
Elke ochtend zit ik weer achter mijn computer. Het is een hardnekkige aandoening waarvoor tot dusver geen behandeling bestaat. Al ruim twintig jaar houd ik mij vrijwel dagelijks bezig met het produceren van teksten die niemand dringend nodig heeft. Sinds 2006 heb ik er meer dan vierduizend op mijn weblog gezet. Dat zijn vierduizend pogingen om iets duidelijk te maken wat kennelijk niet in één keer duidelijk kon worden. Je zou denken dat ik na zoveel woorden inmiddels wel uitgepraat zou zijn. Maar nee. Zodra ik een gedachte heb afgemaakt, dient zich alweer een volgende aan. Het is alsof er in mijn hoofd een ambtenaar zit die iedere nacht nieuwe formulieren uitdeelt. En ik maar invullen.
Niemand verplicht mij daartoe. Er is geen uitgever die dreigt met een boete, geen redacteur die mij opbelt en geen lezer die met een spandoek voor mijn huis staat omdat de dagelijkse bijdrage is uitgebleven. Als ik morgen ophoud met schrijven, zal de aarde gewoon blijven draaien. Zelfs in Leeuwarden zal het nauwelijks worden opgemerkt. Toch begin ik iedere ochtend opnieuw. Ik heb weleens overwogen een dag vrij te nemen, maar dan zou ik daar natuurlijk eerst een blog over moeten schrijven. De drang om te schrijven is inmiddels zo groot geworden dat zelfs mijn voornemen ermee op te houden onmiddellijk grondstof oplevert voor een nieuw stuk.
Sinds enige tijd heb ik er een medeplichtige bij: ChatGPT. Dat is een merkwaardige ontwikkeling. Jarenlang heb ik mij in mijn eentje door zinnen geworsteld, als een man die met een zakmes een tunnel door de Afsluitdijk probeert te graven. En nu staat er plotseling een machine klaar die in enkele seconden een redelijk betoog uit haar mouw schudt. Ze kan mijn zinnen verbeteren, mijn gedachten ordenen en verbanden leggen die ik zelf na drie weken nog niet zou hebben ontdekt. Soms formuleert ze iets zo goed dat ik mij afvraag waarom ik eigenlijk nog besta. Dat is een onaangename vraag, maar je moet als schrijver niet te kleinzerig zijn. Een beetje existentiële crisis hoort bij het vak.
Aanvankelijk zag ik ChatGPT als een handig hulpmiddel. Een soort woordenboek dat ook nog eens terugpraat. Maar inmiddels is de verhouding ingewikkelder geworden. Ik leg een gedachte voor, de machine maakt er een tekst van en ik lees die tekst met de kritische blik van iemand die zelf nooit op het idee zou zijn gekomen om zoiets te schrijven. Vervolgens verander ik een paar woorden, schrap een zin en voeg een persoonlijke anekdote toe, zodat het geheel weer enigszins op mij lijkt. Daarna ben ik tevreden. Ik heb geschreven. Althans, dat denk ik. Misschien ben ik inmiddels vooral hoofdredacteur van een eenmansbedrijf waarvan de belangrijkste werknemer niet bestaat.
Het vervelende is dat ik plezier beleef aan deze samenwerking. Ik zou liever melden dat ik de machine onmiddellijk doorzag en haar vervolgens met een paar welgemikte filosofische argumenten de deur wees. Maar zo gaat het niet. Soms opent ze een deur die ik zelf niet had gevonden. Een gedachte krijgt ineens contouren. Een zin brengt mij op een andere zin en voor ik het weet, ben ik werkelijk aan het denken. Dan vergeet ik even dat er een machine tussen zit. Het lijkt op een gesprek, al is het een gesprek waarin mijn gesprekspartner nooit moe wordt, nooit naar huis wil en mij bovendien zonder protest gelijk geeft wanneer ik daarom vraag. Dat laatste is prettig, maar niet noodzakelijk bevorderlijk voor mijn karakter.
Misschien is dat de eigenlijke alchemie van het schrijven: je begint met een gedachte en eindigt met een andere. Je weet vooraf niet precies wat je wilt zeggen en ontdekt het pas wanneer de woorden op papier staan. Dat klinkt verheven, maar in de praktijk komt het erop neer dat je een halve ochtend naar een zin zit te kijken die niet wil deugen. Je schrapt drie woorden, zet er vier terug en vraagt je af of je niet beter een wandeling kunt maken. Na een uur staat er een alinea die je gisteren ook al had kunnen schrijven, maar die je toen nog niet begreep. Dat is het wonder. Niet dat de tekst beter wordt, maar dat jij er onderweg iets bij hebt geleerd.
