Don’t you forget about me ?

‘Iemand anders op deze wereld kijkt naar zichzelf in de spiegel en ziet min of meer hetzelfde als wat ik zie wanneer ik in mijn spiegel kijk. Dat werpt automatisch de vraag op: wie ben ik dan eigenlijk? Ben ik dat wat ik zie in de spiegel of ben ik iets anders wat niet kan worden gedefinieerd of kan worden waargenomen, zelfs niet met mijn eigen ogen?’

Deze woorden van François Brunelle, een kunstenaar uit Montreal die in de loop van decennia honderden koppels dubbelgangers fotografeerde voor zijn project I’m Not a Look Alike, worden geciteerd door Naomi Klein in Dubbelganger, een reis naar de spiegelwereld (2023). Dat ben ik momenteel aan het lezen. Het is een fascinerend boek, temeer omdat ik al lezend soms de illusie krijg dat ik het zelf geschreven heb. Dat is natuurlijk een zeer aanmatigende gedachte want Naomi Klein is een briljant schrijfster. Feit is, dat de thematiek van dit boek ook mij de laatste jaren vaak heeft bezig gehouden, al heb ik het nooit zo lucide kunnen formuleren als Naomi Klein dat doet.

Vaak heb ik het idee dat er iets grondig mis is met de wereld om me heen. Dan denk ik dat er in mijn huis iemand anders woont die sprekend op mij lijkt. Alles wat ik onderneem, is al door hem gedaan. Mijn leven is overgenomen door een dubbelganger en niemand zegt me nog gedag. De wereld bestaat nog, maar alles wat ik tot nu toe heb beleefd, lijkt daaruit te zijn weggevaagd. Alsof iemand ongemerkt de werkelijkheid heeft vervangen door een kopie waarin ikzelf niet meer voorkom. De leegte waarin ik me altijd had kunnen verstoppen, heeft nu bezit genomen van de wereld daarbuiten. Tussen de woorden en de dingen heerst een ijzingwekkende stilte. Ik ben er nog wel, maar weet niet meer of ik degene ben die ik altijd dacht te zijn.

De dubbelganger is een oud motief in de literatuur, maar lijkt in onze tijd een bijzondere actualiteit te hebben gekregen. Van oudsher belichaamt hij het onbekende deel van onszelf, datgene wat we liever niet onder ogen zien of waarvan we niet eens weten dat het bestaat. Hij is de vreemde die onze plaats inneemt, de indringer die onze identiteit van binnenuit aantast. De confrontatie met hem roept een ongemakkelijke vraag op: wat maakt mij eigenlijk tot mijzelf als er een ander wezen bestaat dat precies op mij lijkt en misschien zelfs mijn gedachten en gevoelens deelt? De dubbelganger maakt zichtbaar hoe weinig vanzelfsprekend onze individualiteit is. Wat wij ons eigen ik noemen, blijkt misschien niet meer dan een wankel evenwicht tussen herkenning en vervreemding.

In een psychose kan die vervreemding een angstaanjagende werkelijkheid worden. Iemand hoort stemmen zonder dat er een waarneembare bron voor is, ziet dingen die er niet zijn of krijgt het gevoel dat een vreemde macht zijn gedachten beheerst. De wereld blijft ogenschijnlijk dezelfde, maar haar betekenis verandert ingrijpend. Wat vertrouwd was, wordt verdacht; toevalligheden krijgen een bijzondere betekenis en de grens tussen binnenwereld en buitenwereld vervaagt. Soms lijkt het alsof er een ander aanwezig is die zich van het eigen bewustzijn heeft meester gemaakt. De psychotische ervaring is dan niet alleen een verstoring van de waarneming, maar ook een crisis van de identiteit. Wie ben ik nog wanneer mijn eigen gedachten mij vreemd voorkomen en de werkelijkheid zich gedraagt alsof zij een boodschap voor mij heeft die niemand anders kan begrijpen?

