
‘Ik heb een dubbelganger, die bovendien mijn eigen naam draagt.’ Met die merkwaardige bekentenis begon Menno ter Braak in 1938 zijn essay Een dubbelganger. Hij beschreef een man die dezelfde naam droeg als hijzelf, dezelfde geschiedenis leek te hebben en toch niet helemaal met hem samenviel. Die ander was de polemist, de cynicus, de man met de scherpe pen, die door zijn omgeving inmiddels was vastgelegd in een herkenbaar karakter. Ter Braak voelde zich verantwoordelijk voor het ontstaan van die figuur, maar verzette zich tegen de gedachte dat hij er ook volledig mee samenviel. Hij was immers nog altijd onderweg, terwijl zijn dubbelganger allang ergens was aangekomen. Bijna negentig jaar later blijkt deze gedachte een onverwachte actualiteit te hebben gekregen. In een tijd waarin kunstmatige intelligentie teksten kan schrijven, beelden kan maken en zelfs een herkenbare persoonlijkheid kan nabootsen, dringt zich opnieuw de vraag op wie er eigenlijk spreekt wanneer iemand iets zegt of schrijft. Misschien is de dubbelganger niet langer alleen de schaduw van de schrijver, maar ook degene die ongemerkt diens plaats achter het bureau inneemt.
Ik herken iets in Ter Braaks ervaring. Wie jarenlang schrijft, laat overal versies van zichzelf achter. Ze staan in boeken, artikelen, blogs en losse opmerkingen die ooit met grote overtuiging aan het papier zijn toevertrouwd. Op een dag lees je zo’n oude tekst terug en ontmoet je iemand die je wel herkent, maar die je toch niet meer helemaal bent. Zijn formuleringen zijn vertrouwd, zijn redeneringen soms verrassend, zijn zekerheden hier en daar ronduit gênant. Je zou hem willen corrigeren, maar hij heeft zijn tekst al jaren geleden afgesloten en laat zich niet meer onderbreken. Het verleden blijkt een gesprekspartner die niet luistert. Toch is die vroegere schrijver niet zomaar een vreemde. Hij heeft je gemaakt tot degene die je geworden bent, al kan hij je inmiddels ook behoorlijk in de weg zitten. Schrijven is kennelijk een vorm van zelfverdubbeling waarbij het resultaat zich aan de maker onttrekt. Je brengt een figuur voort die op jezelf lijkt en vervolgens moet je maar zien hoe je met hem verder leeft. Soms krijg ik zelfs de indruk dat ik niet meer schrijf om iets te ontdekken, maar om de man te bevestigen die eerder al over dat onderwerp heeft geschreven.
Ter Braak zag hoe gemakkelijk de publieke figuur een gevangenis kan worden. Wie eenmaal bekendstaat als polemist, moet voortdurend oppassen dat hij niet ook gaat denken als de polemist die zijn lezers verwachten. De reputatie begint de schrijver opdrachten te geven. Een milde gedachte wordt verdacht, een aarzelende formulering lijkt op verraad aan de eigen stijl. Zo kan iemand langzaam de gevangene worden van zijn vroegere vrijheid. Wat ooit een levendige gedachte was, verandert in een handelsmerk. De schrijver produceert dan niet langer alleen teksten, maar ook de continuïteit van zijn eigen personage. Het merkwaardige is dat dit proces niet noodzakelijk door anderen wordt opgelegd. De schrijver doet er zelf aan mee, uit ijdelheid, uit gemakzucht of uit angst om onherkenbaar te worden. Hij wordt de beheerder van zijn eigen reputatie en begint zijn vroegere werk te behandelen als een kostbaar bezit dat tegen iedere verandering moet worden beschermd. De dubbelganger hoeft hem niet langer te achtervolgen. Hij zit gewoon achter het bureau en kijkt toe of alles nog wel voldoende op de vorige aflevering lijkt.
