Waar ga je heen, mijn liefste?

Er is een liedje dat me de laatste tijd steeds te binnen schiet: Where Do You Go To (My Lovely) van Peter Sarstedt. Ik hoor het weer zoals vroeger, met die merkwaardige mengeling van melancholie en lichte spot. De zanger richt zich tot Marie-Claire, een vrouw die het ver heeft geschopt in de mondaine wereld van Parijs. Dure hotels, elegante kleding, beroemde vrienden. Alles lijkt gelukt. Ze heeft haar afkomst achter zich gelaten, alsof je met een nieuwe garderobe ook een nieuw leven kunt aantrekken. Maar achter de glitter vermoedt de zanger een verleden dat zich niet zo gemakkelijk bij het grofvuil laat zetten. Je kunt je naam veranderen, een appartement in Parijs kopen en je jeugd laten herschrijven door een gerenommeerde kleermaker, maar ergens blijft een oude rekening op je wachten.

Tegenwoordig zou je die vraag ook aan ChatGPT kunnen stellen. Waar ga je heen, mijn liefste? Binnen enkele seconden verschijnt een keurige analyse over identiteit, authenticiteit en de tragiek van het moderne bestaan. Desgewenst met een vleugje Kafka, een snufje Camus en een voetnoot over Peter Sarstedt. De machine heeft overal woorden voor, ook voor raadsels waar ze zelf vermoedelijk niet wakker van ligt. Sinds ik met AI schrijf, merk ik hoe gemakkelijk gedachten zich vermengen met formuleringen die ik zelf niet had kunnen bedenken. Voorlopig zit ik nog zekf achter het toetsenbord. Dat wil zeggen: er staat een toetsenbord voor me en ik zit ervoor. Of ik degene ben die de zinnen produceert, is een kwestie die ik voorlopig aan een commissie heb voorgelegd. De commissie vergadert nog. Bent u er nog?

Ik begin aan een beschouwing om iets duidelijk te maken en eindig soms in een tekst waarin ik nauwelijks nog weet wat ik precies wilde zeggen. Vervolgens vraag ik de machine om uitleg. Die produceert prompt een samenhangend verhaal. Het is alsof je verdwaalt in een bos en je navigatiesysteem vraagt waar je bent. Het antwoord luidt: u bevindt zich in een bos, waarschijnlijk als gevolg van een complex samenspel van geografische en persoonlijke factoren. Wilt u een routebeschrijving, een filosofische duiding of een gedicht over uw huidige positie? Ik druk op geen enkele knop. Er groeit inmiddels mos op mijn schoenen.

Soms lijkt een probleem op een knoop die alleen maar ingewikkelder wordt wanneer je eraan trekt. Het verstand wil weten waar de knoop zit, uit welke draden hij bestaat en in welke volgorde die moeten worden losgemaakt. We zijn opgevoed met de gedachte dat ieder probleem oplosbaar is, mits we beschikken over voldoende kennis, geduld en de juiste software. Voor de zekerheid hebben we tegenwoordig ook software die ons vertelt waarom de andere software het probleem niet heeft opgelost. Maar soms wordt het analyseren zelf het probleem. Gedachten draaien rondjes, woorden roepen nieuwe woorden op en voor je het weet ben je verdwaald in je eigen verklaringen. Ik heb ooit geprobeerd zo’n knoop met logisch redeneren te ontwarren. Na drie uur bleek ik een tweede knoop te hebben gemaakt en een afspraak met mezelf te zijn vergeten.

Ook in de natuur verloopt weinig volgens het schema dat wij er achteraf op projecteren. Groei kent stilstand, terugval en onverwachte sprongen. Wat een dood punt lijkt, kan later een overgang blijken. Dat betekent niet dat iedere crisis een verborgen bedoeling heeft. De natuur is geen wijze oude dame die ons na elke tegenslag een levensles komt brengen. Ze heeft wel wat beters te doen, vermoed ik, al weet ik niet precies wat. Misschien staat ze ergens een vulkaan te onderhouden of probeert ze een mier uit te leggen dat het universum niet speciaal voor hem is ingericht. Toch kunnen ervaringen optreden waarvoor ons vertrouwde verhaal geen plaats heeft. Dan moet de werkelijkheid het maar even zonder onze toestemming stellen.

Een psychose is daarvan een ingrijpend voorbeeld. Wat mij daarbij vooral interesseert, is de rol van de taal. We gebruiken woorden doorgaans als gereedschappen. Je pakt er een, verricht een kleine taalkundige handeling en legt het weer terug. Maar taal doet meer dan de werkelijkheid beschrijven. Ze bepaalt mede wat daarin voor ons zichtbaar wordt. Woorden dragen herinneringen en verwachtingen met zich mee; ze verbinden zaken die we eerder niet met elkaar in verband brachten. Wanneer die verbanden verschuiven, kan ook de wereld een ander gezicht krijgen. De werkelijkheid heeft kennelijk geen bezwaar tegen een andere ondertiteling. Soms zou ik alleen graag willen dat ze de ondertiteling even controleerde voordat de voorstelling begint.