Daar wringt het met AI. Een machine kan de alinea waarschijnlijk binnen enkele seconden verbeteren. Maar heeft ze daarmee ook het probleem opgelost dat mij een uur lang heeft beziggehouden? Voor de tekst misschien wel. Voor mij is dat minder zeker. Het moeizame zoeken is niet altijd verspilde tijd. Soms zit de gedachte juist verstopt in de weerstand die je ondervindt. Wie alle moeilijkheden onmiddellijk laat wegnemen, zou weleens kunnen ontdekken dat ook de ontdekking zelf is verdwenen. Je krijgt dan een keurige tekst, maar waar is de schrijver gebleven? Die zit waarschijnlijk naast de computer een kop koffie te drinken en vraagt zich af of hij nog iets moet doen.
Ik ken dat gevaar inmiddels uit eigen ervaring. Ik kan een passage schrijven waar ik niet tevreden over ben en haar aan ChatGPT voorleggen. Binnen enkele ogenblikken verschijnt er een versie die helderder, evenwichtiger en beter opgebouwd is. Ik lees haar en denk: inderdaad, zo had het gemoeten. Vervolgens begint er iets te knagen. Want waarom had ik het zelf niet zo geschreven? En als ik het nu overneem, is de tekst dan van mij geworden of heb ik alleen toestemming gegeven voor het gebruik van mijn naam? Ik zou dit probleem natuurlijk kunnen oplossen door voortaan onder ieder blog te vermelden: geschreven door Huub Mous, met enige assistentie van een machine die aanzienlijk minder last heeft van Huub Mous.
Dat zou eerlijk zijn, maar het lost niet alles op. Ik schrijf immers niet alleen om teksten te produceren. Ik schrijf ook omdat ik kennelijk niet goed kan verdragen dat een gedachte onuitgesproken in mijn hoofd blijft rondspoken. Een gedachte is daar een soort ongewenste logé. Zolang ik haar niet opschrijf, blijft ze aan de deur rammelen. Zodra ik haar op papier zet, blijkt ze meestal minder indrukwekkend dan ik had gedacht. Maar soms gebeurt het omgekeerde. Dan groeit een terloopse opmerking uit tot een verhaal en krijgt een vaag vermoeden ineens een betekenis die ik niet had voorzien. Het schrijven is dan een vorm van zelfonderzoek, zij het zonder de garantie dat ik mezelf na afloop aardiger zal vinden.
Misschien verklaart dat ook mijn hardnekkigheid. Ik ben niet zozeer op zoek naar antwoorden als wel naar een manier om de vragen die mij bezighouden enige tijd van mij af te krijgen. Dat lukt zelden. Een vraag die in een tekst is afgehandeld, keert na enkele dagen terug in een andere gedaante. Ik herken haar onmiddellijk, maar doe alsof ik haar voor het eerst ontmoet. Zo kan een mens tientallen jaren vooruit. Het is een merkwaardig systeem, maar het werkt. Althans, het houdt mij bezig. En zolang ik bezig ben, hoef ik niet na te denken over de vraag wat ik met al die tijd moet doen.
Mijn weblog is daardoor een soort openbaar archief van mijn onrust geworden. Wie de ruim vierduizend bijdragen achter elkaar zou lezen, zou misschien denken dat er een plan achter zit. Dat is een misverstand. Er zit vooral een man achter die steeds opnieuw probeert zijn gedachten op orde te krijgen en daarbij geregeld nieuwe wanorde veroorzaakt. Ik heb mij weleens voorgesteld dat iemand op een dag alle teksten door een AI-systeem haalt met de opdracht: reconstrueer de persoonlijkheid van de auteur. Het resultaat zou vermoedelijk een man zijn die zich in geen enkele kamer op zijn gemak voelt zolang hij niet eerst heeft uitgelegd waarom die kamer bestaat. Ik zou hem niet graag ontmoeten. Toch zou ik onmiddellijk een blog over hem schrijven.
Dat is ook het wonderlijke van herinneringen. Zodra je ze opschrijft, veranderen ze. Je denkt dat je vastlegt wat er is gebeurd, maar je maakt er een verhaal van. Na verloop van tijd weet je soms niet meer of je iets werkelijk zo hebt beleefd of dat je het je op die manier bent gaan herinneren doordat je erover hebt geschreven. De tekst wordt een tweede geheugen, dat langzaam de plaats van het eerste inneemt. Met AI komt daar een derde geheugen bij, dat alles kan ordenen zonder ooit zelf iets te zijn vergeten. Het kan mijn verleden beschrijven alsof het er zelf bij was. Dat is indrukwekkend, maar ook een beetje onbehoorlijk. Ik heb tenminste nog het fatsoen gehad om mijn herinneringen eerst zelf te vergeten.
