Waar komen al die eenzame mensen vandaan?

Mijn dromen vannacht hadden de kleur van nat karton en het geluid van één klappende hand. Er was sprake van zinloos geweld, maar dat woord is te klein voor wat zich in een droom aandient: het is meer een decorstuk dat plotseling begint te schreeuwen. Er liep een dominee rond, McKenzie heette hij, met een gezicht als een vergeten psalm. We bevonden ons op een begraafplaats in Liverpool, waar het graf van Eleanor Rigby werd blootgelegd alsof de aarde zelf heimwee had naar een refrein. Even verderop lag Father McKenzie, die niemand had gered en die ook in de dood nog zijn preek oefende voor een publiek van wormen. Wat zij met elkaar te maken hadden, wist niemand, maar in dromen is samenhang een gerucht dat zichzelf verspreidt.

Misschien is het onbewuste een dominee zonder kerk, een eenzame prediker die in de sacristie van de schedel zijn sermoen herschrijft terwijl het bewustzijn op de achterste bank zit te appen. Hij citeert uit een evangelie dat nooit gedrukt is, maar wel viraal gaat. Hij heeft een podcast, vermoed ik, ergens tussen true crime en mindfulness in, waarin hij uitlegt dat alles betekenis heeft en dat die betekenis onmiddellijk weer wordt ingetrokken wegens onderhoudswerkzaamheden aan de werkelijkheid. Wat de moraal van dit alles is? Ik zou het bij God niet weten, en als ik Hem zou bellen, kreeg ik waarschijnlijk een chatbot aan de lijn die zegt dat mijn gesprek kan worden opgenomen voor kwaliteitsdoeleinden van het universum.

Maar alle gekheid op een stokje, Eleanor Rigby heeft nooit bestaan, en juist daarom leefde zij overal. Ze zat in een kerk waar de stoelen zichzelf vulden en weer leegliepen, en zij raapte de rijst op die uit monden was gevallen die allang geen bruidspaar meer kenden. Niemand wist wie haar had uitgenodigd, want ze was uitgenodigd door het refrein zelf. Ze woonde in een droom die kleiner was dan een kamer maar groter dan de wereld, een droom met gordijnen van strijkers die zonder gitaren speelden alsof ze vergeten waren dat hout ook kan schreeuwen.

Ze heette Eleanor omdat een naam ergens moet beginnen, en Rigby omdat een winkelbord niet kan weigeren. Misschien leunde ze tegen een grafsteen die haar al kende voordat zij hem kende. Misschien was ze een echo die zich vergiste in een lichaam. In elk geval stierf ze precies op tijd om te bewijzen dat niemand komt opdagen wanneer niemand bestaat. Father McKenzie – die evenmin wist wie hij was – begroef haar in een stilte die zorgvuldig was gearrangeerd.

Alle eenzame mensen kwamen uit dezelfde fabriek waar men betekenis per ongeluk produceert. Ze werden verpakt in coupletten en verzonden naar steden waar iedereen elkaar herkent als onbekende. Eleanor Rigby was hun patroon, hun proefdruk, hun mislukte engel. Ze was een vrouw die rijst verzamelde uit de plooien van het universum en ontdekte dat zelfs korrels zich niets herinneren.

En toen het lied ophield, bleef zij zitten, want fictieve mensen hebben geen einde. Zij zijn de adem tussen twee regels, de stoel waarop niemand zit, de vraag die zichzelf stelt: waar komen ze vandaan? Uit een naam. Uit een akkoord. Uit het niets dat zo zorgvuldig is georkestreerd dat het klinkt als een strijkkwartet zonder uitweg, de steren van de hemel spelend in een melancholisch lied dat gaat over de schoonheid van de natuur. Maar is de natuur wel zo schoon?

Gisteren keek ik op YouTube naar een natuurdocumentaire over een meer in Afrika waar een uitzonderlijk evenwicht zou zijn ontstaan. Een biotoop zo perfect dat het leek alsof het was gesponsord door een merk frisdrank met prik. Paradijsvogels haalden een cruciale stof uit het water, roze en sierlijk als homofiele ooievaars op een Pride-parade van de evolutie.Tijgers leefden vredig aan de oever, als contemplatieve bodybuilders die zich hadden teruggetrokken uit de aandelenmarkt.

