Het universum is gekromd, verkondigde Einstein met de ernst van een notaris die een kosmische erfenis voorleest, maar kromming is geen exclusief privilege van het heelal: ook bananen, wenkbrauwen en slecht gestemde violen gehoorzamen eraan. De moderne kosmologie, voor zover mijn brein haar elastische hypothesen kan verdragen, lijkt op een circusact waarin zeepbellen zichzelf interpreteren. Niemand weet of alles eeuwig uitdijt, ooit weer ineenkrimpt, of zich als een ademhalend accordeon in en uit vouwt terwijl het zichzelf applaus geeft.
De vorm van het universum blijkt uiteindelijk geen kwestie van materie maar van vouwen, plooien, binnenstebuiten keren, een topologische origami waarvan de handleiding ontbreekt. Relativiteit kan ons vertellen hoe de ruimte buigt, maar niet hoe zij zichzelf tot een knoop strikt. We weten dus dat het kleed geplooid is, maar niet of we eronder liggen of erin gewikkeld zijn. Waar begint zo’n kosmische vouw, waar eindigt zij, en wie heeft hem ooit gestreken? Misschien bestaat begin noch einde en is alles slechts een eindeloos opgerolde sok in de lade van het niets.
Er zijn inmiddels fysici die fluisteren dat ruimte en tijd niet bestaan, maar slechts bijverschijnselen zijn van trillende snaardraden, alsof het universum een harp is waarop niemand speelt en die toch muziek produceert. Wanneer ik dat lees, staar ik naar buiten zoals iemand die vermoedt dat de horizon hem begluurt. Mijn gedachten beslaan als een spiegel in een badkamer waar niemand ooit heeft gedoucht. Het heelal wordt een spiegelpaleis zonder uitgang: sterrenstelsels weerspiegelen sterrenstelsels die sterrenstelsels weerspiegelen, totdat het origineel verdacht veel lijkt op een herinnering aan een gebeurtenis die nooit heeft plaatsgevonden. Misschien is dat verre melkwegstelsel dat we zien gewoon ons eigen verleden dat ons nieuwsgierig aankijkt.
Misschien zullen we ooit getuige zijn van onze eigen geboorte, zoals toeschouwers bij een première waarin zij zelf de hoofdrol spelen. De mens bevindt zich dan in een middelpunt dat overal is, zoals een vlek die zich over het hele tapijt heeft verspreid. Ikzelf ben vermoedelijk een zwevend embryo van kosmische ademhaling, een prenataal universum dat zichzelf droomt. Het was blijkbaar altijd al de bedoeling dat ik hier zweefde voordat er een “hier” bestond. Alles spat uiteen in galactische schuimbellen die zich vermenigvuldigen als een pan melk die weigert over te koken maar wel blijft groeien. De uitdijing produceert een kluwen van heelallen die zich tegelijk naar voren en naar achteren uitstrekken, als tijd die vergeten is welke kant hij op moet.
Ik las onlangs over parallelle werelden, een idee uit 1957 van Hugh Everett, die blijkbaar besloot dat één werkelijkheid onvoldoende was om de wiskunde tevreden te stellen. Volgens de kwantummechanica beschrijft een systeem niet wat het is, maar alles wat het zou kunnen zijn, alsof elk deeltje een sollicitatiebrief heeft ingediend voor alle mogelijke banen tegelijk. Pas wanneer wij kijken, wordt één optie gekozen. Maar waar blijven de andere? Verdampen ze? Gaan ze mokkend in een hoek staan? Of worden ze elders werkelijkheid? Misschien splitst de wereld zich bij elke waarneming als een brood dat zichzelf blijft doorsnijden. Elke blik zou dan een kosmische schaar zijn.
Stel je een wandelaar voor die over maagdelijke sneeuw loopt. Hij denkt dat hij één spoor achterlaat, maar in werkelijkheid produceert hij een bibliotheek van voetafdrukken: rechte stappen, zijwaartse stappen, sprongen, pirouettes, achterwaartse passen, zelfs sporen van schoenen die hij niet bezit. Hij loopt dus niet door de sneeuw; hij selecteert slechts één versie van een choreografie die zich in ontelbare varianten voltrekt. In andere universa danst hij, kruipt hij, zweeft hij of weigert hij überhaupt te bestaan. Toch ziet hij alleen het ene spoor dat hem complimenteert met zijn aanwezigheid.
Hoe krankzinnig het ook klinkt, steeds meer natuurkundigen nemen deze gedachte ernstig, vermoedelijk omdat de werkelijkheid zelf zich al lang niet meer serieus neemt. Bovendien lost het een ander raadsel op: de natuur zit vol constanten — de lichtsnelheid, de constante van Planck, de lading van het elektron — alsof het universum een kluis is waarvan de code precies goed staat afgesteld. Waarom hebben die waarden precies de juiste cijfers om ons bestaan mogelijk te maken? Het lijkt alsof de kosmos speciaal voor ons is gekalibreerd, zoals een piano die alleen maar onze favoriete melodie kan spelen. Toeval? Ontwerp? Of een kosmische typfout die toevallig leesbaar uitviel?
Dit leidt tot het antropisch principe, dat ongeveer zegt: wij zien een universum dat geschikt is voor ons omdat wij er anders niet waren om het te zien. Dat klinkt als een spiegel die verklaart dat gezichten bestaan omdat hij ze weerspiegelt. Om aan die cirkel te ontsnappen rest slechts één uitweg: aannemen dat er ontelbare universa bestaan met alle mogelijke combinaties van natuurwetten, zoals een eindeloze loterij waarvan elk lot ooit wint. Wij wonen dan simpelweg in het winnende universum, terwijl elders werelden bestaan waar zwaartekracht afstoot, tijd achteruit hoest, en water omhoog valt uit medelijden met de wolken.
Onze werkelijkheid is dus slechts één mogelijkheid in een kosmisch systeem van archiefkasten zonder archivaris. Zoals media de werkelijkheid versplinteren in beelden van beelden van beelden, zo zou het universum zelf een kopie kunnen zijn zonder origineel, een echo die nooit een stem heeft gehad. Terwijl ik deze woorden schrijf, vertakt mijn tekst zich vermoedelijk in talloze varianten: versies waarin ik zwijg, waarin ik zing, waarin ik oplos in interpunctie. In sommige daarvan bestaat deze zin niet; in andere leest hij mij.
Maar hoe het ook zij, we gaan door zolang bananen krom zijn. Rechte bananen zouden immers het einde van de kosmologie betekenen. Want als het universum ooit recht zou worden, zou zelfs de kromste banaan zich schamen voor zijn vorm, en dan bleef er niets meer over om over na te denken, behalve een rechte lijn die nergens heen buigt — en dat zou pas echt onvoorstelbaar zijn. Hoe krommer hoe beter, dat is het motto van de hedendaagse kosmologie. Waarom? Daarom! Daarom zijn de bananen krom.