Bij Naomi Klein krijgt dit verschijnsel een dimensie die nog dreigender is. In haar boek Dubbelganger (2023) beschrijft zij hoe ze voortdurend wordt verward met Naomi Wolf, de Amerikaanse schrijfster die zich van feministisch intellectueel ontwikkelde tot een prominent figuur in kringen van complotdenken en radicaal-rechtse politiek. Wat aanvankelijk een komische persoonsverwisseling lijkt, groeit uit tot een confrontatie met een alternatieve werkelijkheid. Uitspraken van de ene Naomi worden toegeschreven aan de andere; twee namen die bijna samenvallen, raken verbonden met denkwerelden die steeds verder uit elkaar drijven. Klein besluit haar naamgenote niet eenvoudigweg op afstand te houden, maar volgt haar de spiegelwereld in. Daar ontdekt ze dat een dubbelganger niet alleen een vervormde afbeelding van jezelf is. Hij kan ook toegang bieden tot een wereld waarin bekende zorgen, terechte verontwaardiging en begrijpelijk wantrouwen in een heel andere richting worden geleid. Dezelfde onvrede over economische ongelijkheid, machtsconcentratie en de invloed van grote ondernemingen kan uitmonden in een kritiek op bestaande machtsverhoudingen, maar ook in een gesloten verhaal waarin een geheime elite achter alles zit en ieder tegenbewijs de samenzwering alleen maar bevestigt.
De spiegelwereld is zo verleidelijk omdat zij niet volledig uit verzinsels bestaat. Er zijn werkelijk machtsverschillen, er bestaan belangen die aan het zicht worden onttrokken en er valt genoeg aan te merken op de manier waarop onze samenleving is ingericht. De vervorming begint wanneer een gedeeltelijke waarheid zich tot de hele waarheid uitroept. Dan wordt de wereld niet langer onderzocht, maar verklaard. Alles krijgt zijn vaste plaats in één allesomvattend verhaal, waarin twijfel verdacht wordt en de tegenstander niet meer kan worden gezien als iemand die zich vergist, maar alleen als iemand die bewust bedriegt. De dubbelganger is daardoor moeilijker te bestrijden dan een gewone leugenaar. Hij heeft iets waars in handen en gebruikt dat als onderpand voor alles wat hij er verder bij verzint. Juist het herkenbare maakt het ongerijmde geloofwaardig. Wie hem wil ontmaskeren, moet daarom meer doen dan aantonen dat hij ongelijk heeft. Hij moet ook begrijpen waarom zijn verhaal zo aantrekkelijk is geworden. De vraag is niet alleen welke leugen iemand gelooft, maar ook welke waarheid hij daarin probeert te redden.
Zo stuit je op een probleem dat inmiddels veel verder reikt dan de literaire wereld of de politieke spiegelkamers van Naomi Klein. Ook de schrijver krijgt tegenwoordig een dubbelganger die niet uitsluitend door zijn reputatie of zijn lezers wordt voortgebracht. Hij kan door een machine worden nagebootst. Kunstmatige intelligentie kan duizenden teksten van een auteur verwerken en vervolgens nieuwe teksten produceren die in toon, woordkeus en zinsbouw op diens werk lijken. De digitale dubbelganger heeft niet dezelfde herinneringen, twijfels of ervaringen als de oorspronkelijke schrijver, maar hij kan wel de indruk wekken dat hij ze bezit. Hij kent de stijl zonder de geschiedenis die eraan voorafging. Hij kan een overtuigende gedachte formuleren zonder zelf door de moeite van het denken te zijn gegaan. En hij kan de stem van de schrijver laten klinken op een moment waarop die schrijver zelf misschien allang iets anders zou willen zeggen. De oude dubbelganger van Ter Braak was ontstaan uit een opeenstapeling van menselijke ontmoetingen en misverstanden. De nieuwe kan worden samengesteld uit gegevens, patronen en waarschijnlijkheden. Hij hoeft niet eens meer een eigen leven te leiden. Het volstaat dat hij een geloofwaardige imitatie produceert.
In een interview in de NRC over de toekomst van kunstmatige intelligentie wijst AI-onderzoeker Ethan Mollick – auteur van Co-intellingentie, Slimmer werken met AI – op een paradox die hier van belang is. AI kan ons werk ingrijpend veranderen en ons in staat stellen dingen te doen die voorheen buiten ons bereik lagen. Maar wanneer we te veel aan de machine overlaten, dreigen we juist datgene kwijt te raken wat het werk voor ons betekenisvol maakt. Als AI het zoeken, onderzoeken, formuleren en bedenken voor haar rekening neemt, kan de mens achterblijven met het beoordelen van het eindresultaat. Mollick vat dat kernachtig samen: als je niet oplet, doet AI al het interessante werk en kijk jij zijn huiswerk na. Het is een geestige formulering, maar er gaat een ongemakkelijke waarheid achter schuil. De mens kan zijn productiviteit zien toenemen terwijl zijn eigen betrokkenheid bij het ontstaan van het product afneemt. Er verschijnt een tekst die beter gestructureerd is, een analyse die sneller tot stand komt of een beeld dat overtuigender oogt, maar de vraag blijft wat de maker zelf onderweg heeft ontdekt. Het eindresultaat kan verbeteren terwijl het proces waarin iemand zich ontwikkelt juist verarmt.
