“En Afrique, quand un vieillard meurt, c’est une bibliothèque qui brûle.”
(“In Afrika, wanneer een oude man sterft, is het alsof er een bibliotheek verbrandt.”)
Deze uitspraak wordt toegeschreven aan de Malinese schrijver en etnoloog Amadou Hampâté Bâ. Hij wilde ermee zeggen dat in culturen waar kennis vooral mondeling wordt overgedragen, een oudere niet alleen een persoon is, maar een archief van verhalen, herinneringen, genealogieën en inzichten. Als zo iemand sterft, gaat er een hele wereld verloren.
Als die woorden op iemand in Friesland van toepassing zijn, dan is het wel Peter Karstkarel, die vorige week vrijdag overleed, tachtig jaar oud. Gisteren was zijn uitvaart in Goutum. Zijn laatste jaren waren niet gemakkelijk, en ook in zijn beste jaren was Peter geen eenvoudige man. Maar hij was uitzonderlijk. Een figuur van het zeldzame soort. Hij droeg een complete bibliotheek in zijn hoofd , niet alleen van feiten, maar van verbanden, verhalen en oordelen.
Peter was kunsthistoricus en publicist, onvermoeibaar pleitbezorger van monumentenzorg, kenner van kerken, begraafplaatsen en dorpsgezichten. Hij schreef standaardwerken over Friese kerkgebouwen en funerair erfgoed en wist als geen ander hoe architectuur, landschap en geschiedenis in elkaar grijpen. Hij kon zich opwinden over een misplaatst kozijn of een verknoeide restauratie, maar evengoed lyrisch worden over een goed geproportioneerde toren of een zorgvuldig gesneden kapitelenrij. Voor hem was schoonheid geen vrijblijvende smaak, maar een kwestie van beschaving.
Lange tijd woonde ik bij hem om de hoek. Tegen negenen ’s avonds kon hij zomaar binnenvallen, gedreven door een gedachte die hij móést delen. Op een foto van zo’n twintig jaar geleden zit hij op een nieuwe bureaustoel die ik net had gekocht. In de kamer lag een kapiteinspet van de Titanic. Zonder aarzelen zette hij die op zijn hoofd. Zo heb ik hem vastgelegd: Kapitein Karstkarel. En een kapitein was hij, iemand die koers hield, ook tegen de stroom in.
Ik herinner me hoe we ooit samen over een onooglijk begraafplaatsje bij Wommels liepen. Peter werkte toen aan zijn boek over Friese begraafplaatsen. Langs de weg naar Bolsward ligt daar een klein grafveld, verscholen achter strak geknipte heggen. We dwaalden tussen graven met aandoenlijke, soms hartverscheurende teksten, gebeiteld in de meest wonderlijke typografie. Aan het einde lag een vers gedolven graf, bedekt met bloemen. Het winterlicht trok al uit de lucht toen we spraken over grafteksten en over fouten in steen. Een tikfout kun je herstellen, maar een beitelfout is definitief. Soms verdwijnen grafstenen zelfs helemaal. De steen waaraan Peter de titel van zijn boek ontleende — ‘Dag, mijn liever moeder’ — bleek later spoorloos verdwenen toen hij er met een cameraploeg van Omrop Fryslân naar terug wilde keren. Ook dat hoorde bij zijn werk: vastleggen wat dreigt te verdwijnen.
Ik had gedacht dat Peter zelf ooit begraven zou worden op zo’n kleine, stille Friese begraafplaats die hij zo liefhad. Maar het liep anders. Tijdens de uitvaart dwaalden mijn gedachten af naar “De verschrikkelijke bustocht” die we drieëntwintig jaar geleden organiseerden. In een bus trokken we langs wat wij beschouwden als de grootste architectonische missers van Friesland. In Birdaard werden we opgewacht door een haag van boze bewoners met spandoeken. De dag ervoor had het NOS Journaal al gebeld. Op de dag zelf werden we belaagd door media; zes cameraploegen volgden de tocht. Peter sprak onderweg zijn vlammende tirades uit tegen alles wat in zijn ogen smakeloos, gemakzuchtig of historisch blind was. Zijn stem werd gaandeweg heser, maar zijn verontwaardiging bleef onvermoeibaar.
We plakten stickers met ‘FOUT!’ op gebouwen die volgens ons de toets der kritiek niet konden doorstaan. Dat was provocerend, misschien te provocerend. Er volgden ingezonden stukken van verontwaardigde burgers die ons van smaakterreur beschuldigden. En misschien hadden ze deels gelijk. Maar de discussie was geopend: wat is goede architectuur? Wie bepaalt dat? En welke verantwoordelijkheid heb je tegenover het landschap en de geschiedenis?
Daar lag Peters kracht. Hij was een zelfbenoemde politieagent van de goede smaak, maar tegelijk een bevlogen popularisator van kunst en cultuur. Hij kon streng oordelen, maar zijn strengheid kwam voort uit liefde, voor het Friese erfgoed, voor ambachtelijkheid, voor schoonheid die de tijd kan doorstaan. Hij wist dat gebouwen geen losse objecten zijn, maar dragers van herinnering. Net als mensen.
Het is 23 juli 2000, de laatste dag van het Frysk Festival, dat gelieerd was aan Simmer 2000. Op de foto staan, van links naar rechts: Gryt van Duinen, ondergetekende, Metsje Gerlsma en Peter Karstkarel. Een momentopname, maar voor mij is het meer dan dat. Het is een herinnering aan een bijzondere manier van samenwerken, een gedeeld élan. Zo zou ik me Peter het liefst blijven herinneren: als deel van een dreamteam. Als iemand die midden tussen de mensen stond, gedreven, eigenzinnig, overtuigd van de kracht van cultuur van onderop.
Gisteren passeerden al zijn grote verdiensten voor de cultuur in Friesland nog eenmaal de revue in de verhalen van Asing Walthaus, Geart de Vries en Ed Bausch. Het waren mooie verhalen waaruit een treffend beeld oprees. Peter zelf kon ook spreken als Brugman, zo goed zelfs dat hij zelf wel eens niet meer leek te weten waar hij ooit zou moeten eindigen. Maar alles heeft zijn bestemde tijd – zo luiden de woorden uit het Bijbelboek Prediker. Ook voor Peter gold dat. Hij wist ogenschijnlijk alles van architectuur, muziek, beeldende kunst en literatuur – en van nog veel meer. Zijn geest was encyclopedisch, zijn pen scherp en trefzeker.
Met zijn dood is er in Friesland een bibliotheek verbrand. Gelukkig blijven zijn boeken, zijn artikelen, zijn televisieoptredens en de talloze discussies die hij heeft aangezwengeld. Maar wie hem heeft gekend, weet: geen enkel boek kan helemaal vervangen wat er in zijn hoofd zat.