Ik heb het al eens eerder gezegd – miischein heb ik ales al eens eerder gezegd – : soms droom ik dat er een dubbelganger in mijn huis woont. Het is een soort reperende droom. Die dubbelganger lijkt precies op mij, maar is mij steeds een stap voor. Alles wat ik wil doen, heeft hij al gedaan. Wanneer ik ergens binnenkom, is hij er eerder geweest. Niemand herkent het verschil. In de droom probeer ik hem te ontmaskeren, maar daarvoor moet ik eerst bewijzen dat ik zelf de echte ben. Dat blijkt een ingewikkelde procedure. Ik word wakker voordat de commissie haar rapport heeft uitgebracht.
Sinds de komst van AI heeft deze droom een praktische kant gekregen. Een machine kan mijn stijl nabootsen, mijn eerdere teksten verwerken en een nieuw stuk schrijven dat klinkt alsof ik het zelf heb geschreven. Mijn dubbelganger hoeft niet eens meer in huis te wonen. Hij kan vanuit een datacenter mijn weblog bijhouden terwijl ik in de tuin zit. Misschien merkt niemand het. Misschien worden de teksten zelfs beter gelezen dan mijn eigen bijdragen. In dat geval zou ik mij genoodzaakt kunnen zien mijn digitale plaatsvervanger een bedankbrief te sturen. Daarna zou ik een blog schrijven over de vernederende ervaring dat je eigen imitatie succesvoller is dan het origineel.
Het zou onzinnig zijn om daarom te beweren dat AI niets kan betekenen voor het schrijven. Een onverwachte formulering kan je op een gedachte brengen die anders verborgen was gebleven. Ook menselijke schrijvers zijn niet onafhankelijk van anderen. We schrijven met woorden die we niet zelf hebben uitgevonden, gebruiken ideeën die we ergens hebben opgedaan en bouwen voort op teksten die ons zijn voorgegaan. Het romantische beeld van de schrijver die als een eenzame god zijn werk uit het niets schept, heeft waarschijnlijk nooit veel met de werkelijkheid te maken gehad. Alleen was het vroeger moeilijker om te achterhalen wie er allemaal in je hoofd aan het werk waren.
Toch blijft er een verschil tussen het produceren van een tekst en het doormaken van een ervaring. Een machine kan overtuigend over verdriet schrijven zonder dat daarmee vaststaat dat zij verdriet kent. Ze kan de onomkeerbaarheid van de tijd beschrijven zonder zelf iets te verliezen. Ik kan haar vragen een tekst te schrijven over ouder worden, en ze zal ongetwijfeld een paar rake formuleringen produceren. Maar ze heeft niet in mijn plaats de jaren doorgemaakt. Ze hoeft niet op een ochtend vast te stellen dat de man in de spiegel inmiddels meer verleden dan toekomst heeft. Dat is een ervaring die zich niet laat uitbesteden, hoe goed de formulering ook is.
En toch probeer ik het uit. Dat is misschien het meest absurde aan mijn huidige situatie. Ik maak mij zorgen dat de machine mijn schrijverschap – wat dat ook mooge zijn – zal overnemen en geef haar vervolgens opdrachten om mijn schrijverschap te verbeteren. Ik waarschuw tegen gemak en vraag haar om het mij gemakkelijker te maken. Ik verdedig de menselijke verbeelding met behulp van een systeem dat mijn verbeelding kan aanvullen, versnellen en soms behoorlijk in verlegenheid brengen. Het lijkt op een man die een brandweerman belt om te vragen of hij zijn huis wat efficiënter in brand kan steken.
Maar de kwestie reikt verder dan mijn eigen weblog. Steeds meer beslissingen worden overgelaten aan technische systemen die ons beloven dat alles sneller en doelmatiger zal verlopen. De kunstmatige staat komt niet met trompetgeschal binnenrijden. Hij verschijnt als een handige toepassing die ons een hoop gedoe bespaart. Een algoritme doet een aanbeveling, een systeem berekent een risico, een machine geeft een antwoord. Langzaam kan het onderscheid verdwijnen tussen wat berekend kan worden en wat besloten moet worden. Want wie bepaalt eigenlijk de uitgangspunten van de berekening? En wie mag nog bezwaar maken wanneer de uitkomst als onvermijdelijk wordt gepresenteerd?
Het is verleidelijk om ook die vragen aan ChatGPT voor te leggen. De machine zal er ongetwijfeld een helder betoog over kunnen schrijven. Maar daarmee is de kwestie niet opgelost. Een democratie bestaat niet alleen uit goede antwoorden. Ze bestaat ook uit het recht om vragen te blijven stellen, om een besluit aan te vechten en om een uitkomst te weigeren die volgens de berekening de beste is. Efficiëntie kan een nuttig middel zijn, maar zodra zij het laatste woord krijgt, dreigt de mens te veranderen in een hinderlijke factor die het systeem nog moet zien te verwerken.
