Op 9 september jongstleden zou ik in Tresoar een lezing houden over mijn nieuwste boek: De waan van het schrijven. Harry Mulisch en de creatieve psychose. Ondanks het feit dat ik behoorlijk wat mensen persoonlijk had uitgenodigd, ging de lezing niet door wegens gebrek aan belangstelling. Dat was jammer, maar het bood ook een onverwachte gelegenheid om mijn verhaal langs een andere weg voort te zetten. Ik legde de PowerPoint-presentatie voor aan AI, met het verzoek er een kort filmpje van te maken. (zie hieronder) Daarnaast vroeg ik AI om een samenvatting van de inhoud en een beschouwing over de volgende vragen. Welke rol speelt het thema van de dubbelganger in mijn boek, en hoe verhoudt dit zich tot de analyse van de spiegelwereld door Naomi Klein in haar boek Dubbelganger? En wat heeft mijn onderzoek naar de creatieve psychose van Harry Mulisch te maken met de taalwetenschap en de manier waarop kunstmatige intelligentie teksten genereert? Het resultaat was een opmerkelijke spiegeling van mijn eigen betoog. De machine vatte dat niet alleen samen, maar legde ook verbanden die voor mij aanleiding gaven tot verdere reflectie.
In De waan van het schrijven onderzoek ik de wisselwerking tussen waanzin, taal en kunst aan de hand van de jonge Harry Mulisch, die tijdens het schrijven van zijn debuutroman Archibald Strohalm een uitzonderlijke geestestoestand doormaakte. Het gaat mij niet om een psychiatrische diagnose achteraf, maar om de vraag hoe een ontregeling van het bewustzijn kan doorwerken in het ontstaan van literatuur. Centraal staat daarbij het begrip ‘autocreatie’: het proces waarin de schrijver niet alleen een verhaal creëert maar door dat schrijven ook zichzelf opnieuw uitvindt. De geest wordt een werkplaats waarin fictie en werkelijkheid in elkaar grijpen. Soms lijkt het alsof de schrijver verstrikt raakt in een verhaal dat zichzelf voortbrengt, als een Droste-effect waarin iedere afbeelding opnieuw dezelfde afbeelding bevat. De tekeningen van M.C. Escher bieden een visuele analogie voor deze zichzelf herhalende structuren. De schrijver schept een wereld waarin hij vervolgens zelf gevangen raakt, maar waaruit hij zich door het schrijven ook weer kan bevrijden.
In dat proces speelt de dubbelganger een bijzondere rol. Zodra de schrijver zichzelf in zijn personages verdubbelt, ontstaat er een afstand tussen degene die schrijft en degene die in het verhaal handelt. Die afstand kan van levensbelang zijn. De fictieve figuur wordt als het ware een opvang-kanaal voor allerlei gedachten, angsten en impulsen die de schrijver zelf dreigen te overspoelen. Wat in het eigen bestaan ondraaglijk wordt, kan worden overgedragen aan een ander, een literaire zondebok die de last van de waanzin op zich neemt. De schrijver kan zijn personage laten verdwalen, ten onder laten gaan of zelfs laten sterven, zonder zelf die ondergang te hoeven ondergaan. In deze literaire omweg schuilt iets van een exorcisme: door de waanzin een plaats te geven buiten zichzelf, probeert de schrijver haar te bezweren. Fictie wordt zo niet alleen een vlucht uit de werkelijkheid, maar ook een mogelijkheid om daarin terug te keren. De dubbelganger is tegelijk een bedreiging en een reddingsboei.
Een vergelijkbare problematiek staat centraal in het boek Dubbelganger van Naomi Klein, al verplaatst zij het vraagstuk van de individuele schrijver naar de maatschappelijke en digitale werkelijkheid. De aanleiding was de hardnekkige verwarring tussen haarzelf en Naomi Wolf, die aanvankelijk bekendheid verwierf als feministisch auteur, maar later steeds meer in complottheorieën verstrikt raakte. Klein ontdekte hoe een verwisseling van namen kon uitgroeien tot een confrontatie met een complete spiegelwereld. Op sociale media, waar algoritmen, persoonlijke merken en politieke overtuigingen elkaar versterken, raakt de werkelijkheid steeds gemakkelijker verstrikt in haar eigen weerspiegeling. De dubbelganger is daar niet langer een personage dat de schrijver kan beheersen, maar een schaduwidentiteit die een eigen leven gaat leiden. Wat begint als een vergissing, kan uitgroeien tot een parallel universum waarin feiten hun vaste grond verliezen en politieke tegenstanders elkaars karikaturen worden.
