisie, ervaring door coördinatie, vakmanschap door governance. De organisatie wordt een piramide van reflecties: bovenin staan degenen die het minst direct met de werkelijkheid te maken hebben en daarom het best in staat zijn haar te beschrijven.

Frustratie vormt de verborgen motor van deze hiërarchieën. Wie het niet kan maken, kan altijd nog beheren. Wie niet kan scheppen, kan reguleren. Wie geen talent heeft, kan bevoegdheden verwerven. Macht wordt zo de compensatie voor onvermogen, een psychologische wetmatigheid die het systeem zorgvuldig institutionaliseert. De manager is niet zelden iemand die leiding wil geven omdat hij niets anders kan doen zonder toezicht.

Zelfs arbeidsethos wordt omgekeerd. Ooit gold dat leiders het voorbeeld moesten geven door harder te werken dan anderen. Nu geldt dat leiders hun status tonen door juist niet te hoeven werken. Wie het drukst lijkt, staat onderaan; wie het minst zichtbaar is, staat bovenaan. De ware topmanager verschijnt alleen nog in crisis-situaties of op foto’s. Zijn afwezigheid is zijn gezag. Zoals goden zich onderscheiden door onzichtbaarheid, zo onderscheidt de moderne bestuurder zich door een bereikbaarheid uitsluitend via zijn assistenten.

Verticale lijnen gelden als efficiënt, horizontale gesprekken als tijdverlies. Overleg wordt gezien als zwakte, instructie als daadkracht. De ideale organisatiecultuur is er een waarin iedereen naar boven glimlacht en naar beneden corrigeert. Loyaliteit stijgt op, verantwoordelijkheid daalt neer. Zo ontstaat een circulatie van vleierij en angst die men gemakshalve professionaliteit noemt.

En stel nu dat dit alles niet slechts de ironie van de frustratie  is maar een heldere diagnose. Dan betekent het dat het systeem structureel leiders produceert die juist geschikt zijn om het systeem in stand te houden, en nergens anders voor. Ze lijken op antivirus-programma’s die elk teken van originaliteit onmiddellijk als een bedreiging neutraliseren. Het systeem beschermt zich tegen vernieuwing zoals een immuunsysteem zich verdedigt tegen een vreemd lichaam. Creativiteit wordt een infectie.

Wie in zo’n wereld ambitie heeft en werkelijk iets wil veranderen, moet zich daarom allereerst gaan vermommen. Hij moet zich voordoen als iemand zonder ideeën. Hij moet voorzichtig spreken, neutraal schrijven, consensus uitstralen. Hij moet leren verdwijnen in vergaderingen, oplossen in commissies, verdampen in notulen. Zijn grootste talent moet zijn dat niemand het opmerkt. De strategie van succes wordt de kunst van de camouflage.

Dat is tegelijk ook het ultieme bewijs van de crisis: dat niet de onbekwame mensen bang zijn om op te vallen, maar de bekwame. Wanneer originaliteit zich moet verbergen om te overleven, is conformisme geen karaktergebrek meer maar een overlevingsstrategie. Dan is kleurloosheid niet langer een tekort, maar een selectiecriterium.

En zo nadert men het absurde eindpunt van deze redenering: een samenleving waarin de meest geschikte leider degene is die geen sporen nalaat, geen visie uitspreekt, geen risico neemt en geen persoonlijkheid bezit. Kortom, de ideale bestuurder als perfect lege vorm. Niet omdat hij niets te bieden heeft, maar omdat het systeem alleen nog plaats heeft voor wat nergens tegenaan schuurt.

Succes is zo bezien niet langer iets om na te streven. Het is iets om voor te vrezen. Want wie werkelijk slaagt binnen dit systeem, bewijst daarmee dat hij er volledig in past. En wie er volledig in past, is precies degene die het nooit had mogen leiden.