Voor een schrijver is dat geen theoretische kwestie. Schrijven is niet alleen het vastleggen van gedachten die al in het hoofd aanwezig zijn. Het is ook een manier om erachter te komen wat je denkt. Een zin die niet wil lopen, een redenering die vastloopt of een beeld dat zich onverwacht aandient, kan je op een gedachte brengen die je vooraf niet had kunnen bedenken. Juist de omweg, de mislukking en de ergernis behoren tot het werk. Wie die allemaal uitbesteedt, kan een keurig resultaat overhouden en toch iets wezenlijks missen. Mollick wijst erop dat leerlingen met behulp van AI soms meer vertrouwen krijgen in hun voorbereiding, terwijl hun prestaties uiteindelijk achterblijven. Dat verschil tussen het gevoel iets te kunnen en het daadwerkelijk beheersen ervan is ook bij schrijven van belang. Wie een door AI gemaakte tekst vlot kan beoordelen, hoeft daarom nog niet in staat te zijn zelf zo’n tekst te schrijven. En wie een machine een overtuigende analyse laat maken, heeft daarmee nog niet de denkweg afgelegd die nodig is om de analyse werkelijk te begrijpen. Gemak kan de indruk van deskundigheid wekken zonder dat de deskundigheid zelf evenredig groeit.
Dat betekent niet dat we de machine buiten de deur moeten houden. Mollick onderscheidt verschillende manieren waarop mensen met AI kunnen samenwerken: als een centaur die bepaalde taken uitbesteedt maar het belangrijkste werk zelf doet, als een cyborg die de machine voortdurend in zijn denkproces verweeft, of als een soort tovenaar die meerdere zelfstandige AI-agenten opdrachten geeft en hun resultaten achteraf beoordeelt. Vooral die laatste mogelijkheid maakt duidelijk hoe de verhouding kan veranderen. De mens wordt dan de manager van een digitale arbeidsmacht die steeds meer werk produceert, terwijl hij zelf vooral nog controleert, selecteert en bijstuurt. Dat kan een enorme uitbreiding van menselijke mogelijkheden betekenen. Maar het kan ook een vreemde vorm van vervreemding opleveren: je bent verantwoordelijk voor een productieproces waarvan je de afzonderlijke stappen niet meer zelf hebt doorlopen. Je wordt de opzichter van je eigen afwezigheid. De machine werkt, de teksten verschijnen, de resultaten stapelen zich op en jij mag bepalen welke ervan goed genoeg zijn om de wereld in te sturen. De vraag is dan niet alleen hoeveel werk je kunt verzetten, maar ook hoeveel van dat werk nog werkelijk van jou is.
In alle drie de gevallen – Ter Braak, Klein en Mollick ontstaat een afstand tussen degene die iets voortbrengt en datgene wat hij heeft voortgebracht. Die afstand hoeft niet onmiddellijk gevaarlijk te zijn. Zonder afstand zouden we onze eigen gedachten nooit kunnen onderzoeken, onze teksten niet kunnen herzien en onze overtuigingen niet kunnen veranderen. Het probleem begint wanneer de afstand onzichtbaar wordt, wanneer we niet meer beseffen dat er iets tussen onszelf en onze schepping is komen te staan. Dan gaan we het voortgebrachte aanzien voor onszelf, of erger nog: we laten het bepalen wie we voortaan moeten zijn.
Daarom is oordeelsvermogen misschien wel de belangrijkste menselijke eigenschap in het tijdperk van de digitale dubbelganger. Mollick benadrukt dat AI grillig presteert: soms verbluffend goed, soms op een manier die zelfs een beginneling niet zou verwachten. Het vermogen om kwaliteit te herkennen, fouten te ontdekken en te bepalen wat werkelijk waardevol is, wordt daardoor belangrijker dan ooit. Maar dat oordeelsvermogen valt niet uit de lucht. Het ontstaat door ervaring, door kennis en door de bereidheid om zelf iets te onderzoeken voordat je het oordeel aan een ander of aan een machine overlaat. Een schrijver moet niet alleen kunnen vaststellen of een tekst goed klinkt, maar ook of hij iets zegt wat hij werkelijk wil zeggen. Een burger moet niet alleen kunnen herkennen dat een verhaal overtuigend is, maar ook onderzoeken waarop die overtuigingskracht berust. In beide gevallen is kritisch denken meer dan het aanwijzen van fouten achteraf. Het vraagt om een eigen verhouding tot de werkelijkheid, een verhouding die niet volledig kan worden uitbesteed zonder dat zij uiteindelijk verdwijnt.