Het verschil tussen beide vormen van verdubbeling is veelzeggend. Bij Mulisch kan de dubbelganger een uitweg bieden uit de innerlijke verwarring van de schrijver. Bij Klein dreigt de spiegelwereld juist een valstrik te worden waaruit de samenleving moeilijk kan ontsnappen. In het eerste geval kan fictie de werkelijkheid helpen herstellen; in het tweede neemt de fictie steeds meer de plaats van de werkelijkheid in. Toch raken beide analyses elkaar op een wezenlijk punt: de mens kan niet zonder beelden van zichzelf, maar kan er ook door worden overgenomen. Wie zichzelf voortdurend weerspiegeld ziet, loopt het risico het onderscheid tussen het eigen ik en zijn afsplitsingen kwijt te raken. Dat geldt voor de schrijver die zijn personage tot leven wekt, maar ook voor de internetgebruiker die zijn digitale dubbelganger steeds verder ziet afdrijven van de persoon die hij meende te zijn. De vraag is niet alleen wie de dubbelganger is, maar ook wie uiteindelijk de regie voert.
Vanuit die gedachte kwam ik bij de taalwetenschap terecht. Een psychose kan gepaard gaan met veranderingen in de manier waarop woorden met elkaar verbonden worden en betekenis krijgen. De gebruikelijke samenhang kan verzwakken, terwijl klankassociaties, herhalingen en onverwachte verbindingen juist aan kracht winnen. In de generatieve taalkunde staat de regelstructuur van taal centraal: woorden worden niet willekeurig achter elkaar gezet, maar volgens bepaalde syntactische principes gecombineerd. De vraag die mijn onderzoek oproept, is wat er gebeurt wanneer de vertrouwde betekenisgeving wankelt, maar de neiging om patronen en structuren te vormen doorgaat. Bij Mulisch lijkt taal soms een eigen dynamiek te ontwikkelen, alsof het verhaal niet meer uitsluitend door de schrijver wordt gestuurd, maar zichzelf voortzet. De schrijver wordt dan tegelijk de maker en de toeschouwer van een proces dat hem boven het hoofd dreigt te groeien.
Op dat punt verschijnt een verrassende overeenkomst met kunstmatige intelligentie. Een taalmodel genereert tekst door patronen in taal te verwerken en op basis daarvan woordreeksen te produceren die in hun context waarschijnlijk zijn. Het kan grammaticale structuren hanteren, verbanden leggen en zinnen schrijven die overtuigend betekenisvol lijken. Maar daarmee is nog niet gezegd dat het betekenis ervaart zoals een mens dat doet. Wanneer een taalmodel onjuiste informatie produceert, spreken we van een hallucinatie. Bij de menselijke psychose heeft datzelfde woord een andere lading: daar gaat het om een veranderde ervaring van de werkelijkheid, die diep kan ingrijpen in het bestaan. De overeenkomst ligt dus niet in de ervaring zelf, maar in de vraag hoe patronen, taal en betekenis zich tot elkaar verhouden. Zowel bij de menselijke geest als bij de machine kan taal verbanden voortbrengen die niet zonder meer samenvallen met wat wij als werkelijkheid beschouwen.
Toch is er een belangrijk verschil. De menselijke schrijver leeft in zijn taal, met alle lichamelijke, emotionele en existentiële gevolgen van dien. Bij Mulisch werd het schrijven een manier om een ontregelende ervaring om te vormen tot een kunstwerk. De machine daarentegen produceert tekst zonder dat we daaruit mogen afleiden dat zij zelf een psychische crisis doormaakt. Tegelijkertijd wordt kunstmatige intelligentie ook ingezet om veranderingen in taalgebruik te onderzoeken. In de computationele psycholinguïstiek wordt bijvoorbeeld nagegaan of verminderde samenhang en veranderde woordassociaties kunnen helpen bij het herkennen van een beginnende psychose. Dezelfde verschijnselen die bij een kunstenaar onderdeel kunnen worden van een scheppend proces, kunnen in een klinische context dus aanwijzingen zijn voor een ontregeling. Dat maakt de verhouding tussen taal en waanzin ingewikkelder dan een eenvoudige tegenstelling tussen ziekte en creativiteit.
Achteraf bezien was het niet zonder ironie dat juist een taalmodel mijn afgelaste lezing opnieuw tot leven bracht. Ik had de machine gevraagd mijn presentatie samen te vatten, maar kreeg er ook een spiegel voor terug. Zij ordende mijn gedachten, legde verbanden en maakte van mijn betoog een nieuwe tekst. Daarbij ontstond opnieuw een vorm van autocreatie: mijn eigen ideeën keerden terug in een gedaante die ik niet volledig zelf had bepaald. De schrijver krijgt een dubbelganger die niet van vlees en bloed is, maar uit taal bestaat. Die dubbelganger kan behulpzaam zijn, verrassend en soms zelfs hinderlijk eigenzinnig. Maar wie spreekt er eigenlijk wanneer de machine mijn woorden herschikt en mij vervolgens iets terugzegt wat ik zelf niet zo had geformuleerd? De lezing in Tresoar ging niet door, maar het onderwerp kreeg een onverwacht vervolg. Dat is een merkwaardige uitkomst van dit experiment: terwijl ik onderzoek hoe een schrijver zichzelf in taal verdubbelt, blijkt de machine in staat mijn betoog nog eens te verdubbelen. De zaal bleef leeg. Alleen mijn eigen dubbelganger is uiteindelijk onverwacht komen opdagen.