Die vraag raakt aan iets wat ook buiten de psychiatrie en de literatuur een rol speelt: de merkwaardige verhouding tussen degene die iets ervaart en degene die naar die ervaring kijkt. Zodra ik mezelf probeer te begrijpen, maak ik als het ware een tweede versie van mijzelf, een toeschouwer die mijn gedachten en gevoelens van een afstand beziet. Ik ben tegelijk degene die leeft en degene die zijn leven probeert te duiden. Die innerlijke verdubbeling is niet noodzakelijk ziekelijk; ze maakt zelfreflectie en verbeelding mogelijk. Maar ze kan ook uit de hand lopen. Wat begon als een poging om mezelf te begrijpen, kan eindigen in de ervaring dat ik tegenover mezelf ben komen te staan. De dubbelganger is dan niet langer alleen een vreemde die van buitenaf binnendringt, maar ook een product van het bewustzijn dat zichzelf niet volledig kan doorgronden.

De literatuur heeft van die innerlijke verdeeldheid een vruchtbaar beginsel gemaakt. De schrijver schept personages die niet bestaan, maar die tijdens het schrijven een merkwaardige zelfstandigheid kunnen verwerven. Soms lijken ze zelfs meer te weten dan hun schepper. Hij bedenkt zijn personages, maar wordt tegelijk door hen op sleeptouw genomen. Wie schrijft, is dus niet altijd volledig de baas over wat hij schrijft. In die zin is de schrijver zelf een dubbelgangerproducent: hij brengt andere versies van zichzelf en van de wereld tot leven, om vervolgens te ontdekken dat ze zich niet helemaal naar zijn wil gedragen. Misschien schuilt daarin een verwantschap tussen literaire verbeelding en psychische ontregeling, zonder dat beide daarom met elkaar mogen worden vereenzelvigd. De schrijver kan zijn verzinsels in beginsel weer verlaten. Althans, dat is de theorie.

Mogelijk is iedere schrijver in zekere zin een ontsnappingskunstenaar. Schrijven biedt de gelegenheid om de werkelijkheid te herscheppen wanneer het leven zelf daarin tekortschiet. De schrijver neemt wraak op zijn lot en misschien ook op de ontoereikendheid van de schepping. Wat hem in het werkelijke bestaan wordt onthouden, kan hij zich in de verbeelding alsnog toe-eigenen. Rancune wordt zo de kerosine van de literaire creativiteit. Wie in het dagelijks leven weinig vermag, kan op papier een wereld stichten waarin alles alsnog op zijn plaats valt. Dat is een schijnverlossing, maar daarom niet minder verleidelijk. De schrijver maakt een dubbelganger van zichzelf, een wezen dat kan zeggen wat hijzelf niet durft te zeggen en kan doen wat hem in het leven onmogelijk is gemaakt. Schrijven wordt zo een manier om de eigen ontoereikendheid te overwinnen door haar een andere gedaante te geven.

Die behoefte aan een tweede gestalte beperkt zich niet tot de individuele verbeelding. Ook religies hebben geprobeerd de kloof tussen de mens en zijn beperkingen te overbruggen door een figuur te scheppen die meer kan zijn dan een gewone sterveling. Jezus van Nazareth kan binnen de christelijke traditie worden beschouwd als de menselijke gestalte van een goddelijke werkelijkheid, als een plaatsvervanger die de kloof tussen hemel en aarde overbrugt. God wordt mens en ondergaat als mens de dood, om zo de mensheid te verlossen. De goddelijke dubbelganger neemt het zwaarste probleem van het menselijk bestaan op zich en lost het op in een verhaal dat de grenzen van leven en dood probeert te overschrijden. Wie dit verhaal uitsluitend met hedendaagse psychiatrische begrippen wil verklaren, begeeft zich echter op glad ijs. Een classificatiesysteem als de DSM-5 is geen tijdmachine waarmee we historische figuren alsnog van een psychiatrisch dossier kunnen voorzien. Interessanter is de onderliggende vraag: waarom heeft de mens zo vaak een ander nodig om te worden wie hij zelf niet kan zijn?

In onze tijd krijgt die vraag een nieuwe wending, omdat we steeds beter in staat zijn zulke andere gestalten technisch te vervaardigen. De computer begon als een instrument waarmee de mens zijn denkwerk kon ondersteunen, maar ontwikkelt zich tot een systeem dat menselijke vaardigheden zelfstandig lijkt te kunnen nabootsen. Kunstmatige intelligentie kan inmiddels teksten schrijven die nauwelijks van menselijke teksten te onderscheiden zijn. Ze kan redeneringen opbouwen, een gesprek voeren en een herkenbare stijl aannemen. Daarmee verschijnt een nieuwe dubbelganger aan de horizon: niet een personage dat de schrijver op papier tot leven brengt, maar een machine die het werk van de schrijver zelf kan overnemen. Wat eerst een schepping van de verbeelding was, wordt nu een technisch product. De schrijver heeft zijn plaatsvervanger niet langer alleen in de roman bedacht; hij heeft hem ook gebouwd.