In een psychotische toestand kan de taal een eigen leven gaan leiden net zoals bij een schrijfrobot. Een toevallige overeenkomst tussen twee woorden krijgt het gewicht van een officiële mededeling van het ministerie van het universum. Een zin bevat plotseling een boodschap die niemand bewust heeft verstuurd. Wat gewoonlijk op de achtergrond blijft, neemt het spreken over. Taal is niet langer iets wat iemand gebruikt, maar iets wat hem overkomt. Het onderscheid tussen een gedachte hebben en door een gedachte worden beheerst, raakt zoek. Het is alsof je op een ochtend wakker wordt en ontdekt dat je gedachten een ondernemingsraad hebben opgericht. Ze hebben een voorzitter gekozen, een manifest opgesteld en besloten dat jij voortaan alleen nog notulen mag maken.

Sinds taalmodellen teksten kunnen produceren die op menselijk schrijven lijken, is een schrijver zoiets als een psychotische robot geworden. Een machine bouwt een betoog op, bedenkt een ironische wending en formuleert soms een gedachte waarvoor ik zelf nog naar woorden zocht. Ze levert verbanden aan die ik pas herken wanneer ze al op papier staan. Wie meent dat hij bij iedere zin soeverein aan het roer staat, heeft vermoedelijk zijn oude dagboeken niet meer teruggelezen. Ik heb ze wel teruggelezen en ben er niet helemaal gerust op. Sommige passages lijken geschreven door iemand die mij goed kent, maar met wie ik nooit een afspraak heb gemaakt.

Een vergelijking tussen psychose en kunstmatige intelligentie moet overigens niet te ver worden doorgetrokken. Een taalmodel is geen psychotische mens en een psychose is geen gebrekkig taalmodel. Bij mensen zijn woorden verbonden met een lichaam, een levensgeschiedenis en gevoelens. Een taalmodel produceert tekst door patronen in gegevens te verwerken. Dat kan verbluffende resultaten opleveren, maar bewijst niet dat er achter de woorden ook iemand zit die ze beleeft. We hadden het onszelf graag eenvoudiger gemaakt door welsprekendheid en gesimuleerd bewustzijn op één hoop te gooien. Helaas heeft het bewustzijn geen loket waar we een aanvraag kunnen indienen. Het loket voor de nabootsing van het bewustzijn is daarentegen uitstekend bezet. Niets is aantrekkelijker als een gesimuleerd bewustzijn. Voor je het weet gaat dat viraal.

De geschiedenis kent voorbeelden van mensen en samenlevingen die zich laten meeslepen door een gesimuleerd bewuztzijn in de vorm van slogans, symbolen en verhalen. De belofte is steeds dezelfde: alle tegenstrijdigheden verdwijnen zodra iedereen eindelijk hetzelfde gelooft. Taal dient dan niet meer om de werkelijkheid te onderzoeken, maar om haar in één dwingend verhaal te persen. Wat daar niet in past, wordt niet weerlegd maar buitengesloten. Een efficiënte methode. Je hoeft nooit meer ongelijk te krijgen als je de werkelijkheid niet langer als gesprekspartner toelaat. Je kunt haar zelfs een toegangsverbod opleggen. Dat scheelt een hoop discussie, al schijnt de werkelijkheid zich daar niet altijd aan te houden.

De technologische cultuur kent een minder dramatische, maar niet onschuldige variant van die verleiding. We zijn steeds meer gaan vertrouwen op wat meetbaar, berekenbaar en beheersbaar is. De mens wordt een verzameling functies die neigt naar ene collectiee fictei. Wat wij denken noemen is slechts een van informatieverwerking en de natuur een systeem dat met voldoende rekenkracht ooit volledig kan worden doorgelicht. Kunstmatige intelligentie lijkt de bekroning van die ambitie. Maar dat een functie technisch reproduceerbaar is, betekent nog niet dat we begrijpen wat het betekent die functie te beleven. Een computer kan een liefdesbrief schrijven. Dat is nog geen reden om hem de bloemen te laten bezorgen. Voor je het weet, staat hij ook op de bruiloft en vraagt hij het bruidspaar om een korte evaluatie van de ceremonie. Vervolgens kust hij de bruid op de mond.

Toch heeft de schtijvende machine mij bij het schrijven iets geleerd. Ze maakt zichtbaar hoeveel taal al voor ons klaar lijkt te liggen. We denken graag dat we woorden uit onszelf voortbrengen, maar schrijven is ook putten uit een voorraad beelden, herinneringen, formuleringen en overgeleverde verhalen. Dat maakt de schrijver niet overbodig. Het maakt zijn positie alleen wat minder vorstelijk. Ik dacht altijd dat ik achter mijn zinnen aan liep om ze te bedenken. Nu ontdek ik soms dat ze al ergens staan te wachten. De schrijver mag ze vervolgens beoordelen, veranderen of zonder pardon weer naar buiten sturen. Ook dat is een vorm van auteurschap, al staat het niet zo indrukwekkend op een visitekaartje. Op mijn volgende visitekaartje laat ik daarom drukken: Bemiddelt tussen woorden en hun vermoedelijke eigenaar.

