Dames, heren, non-binaire toehoorders en overige levensvormen, laat ons beginnen bij het feitelijke fundament van elke beschaving: een hond schijt! Niet metaforisch. Niet discursief. Niet problematiserend. Hij schijt daadwerkelijk, op straat, in het gras, naast een gevel die is aangewezen als gemeentelijk erfgoed. Hij doet dat zonder toestemming, zonder subsidie, zonder moreel kompas en zonder evaluatieformulier achteraf. Hij pist tegen tafelpoten, tegen kinderwagens, tegen de belofte van vooruitgang.
Hij laat scheten in gezelschap — niet als statement, niet ironisch, maar als bijwerking van het bestaan. Hij masturbeert op de broekspijpen van zijn baas, niet uit een trauma, niet uit verzet, maar omdat die broekspijp er nu eenmaal is. En bij tijd en wijle ledigt hij zijn maag op een Perzisch tapijt, bij voorkeur dat van de buurman die net een cursus Zen-meditatie heeft gevolgd.
Kortom: een hond kent geen decorum. En precies daarom is hij vandaag de dag onaanvaardbaar.Alles wat wij in tweeduizend jaar beschaving hebben opgebouwd — moraal, smaak, esthetiek, etiquette, cultuurbeleid, gedragsregels, privacyverklaringen — wordt door de hond ontmaskerd als wat het is: een krampachtig keurslijf om het lichaam buiten spel te zetten. De hond is de levende thermostaat van de beschaving.
Met zijn huiselijkheid, zijn trouw en zijn bereidheid tot domesticatie staat hij exact halverwege natuur en cultuur, zoals een ceremoniemeester wiens gulp open staat. Hij is noch wild, noch beschaafd. Hij is een overgangsvorm, een lek in het systeem, een foutmelding. Op die tweesprong speelt hij een dankbare dubbelrol: hij herinnert ons aan onze ongekunstelde oorsprong, terwijl hij tegelijkertijd bereid is al onze kunstjes uit te voeren — zitten, liggen, rollen — zolang daar maar een koekje tegenover staat. Hij laat ons in de waan iets te willen leren, terwijl hij alleen maar toont wat wij systematisch hebben afgeleerd.
Hij apporteert voortdurend wat wij definitief hebben weggegooid: de impuls om te spelen zonder doel, onbeschaamdheid zonder valse schaamte, vrijpostigheid zonder context, de taal van het instinct zonder vertaling, het koninkrijk van de geuren zonder recensie in een culinair maandblad, het tijdloze paradijs van het zomaar er zijn, zonder planning, zonder groei, vooral …zonder overleg in het management team.
Wij houden van honden omdat wij ooit, op de drempel van onze beschaving, de hond in onszelf hebben achtergelaten. Misschien hebben we hem vastgebonden aan een boom, zoals men dat doet met ongewenste herinneringen. Misschien was het de boom van kennis van goed en kwaad, voorzien van een QR-code. En terwijl wij werden verdreven uit het paradijs — wegens overtreding van de gebruiksvoorwaarden — besloten wij aan cultuur te gaan doen. Wat wij kunst zijn gaan noemen is een voortdurende uiting van geheugenverlies. Natura Amnesiae Magistra.
Maar de hond heeft zich losgerukt. Hij is ons achterna gerend. Hij is bij ons ingetrokken toen wij ons eerste vuurtje stookten en later onze eerste verzekeringen afsloten. Hij bleef bij ons toen wij, zoals Nietzsche zei, de kunst uitvonden om niet aan de waarheid te gronde te gaan… en daarna ook de kunst om de waarheid te cureren, te contextualiseren en te neutraliseren.
Er bestaat een oud verhaal — ouder dan elk hondensprookje — dat God, nog vóór Hij de wereld schiep, een hond had. Geen engel, geen raadgever, geen mental coach…. een hond. Het was zijn trouwe hemeldier, waarvan nooit duidelijk is geworden sinds wanneer het deze viervoeter hem vergezelde langs het ijskoude firmament. Misschien was de hond er eerder dan God. Misschien was God ooit een hond, voordat hij verantwoordelijkheid kreeg toebedeeld en zijn hondengeheugen vergat.