Toch gaat de betekenis van deze ontwikkeling verder dan de vraag of een machine een goede roman kan schrijven. De digitale dubbelganger ontstaat namelijk niet alleen doordat machines ons nabootsen, maar ook doordat we zelf steeds meer van ons leven in digitale vorm vastleggen. Op internet verschijnen we in berichten, foto’s, voorkeuren, zoekopdrachten en reacties. Die gegevens vormen samen een beeld van onszelf dat steeds verder wordt aangevuld en bewerkt. Het is geen getrouwe kopie van onze persoonlijkheid, maar een selectie van wat zichtbaar, meetbaar en deelbaar is. Toch kan dat beeld een eigen leven gaan leiden. Anderen reageren erop, systemen analyseren het en algoritmen gebruiken het om te voorspellen wat we willen, denken of zullen doen. De dubbelganger wordt zo niet alleen door onszelf gemaakt, maar ook door de buitenwereld verder gevormd.

Om te begrijpen hoe dat kon gebeuren, moeten we kijken naar een verandering die vaak als een technische revolutie wordt beschreven, maar in wezen ook een verandering in onze onderlinge verhoudingen is. Lange tijd was het communicatiemodel betrekkelijk eenvoudig: iemand zond een boodschap uit en iemand anders ontving die. De krant, de radio en de televisie waren de zenders; het publiek las, luisterde en keek. Er bestond een duidelijke afstand tussen degenen die het verhaal maakten en degenen voor wie het bestemd was. Met de komst van het internet is die afstand grotendeels verdwenen. De ontvanger kan onmiddellijk reageren, zelf berichten verspreiden en zonder toestemming van een redactie een publiek bereiken. Iedereen kan in beginsel zender worden. De eenrichtingsstraat is veranderd in een kruispunt waarop het verkeer van alle kanten komt.

Die verandering lijkt op het eerste gezicht een bevrijding, en dat is ze tot op zekere hoogte ook. Wie vroeger niet over een krant of televisiezender beschikte, kon hooguit hopen dat iemand naar hem luisterde. Nu kan iedereen zijn gedachten publiceren en zijn eigen verhaal aan de wereld presenteren. De lezer wordt schrijver, de kijker wordt uitgever en de consument verandert in producent. Maar zodra iedereen zendt, verandert ook de betekenis van ontvangen. Een bericht verdwijnt niet meer nadat het is gelezen. Het roept reacties op, wordt doorgestuurd, becommentarieerd en opgenomen in nieuwe berichten. Iedere reactie kan weer een nieuwe stroom van reacties uitlokken. Communicatie wordt een voortdurend proces waarin niemand nog uitsluitend zender of ontvanger is. We bevinden ons allemaal midden in dezelfde draaikolk en proberen tegelijk gehoord te worden en te begrijpen wat anderen ons vertellen.

Juist in dat netwerk van voortdurende reacties krijgt de digitale dubbelganger zijn bijzondere karakter. We plaatsen foto’s en meningen op internet en krijgen ze vervolgens terug in de vorm van likes, commentaren en aanbevelingen. Het beeld dat anderen van ons vormen, beïnvloedt het beeld dat we van onszelf hebben. We gaan onszelf bekijken door de ogen van een publiek dat we nooit volledig kunnen overzien. Onze online aanwezigheid wordt daardoor meer dan een registratie van ons bestaan: ze wordt een spiegel die actief aan onze identiteit meeschrijft. We passen ons gedrag aan aan de reacties die we verwachten en presenteren onszelf op een manier die herkenning of waardering moet oproepen. Zelfs onze pogingen om authentiek te zijn, kunnen zo veranderen in een voorstelling van authenticiteit. De dubbelganger die we zelf hebben gemaakt, begint ons te vertellen wie we zijn.