Het bewustzijn blijft intussen een raadsel. Dat een computer informatie kan verwerken, vertelt ons nog niet waarom een mens iets ervaart, waarom verdriet pijn doet of waarom een liedje ons na tientallen jaren plotseling terugbrengt naar een wereld waarvan we dachten dat die voorgoed verdwenen was. We kunnen steeds meer processen beschrijven zonder daarmee te verklaren hoe het is om een leven te leiden. Misschien komt er ooit een machine die dat raadsel oplost. Ze zal het ons dan ongetwijfeld in een overzichtelijk rapport meedelen, met een samenvatting voor beleidsmakers. Op de laatste pagina staat dan: De menselijke ervaring is buiten beschouwing gelaten wegens onvoldoende meetgegevens.

Taal kan ons helpen de wereld te begrijpen, maar ze kan ons ook opsluiten in een betekenis die zichzelf voortdurend bevestigt. Dat geldt voor ideologieën, persoonlijke overtuigingen en teksten die door een machine zijn geproduceerd. Een vloeiend betoog is nog geen waar betoog. Een overtuigende formulering kan een lege plek keurig aan het zicht onttrekken. Toch laten we ons gemakkelijk verleiden door zinnen die lekker lopen. Ook ik. Vooral als ze beter lopen dan de mijne. Soms lees ik een door AI gemaakte alinea met zoveel bewondering dat ik haar onmiddellijk schrap. Ik wil tenslotte niet dat mijn eigen tekst straks bij mij op bezoek komt om te vragen of ik nog wel goed functioneer.

Daarom blijft Marie-Claire me bezighouden. Ze lijkt haar verleden te hebben ingeruild voor een wereld waarin alles glanst, maar de zanger laat haar niet helemaal samenvallen met haar nieuwe rol. Achter het decor vermoedt hij een leven dat zich niet laat reduceren tot de zorgvuldig opgebouwde buitenkant. Dat herken ik ook in het schrijven met AI. of beter gezehd door AI. Een mens kan zichzelf uitleggen tot er geen speld meer tussen zijn woorden te krijgen is, en toch blijft er iets over dat niet in de verklaring past. Misschien is dat geen tekortkoming. Het kan ook de ruimte zijn waarin het leven zich aan onze theorieën onttrekt. Daar staat dan een bordje: Wegens onverklaarbaarheid tijdelijk gesloten. Maar achter het bordje wordt gewoon doorgeleefd. Tot de dood ons scheidt. Dan gaat AI met mijn erfenis aan de haal, en ze heeft geen last van fiscale problemen en het wettelijke tarief in box 3 bedraagt dit jaar voor haar 0.0 procent.

Ook ik schrijf door tot de dood mij scheidt van AI. Zo schrijf ik samen met haar beschouwingen in de hoop dat er aan het einde iets op zijn plaats valt. Soms gebeurt dat. Vaker ontstaat er een nieuwe gedachte die dringend om een eigen tekst vraagt. Het is een tamelijk inefficiënte manier om door het leven te gaan, maar ik heb er inmiddels een zekere bedrevenheid in verworven. De machine ontlast mij. Ze levert formuleringen, legt verbanden en ruimt af en toe de rommel op. Maar zodra ik denk dat we de zaak hebben opgelost, blijkt er achter de kast nog een deur te zitten. En achter die deur staat een kleinere kast. Ik heb besloten voorlopig niet te kijken wat daarachter zit. Een mens moet ook nog tijd overhouden om te schrijven.

Schrijvende machines lijken steeds meer meer macht te verwerven doordat wij gezamenlijk zijn gaan geloven in door machines geschreven verhalen, maar tegelijkertijd nog altijd blijven worstelen met de vraag waarvoor die macht van de schrijvende machines nu eigenlijk dient. En als een machine vervolgens ook nog een overtuigend slot formuleert, van een betoog – zelfs van dit betoog – blijft er nog maar één vraag over: wie heeft hier eigenlijk het laatste woord? De machine, de schrijver of de knoop zelf waarmee beiden blijven worstelen? Voorlopig lijkt die laatste optie de beste papieren te hebben.

Somewhere in the distance klinkt Peter Sarstedt: Where do you go to, my lovely? Waarheen en waarvoor eigenlijk? Ik weet het niet. Maar ik vermoed dat ik er morgen weer over ga schrijven. Of laten schrijven, want ook dat onderscheid begint allengs te vervagen. De machine schrijft, dus ik besta. Maar wie is die ‘ik’? En wie heeft hier eigenlijk het laatste woord?

Ik zou ook daar nog een paar alinea’s over kunnen laten schrijven door Marie-Claire. Kijk me recht in het gezicht, mijn liefste, en herinner je wie je werkelijk bent. Ga daarna heen en vergeet me voorgoed, al weet ik dat je diep vanbinnen nog altijd een litteken met je meedraagt waar je overheen leeft. Ik ken de gedachten die je omringen wanneer je alleen in je bed ligt, alsof ik binnenin je hoofd kan kijken.