De hond staat voor alles wat er altijd al was. Hij is de keerzijde van de schepping, de omgekeerde Muze, de achterkant van het sublieme, het spiegelbeeld van God. Niet voor niets laat het Engelse woord DOG nog altijd de letters van GOD in spiegelbeeld zien, een theologisch detail dat inmiddels als complottheorie is gefactcheckt. Elke avond lag die hond aan Gods voeten — zeven dagen van de week — tot de oude man eindelijk zag dat het goed was en zei: “It’s been a hard day’s night and I’ve been working like a dog.”
De hondse esthetica waarvoor ik hier pleit, vindt zijn oorsprong dan ook niet in God, hemel of verhevenheid. Het domein van de hond is de goot. In de hemel is geen plaats voor hondendrollen. Het koninkrijk van de hond is van deze wereld: slijk, stof, aarde en geuren..voral geuren. Sinds de dag dat de mens besloot rechtop te lopen — de grootste ramp uit de evolutie — heeft hij zijn neus afgewend van het ware leven.Een hond ruikt nog elke dag de nieuwe geuren van de straat alsof hij de ochtendkrant leest
Op het moment dat wij van viervoeters tweevoeters werden, bevond onze neus zich niet langer op gelijke hoogte met de genitaliën en de anus. Sindsdien heeft er een aardverschuiving plaatsgevonden in het rijk van onze zintuigen. Het oog heeft de functie van de neus overgenomen. Wij zijn machteloze voyeurs geworden, kijkend naar wat wij niet meer durven ruiken. Wij hebben kunst uitgevonden als compensatie.
We vergapen ons aan de Venus van Milo, maar zijn te geremd om nog ongegeneerd tegen haar sokkel te urineren. We analyseren de glimlach van de Mona Lisa, maar durven niet meer te vragen — zoals Duchamp — of zij misschien een warm poesje heeft….. Elle a chaud au cul.…She has a hot ass....Wij hebben een – in wezen – pornografische esthetica ontwikkeld omdat we de immense schoonheid van onze uitwerpselen niet meer kunnen verdragen.
Onze reukzin is verzwakt, ons libido verschoven, onze driften gedelegeerd aan therapeuten die er ook geen raad mee weten. Cultuur is verbonden geraakt met een obsessie voor hygiëne. Met de uitvinding van de kunst hebben we de hondse esthetica letterlijk om zeep geholpen. En zo werd de hond in de kunst een karikatuur. Schoothondje. Jachthond. Straathond. Symbool. Metafoor. Decorstuk. Kortom, nooit meer hond.
Tot Diogenes verscheen, de eerste mens die besloot als hond te leven en daarom filosoof werd. Hij ging in een ton wonen, schoffeerde Plato met scheten, masturbeerde op de markt uit pedagogische overwegingen en gooide zijn laatste bezit weg toen hij zag dat een hond ook zonder kon. Hij noemde het geen provocatie. Hij noemde het waarheid. En sindsdien zijn er af en toe honden opgestaan in de kunst: Dada, Fluxus, Punk, Provo. Beuys met zijn coyote. Koelik die blaffend over trottoirs kroop. Zij allen zeiden: genoeg netheid, genoeg kunst met een grote K, genoeg Pavlov-reacties op subsidie!
Vandaag leven wij opnieuw in een tijd die om honden vraagt. AI denkt, maar ruikt niet. Algoritmen weten alles, behalve wanneer het genoeg is. Wij optimaliseren onszelf kapot. Maar er waart een spook door Europa: het spook van de hondse esthetica. Ik richt mij niet tot de armen van geest, niet tot het proletariaat, maar tot wie nog een neus heeft om te ruiken Kunstenaars aller landen, verenigt u! Maar niet als helden. Wordt honden. Pis op het pluche. Kotst op het tapijt. Weiger correct te zijn. Als gij niet wordt als honden, zult gij het koninkrijk van deze aarde niet binnengaan.