Toch schuilt er ook in dit pleidooi voor menselijk oordeelsvermogen een dubbelganger. We kunnen onszelf gemakkelijk wijsmaken dat wij degenen zijn die nog altijd het overzicht bewaren, terwijl we in werkelijkheid steeds afhankelijker worden van systemen die de mogelijkheden al voor ons hebben geselecteerd. Ook de schrijver die trots verklaart dat hij de tekst van de machine kritisch heeft beoordeeld, kan vergeten dat de machine de eerste formuleringen, de argumenten en zelfs de denkbare conclusies heeft aangereikt. Zijn oordeel is dan misschien wel zelfstandig, maar het speelt zich af binnen een kader dat hij niet zelf heeft ontworpen. Hetzelfde geldt voor de politieke burger die zich onaantastbaar waant omdat hij de propaganda van de tegenpartij onmiddellijk doorziet. Misschien is hij minder onafhankelijk dan hij denkt. De eigenwaan van de kritische geest kan net zo goed een spiegelwereld voortbrengen als het blinde geloof in een samenzwering. Wie zichzelf voortdurend aan de goede kant van de waarheid situeert, loopt het risico dat hij niet meer merkt wanneer zijn eigen overtuigingen de werkelijkheid beginnen te vervormen.
De belangrijkste les van de dubbelganger is dat we hem niet hoeven uit te bannen, want zonder een zekere zelfverdubbeling zou er nauwelijks ruimte zijn voor reflectie, verbeelding of creativiteit. De schrijver moet zijn eigen werk kunnen lezen alsof het door iemand anders is gemaakt. De burger moet afstand kunnen nemen van zijn eigen overtuigingen. En de gebruiker van AI moet bereid zijn een overtuigend resultaat te verwerpen wanneer het niet deugt, of de machine juist te volgen wanneer zij iets laat zien wat hij zelf over het hoofd had gezien. Maar die afstand vraagt om een voortdurende beweging heen en weer. Je moet jezelf kunnen herkennen in wat je hebt voortgebracht, zonder ermee samen te vallen. Je moet de ander kunnen begrijpen zonder hem gelijk te geven. En je moet de machine kunnen gebruiken zonder jezelf louter tot haar controleur te reduceren. Dat is een lastig evenwicht, juist omdat de dubbelganger vaak aantrekkelijker is dan degene die hij nabootst. Hij is herkenbaar, efficiënt en vrij van de aarzelingen die het oorspronkelijke werk zo vermoeiend kunnen maken.
De schrijver die zijn oude teksten herleest. kan besluiten ze te herschrijven, maar daarmee verandert hij niet wat er ooit heeft gestaan. Hij kan zich ervan distantiëren, maar ook dat behoort inmiddels tot zijn geschiedenis. Misschien moet hij aanvaarden dat hij nooit volledig de baas zal zijn over de figuren die hij zelf heeft voortgebracht. Dat geldt ook voor de digitale dubbelganger. Zodra een tekst eenmaal in de wereld is, kan hij worden gekopieerd, nagebootst en opnieuw gebruikt, soms op manieren die de maker niet had voorzien. De vraag is dan hoe je ervoor kunt zorgen dat de afstand tussen maker en maaksel niet verandert in een totale vervreemding. Ter Braak wilde niet worden vastgelegd als de man die hij ooit was geweest. Klein waarschuwt voor een wereld waarin het spiegelbeeld zich voordoet als de enige werkelijkheid. Mollick tenslotte vraagt ons na te denken over het werk dat we zelf willen blijven doen.
Hoe dan ook, je moet altijd de vrijheid behouden om zelf iets voort te brengen, maar ook de vrijheid om het voortgebrachte niet langer zelf te zijn. Want de gevaarlijkste dubbelganger is niet degene die mij tegenspreekt, mijn naam draagt of mijn stijl nabootst. Het is degene die mij het interessante werk uit handen neemt en mij vervolgens laat geloven dat ik nog altijd degene ben die schrijft. Dat is de rode lijn die ik in de gaten moet houden. Maar wat, als iemand mij zou vertellen dat ik die rode lijn allang gepasseerd ben?