Daarmee verandert ook de verhouding tussen intimiteit en openbaarheid. Wat vroeger grotendeels tot de besloten sfeer van het persoonlijke leven behoorde, wordt nu materiaal voor publieke uitwisseling. Onze voorkeuren, relaties, emoties en dagelijkse gewoonten laten digitale voetafdrukken achter. De belofte van verbondenheid gaat gepaard met een toenemende zichtbaarheid, terwijl de gegevens die we vrijwillig afstaan ook buiten onze eigen controle kunnen worden gebruikt. Big Brother hoeft niet langer uitsluitend een alziende machthebber te zijn. Hij kan bestaan uit een verzameling algoritmen die ons gedrag registreren, vergelijken en voorspellen. Het merkwaardige is dat we aan die controle zelf meewerken. We zetten het raam open omdat we contact willen met de wereld, maar ontdekken vervolgens dat er ook van buiten naar binnen wordt gekeken. De dubbelganger die ons zichtbaar maakt, maakt ons tegelijk kwetsbaar.

Wanneer miljoenen van zulke persoonlijke beelden, berichten en reacties zich met elkaar vermengen, verandert niet alleen onze identiteit, maar ook de werkelijkheid die we gezamenlijk ervaren. Gebeurtenissen krijgen vrijwel onmiddellijk een digitaal bestaan, vaak nog voordat we goed en wel hebben begrepen wat er gebeurd is. Beelden worden gedeeld, commentaren volgen elkaar op en verschillende versies van dezelfde gebeurtenis gaan met elkaar concurreren. Wat zichtbaar is, lijkt waar; wat vaak genoeg wordt herhaald, krijgt het aanzien van een feit. Tegelijkertijd kunnen beelden worden gemanipuleerd en teksten automatisch worden gegenereerd. De digitale wereld is daardoor niet eenvoudigweg een afspiegeling van de werkelijkheid, maar een omgeving waarin die werkelijkheid voortdurend opnieuw wordt samengesteld. De kopie staat niet meer netjes achter het origineel. Beide raken verstrengeld, totdat het steeds moeilijker wordt vast te stellen welke van de twee onze ervaring bepaalt.

Zo kom je uit bij de vraag die ook aan de psychotische ervaring ten grondslag ligt: hoe weten we eigenlijk dat de werkelijkheid die we ervaren, overeenkomt met wat er buiten ons bestaat? Van oudsher werd God verbonden met de Logos, het goddelijke woord dat orde aanbrengt in de schepping. Taal gold als de verbinding tussen de menselijke geest en de dingen om ons heen. Toch weten we nauwelijks hoe die verbinding precies tot stand komt. We begrijpen hoe een landkaart een gebied kan voorstellen, maar niet volledig hoe een woord in ons bewustzijn een werkelijkheid oproept. Tussen het teken en datgene waarnaar het verwijst ligt een gebied dat we wel gebruiken, maar nooit helemaal kunnen overzien. In de digitale samenleving wordt dat raadsel nog ingewikkelder, omdat de woorden en beelden die onze werkelijkheid vormgeven niet langer uitsluitend door mensen worden geproduceerd. Machines mengen zich in het gesprek en leveren hun eigen versies van de wereld aan.

Die ontwikkeling maakt de toekomst van het schrijverschap tot een filosofische kwestie. Kunstmatige intelligentie kan bestaande teksten samenvatten, combineren en herschrijven, maar ook nieuwe verhalen produceren die overtuigend de indruk wekken van een menselijke stem. Misschien zullen mens en machine bovendien steeds nauwer met elkaar verweven raken. Technologieën zoals hersen-computerinterfaces maken het denkbaar dat de communicatie tussen het menselijk brein en computers een nieuwe fase ingaat. Wat gebeurt er als niet alleen onze spieren en zintuigen, maar ook onze herinneringen, gedachten en creatieve vermogens deel gaan uitmaken van een technisch systeem? Waar eindigt de menselijke gedachte en waar begint de machinale aanvulling? De oude dubbelganger die ooit onze innerlijke verdeeldheid verbeeldde, kan zo veranderen in een technisch verlengstuk van ons bewustzijn.