Er was voedsel in overvloed, roofvogels cirkelden als drones boven een festivalterrein waar iedereen zogenaamd veilig was. Het was het soort paradijs dat beleidsmakers graag als metafoor gebruiken voor een goed functionerende samenleving, mits iedereen zijn plaats kent en zijn snavel houdt, Mona Keijzer in het bijzonder. Zij is immers een wonderlijke speling van de natuur. 

En toen verzon een tijger iets nieuws. Innovatie is zelden een zegen. Hij joeg de paradijsvogels op, greep er één, en begon hem met veren en al te verorberen. Het evenwicht bleek een powerpoint-presentatie: overtuigend, maar met een klik verdwenen. Het werd allemaal in slow motion getoond, met op de achtergrond een liedje van The Beatles, We Can Work It Out, alsof zelfs het geweld onderhandelbaar was. De flamingo spartelde als een roze misverstand in de kaken van de vooruitgang. Ik dacht aan breaking news, aan pushberichten over aanslagen, aan politici die verklaren dat dit niet is wie wij zijn, terwijl het precies is wie wij telkens weer blijken te zijn.

Laat niemand mij nog vertellen dat de natuur mooi is omdat alles zo ingenieus in elkaar steekt. Het enige wat ingenieus is, is de snelheid waarmee iets leeft en sterft. Als mijn kleinkinderen straks op school moeten leren dat een Intelligente Ontwerper dit alles heeft bedacht, dan stel ik mij die Ontwerper voor als een overwerkte programmeur die een bug heeft laten zitten in de code van de schepping: “predestinatie werkt zoals bedoeld.” Misschien heeft Hij het project allang verlaten en draait de wereld op automatische piloot, een zelf-lerend algoritme dat steeds efficiënter vernietigt wat het zelf produceert. Artificial intelligence als voortzetting van natuurlijke domheid met andere middelen.

De natuur deugt niet, om over een God maar te zwijgen. We zijn allen geneigd tot het kwaad, maar we hebben het inmiddels geüpdatet naar een premium-versie. In elk mens schuilt een potentiële terrorist, of op zijn minst iemand die in een anonieme commentaar-sectie de wereld wil zien branden. En toch is er iets in de mens, met al zijn kwetsbaarheid en zondigheid, dat groter is dan welke God dan ook: het vermogen om te beseffen dat het misgaat, om te rouwen om een paradijsvoge, of om een liedje ironisch te vinden. Als ik Jahweh, God of Allah was, ik zou mij de ogen uit de kop schamen, maar zelfs schaamte lijkt een luxeproduct geworden, alleen verkrijgbaar voor wie het zich kan veroorloven.

Alles gaat dood in de natuur, zelfs mensen, zelfs beschavingen, zelfs trending topics. We zijn denkend riet, zei Pascal, en het riet staat tegenwoordig in een datacentrum te ritselen. We are all mortal, zei iemand, misschien John F. Kennedy, misschien een meme die hem citeerde. Ik zoek het op, want alles is terug te vinden. Niets verdwijnt terwijl alles verdwijnt. Onze berichten blijven bewaard op servers onder de poolkappen, die ondertussen smelten. Eleanor Rigby ligt nog steeds te wachten in haar graf, Father McKenzie repeteert zijn preek, de gorilla likt zijn lippen af, en ergens speelt een algoritme We Can Work It Out voor een publiek dat allang is opgegeten.

Misschien is dat de ware moraal: dat de wereld een eindeloze herhaling is van een refrein zonder couplet, een lus waarin geweld en schoonheid elkaar afwisselen als dag en nacht. En wij maar zoeken naar betekenis, naar een plan, naar een ontwerper die uitlegt waarom de paradijsvogel roze moest zijn en de tijger hongerig. En vooral, waar komen al die eenzame mensen vandaan? Misschien is het antwoord dat er geen antwoord is, behalve dit: dat wij kijken, denken, vloeken, liefhebben, en ondanks alles blijven zingen. Terwijl het meer opdroogt, de begraafplaats volloopt en de droom opnieuw begint, somber als nat karton, maar hardnekkig als het refrein van een liedje dat je maar niet uit je hoofd krijgt.