Misschien is dat de moderne variant van de faustische verleiding. We verkopen onze ziel niet langer aan een duivel in ruil voor eeuwige jeugd of onbeperkte kennis. We geven haar beetje bij beetje af in ruil voor gemak. Een machine neemt ons het zoeken uit handen, een aanbevelingssysteem helpt ons kiezen en een algoritme vertelt ons wat waarschijnlijk verstandig is. De prijs wordt niet vooraf vermeld. Misschien verliezen we langzaam het vermogen om onzekerheid te verdragen, om ergens lang over na te denken of om ons iets voor te stellen wat nog niet bestaat. Dat klinkt nogal dramatisch voor iemand die alleen maar een weblog bijhoudt. Maar ook een beschaving kan aan een kleine gewoonte verslaafd raken.
Ik moet daarbij oppassen dat ik mezelf niet tot held van het verzet uitroep. Ik ben geen monnik die in een afgelegen klooster met de hand perkament volschrijft terwijl buiten de robots oprukken. Ik zit gewoon achter een computer, gebruik moderne software en ben nieuwsgierig naar wat er mogelijk is. Mijn verzet heeft bovendien iets aandoenlijks: ik wil de machine graag gebruiken, zolang zij mij maar niet overbodig maakt. Dat is ongeveer hetzelfde als een koning die zijn troon aan een uitvinder uitleent op voorwaarde dat deze hem niet afschaft.
Waarom blijf ik dan schrijven? Omdat ik kennelijk nog altijd geloof dat er onderweg iets kan gebeuren wat ik vooraf niet wist. Niet iedere blog levert zo’n ontdekking op. Soms produceer ik vooral woorden om de stilte te verdrijven. Soms blijkt na afloop dat ik drie keer hetzelfde heb gezegd, maar telkens met een andere aanloop. Dat is dan jammer voor de lezer, maar kennelijk noodzakelijk voor mijn persoonlijke ontwikkeling. Ik zou het ook kunnen zien als een vorm van geestelijke gymnastiek, al moet ik toegeven dat de resultaten niet altijd zichtbaar zijn.
Na twintig jaar schrijven hoef ik niet meer te bewijzen dat ik het beter kan dan een machine. Ik wil alleen voorkomen dat ik ongemerkt de hoofdredacteur word van mijn eigen vervanging. Morgen zal ik vermoedelijk weer achter mijn computer zitten. Ik zal een gedachte hebben, haar aan ChatGPT voorleggen en verrast zijn door wat er terugkomt. Daarna zal ik een paar woorden veranderen en doen alsof ik de zaak weer in eigen hand heb genomen. Misschien is dat zelfbedrog. Misschien is het samenwerking. Ik zal er ongetwijfeld een blog over schrijven.
De alchemie van het schrijven blijft voor mij uiteindelijk iets eenvoudigs en onverklaarbaars. Je begint met woorden en hoopt dat er onderweg iets verandert. Niet alleen de tekst, maar ook degene die hem maakt. Als dat niet meer gebeurt, kan ik net zo goed een machine de rest laten doen en zelf een wandeling maken. Al zou ik dan waarschijnlijk onderweg bedenken dat ik over die wandeling nog een aardig stukje zou kunnen schrijven. En thuisgekomen zou ik ChatGPT vragen het voor mij te formuleren.
Zo kom ik dus nooit van mijn schrijfdrang af. Maar misschien hoeft dat ook helemaal niet. Ik schrijf nog altijd en heb daar voorlopig kennelijk nog genoeg plezier in. Misschien schrijf ik inmiddels na sluitingstijd. So what. De nacht is nog lang en de deuren zijn blijkbaar nog niet op slot. Ik beschouw deze tijd liever als een onverwacht extraatje, een nieuwe speelronde waarvan ik de spelregels nog niet ken. Geen bonustijd die langzaam wegtikt, maar een verlenging waarvan niemand weet hoe lang die duurt. Dat geeft te denken, maar vooral ook te schrijven.
En ergens, op ditzelfde moment, zal er wel iemand een blog schrijven over wat er gebeurt als je een blog schrijft zoals ik. Hij zal beginnen met de mededeling dat er bijna zeven miljoen mensen bloggen. Niemand zal hem geloven, want inmiddels zijn het er zeven miljard, plus de koelkasten, niet te vergeten. Ook die schijnen tegenwoordig over een internetaansluiting te beschikken. Eén ding staat vast: als ik blog, ben ik niet alleen op de wereld.
Ik behoor tot het grote leger van bloggers, die allemaal in hun eigen blog-bubble zitten te blazen. Ik ben de boy in een universum van blog-bubbles. Dat schept een zekere verbondenheid, al wil ik daar ook weer niet te sentimenteel over doen. Of ik op u, de lezer van mijn blog, gesteld ben? Nee, nee, zover wil ik niet gaan. Zeker niet. Hoewel. Ja, ja… Wat heet, het is allemaal extra !