Misschien zal ook de waanzin in die toekomst een onverwachte symbiose met de machine aangaan. Een machine zou een roman kunnen schrijven over iemand die psychotisch wordt en door het schrijven zijn evenwicht hervindt. Maar kan een machine de waanzin beschrijven zonder ooit zelf waanzinnig te worden? En wie zou in zo’n geval de genezing tot stand hebben gebracht: de schrijver, de machine of de dubbelganger die tussen beiden is ontstaan? Zulke vragen raken aan de onzekerheid die al aan het begin van dit betoog opdook. We kunnen een ervaring beschrijven, analyseren en nabootsen, maar daarmee is nog niet duidelijk geworden wat het betekent om die ervaring zelf te ondergaan. Een overtuigende tekst is nog geen doorleefd bestaan, zoals een digitale afbeelding van een mens nog geen mens is. Tegelijkertijd kan die afbeelding wel degelijk invloed krijgen op degene die zij afbeeldt.

Alles wat ooit geschreven is, kan opnieuw worden samengesteld, samengevat of herschreven. En wat nog geschreven moet worden, lijkt soms al klaar te liggen in de onmetelijke hoeveelheid teksten waarop de machine haar antwoorden baseert. Het verleden wordt onmiddellijk oproepbaar, terwijl de toekomst zich aandient als een reeks mogelijkheden die alvast in woorden kunnen worden gegoten. De tijd lijkt zich samen te trekken in een eeuwig heden waarin alles beschikbaar is. Maar beschikbaarheid is nog geen begrip, en een overtuigende tekst is nog geen ervaring. Daar ligt voorlopig de grens tussen de schrijver en zijn digitale dubbelganger. We ontdekken pas hoe poreus die grens is wanneer een machine een verhaal schrijft waarin we onszelf herkennen, maar niet meer kunnen vaststellen wie er eigenlijk aan het woord is.

Ik ben niet Huub Mous, ik ben mijn Avatar Op internet splitst zich iets van mij af dat niet langer mijzelf is, maar iets anders. De term ‘Avatar’ (een chique woord voor ‘dubbelganger’) duidt gewoonlijk op een beeltenis die staat voor de persoon achter de computer: de verschijning van een speler in een virtuele of fantasiewereld. Die Avatar kan in die andere wereld karaktertrekken aannemen die hij zelf niet bezit. De dubbelganger is dan niet langer alleen de vreemde die mijn leven overneemt. Hij is ook het beeld dat ik zelf de wereld in stuur, de stem die ik van anderen terugkrijg en de machine die mijn woorden sinds kort voortzet zonder dat ik daar zelf nog veel aan hoef te doen,

Ergens tussen al die stemmen probeer ik nog altijd vast te stellen wie ik eigenlijk zelf ben. Dat is de vraag die onder al die nieuwe stemmen verborgen ligt. Een vraag die niet alleen aan de machine is gericht, maar ook aan de wereld die mijn eigen ik steeds sneller dreigt te vergeten: Don’t you forget about me? Want wat blijft er van mij over als mijn woorden overal terugkeren, maar mijn stem niet langer als de mijne herkenbaar is? Mijn dubbelganger, dat ben ik. Maar dat zegt mijn dubbelganger ook. Hij zegt het al twintig jaar, sinds ik mij heb overgeleverd aan de dagelijkse aandachtseconomie van het internet.

Ik blog, dus ik besta. Met die woorden begon ik ooit mijn eerste blog (zie: hier). Wellicht zullen het ooit ook mijn laatste woorden zijn op mijn allerlaatste blog. Het voortdurend aanwezig willen zijn op internet is volgens Naomi Klein een poging om van jezelf een merk te maken, een logo. Als dat lukt ben je voor velen – en veelal ook voor jezelf – voorgoed een merk geworden in plaats van een mens. Wonderlijk genoeg is mij dat in al die jaren nog steeds niet gelukt. Blijkbaar heb ik niet zo veel talent voor personal branding. Gelukkig maar, denk ik dan. Hoewel, wie is die ‘ik’ die dat zegt? Waarom schrijft die ‘ik’ – wie het ook moge zijn – alsmaar door? Naomi Klein citeert Gore Vidal die in 1981 zei: ‘Sommige schrijvers vluchten in de drank, andere naar een publiek’ Eén ding is zeker: een alcoholist ben ik nooit geworden.