Naomi Klein en het algoritme van de waan

Toen ik Dubbelganger. Een reis naar de spiegelwereld (2023) van Naomi Klein las, gebeurde er iets merkwaardigs. Ik herkende in haar betoog niet alleen een aantal ideeën die mij vertrouwd voorkwamen, maar ook een probleem waarmee ik zelf jarenlang bezig ben geweest. In mijn boek Het algoritme van de waan. Naoorlogse geschiedenis door de ogen van een babyboomer (2023) heb ik geprobeerd te begrijpen hoe mensen verstrikt kunnen raken in een werkelijkheid die zij zelf hebben voortgebracht, maar die zij vervolgens voor de enige echte werkelijkheid houden.

Klein beschrijft een vergelijkbaar verschijnsel, al kiest zij een heel andere ingang. Bij haar begint de reis met een persoonlijke verwarring: zij wordt voortdurend aangezien voor Naomi Wolf, een schrijfster die zich steeds verder in complottheorieën heeft verloren. Wat aanvankelijk een irritante vergissing lijkt, groeit uit tot een onderzoek naar de eigenaardige wereld waarin we tegenwoordig leven. Terwijl ik haar betoog las, begon ik mij af te vragen of de spiegelwereld die zij beschrijft niet een eigentijdse variant is van de waanwereld die ik in mijn eigen boek heb proberen te doorgronden.

Mijn belangstelling voor dit onderwerp kwam voort uit een poging de naoorlogse geschiedenis opnieuw te bekijken, niet alleen als een opeenvolging van politieke gebeurtenissen, maar ook als een geschiedenis van ideeën die zich aan de werkelijkheid kunnen onttrekken. Hoe kan het gebeuren dat mensen zich vastklampen aan een overtuiging die door de feiten wordt tegengesproken? En hoe kan zo’n overtuiging uiteindelijk de vorm aannemen van een politieke ideologie die hele samenlevingen meesleept?

In Het algoritme van de waan heb ik die vragen teruggevoerd naar het nazisme en de denkwereld van Adolf Hitler. Ik wilde begrijpen hoe een paranoïde voorstelling van de werkelijkheid kon uitgroeien tot een gesloten systeem waarin goed en kwaad werden omgekeerd en het vernietigen van de vermeende vijand als een historische noodzaak kon worden voorgesteld. Bij Klein vond ik dezelfde onrust terug, maar dan gespiegeld in het heden. De historische waanwereld die ik onderzocht, lijkt in haar boek opnieuw op te duiken, verspreid over sociale media, alternatieve nieuwsbronnen en politieke bewegingen die elkaar in hun wantrouwen versterken.

Wat mij vooral trof, is dat Klein haar onderzoek niet begint met een theorie, maar met een ervaring die haar eigen identiteit aantast. Ze wordt aangezien voor iemand anders en raakt daardoor betrokken bij een wereld waarin de grenzen tussen personen, ideeën en politieke overtuigingen steeds verder vervagen. Die verwarring krijgt een betekenis die veel verder reikt dan haar persoonlijke lot. Haar dubbelganger blijkt een toegangspoort tot een spiegelwereld waarin mensen niet alleen andere feiten aanhangen, maar ook in een andere werkelijkheid lijken te leven.

Ik herken daarin iets van mijn eigen zoektocht. Ook ik ben voortdurend gestuit op de vraag hoe een voorstelling van de werkelijkheid zich kan losmaken van haar oorsprong en vervolgens een eigen leven gaat leiden. Alleen ligt mijn vertrekpunt niet bij een persoonlijke verwisseling, maar bij de geschiedenis. Ik heb geprobeerd achterwaarts te denken, van het hedendaagse complotdenken en de coronacrisis naar het nazisme en de moderniteit. Klein beweegt zich langs een andere route, maar we komen uit bij een verwante vraag: wat gebeurt er met mensen wanneer de werkelijkheid waarin zij leven niet langer door de buitenwereld wordt gecorrigeerd?

In mijn onderzoek noem ik dat een waanwereld of een tweede werkelijkheid. Het gaat om een gesloten denksysteem waarin alles uiteindelijk het bewijs vormt van wat men al geloofde. Tegenbewijs wordt niet aanvaard, maar juist opgevat als een aanwijzing dat de waarheid wordt verzwegen. De complotdenker die wordt tegengesproken, ziet daarin een bevestiging van het complot. Daarmee ontstaat een merkwaardige logica waarin de waan zichzelf tegen iedere weerlegging beschermt.

Bij het lezen van Klein moest ik denken aan deze structuur. Haar spiegelwereld is geen afzonderlijke planeet waarop alleen zonderlinge mensen wonen. Ze ligt vlak naast onze eigen wereld en wordt er voortdurend mee vermengd. Dezelfde personen gebruiken soms dezelfde woorden, dezelfde beelden en dezelfde digitale kanalen, maar geven er een tegengestelde betekenis aan. De spiegeling maakt herkenning mogelijk en veroorzaakt tegelijk verwarring. Juist daardoor is het zo moeilijk om de grens te trekken tussen een afwijkende mening en een werkelijkheid die zich van iedere correctie heeft afgesloten.

Toch zou ik de mensen die in zo’n spiegelwereld terechtkomen niet eenvoudigweg als irrationeel willen afschrijven. Ook dat heb ik in mijn eigen onderzoek steeds belangrijker gevonden. Achter complottheorieën gaat vaak een reëel gevoel van onbehagen schuil. Mensen ervaren verlies van controle, maatschappelijke onzekerheid en een groeiende afstand tot de instituties die hun leven bepalen. Klein laat zien hoe dat gevoel een verkeerde bestemming kan krijgen. Haar gedachte dat mensen soms het gevoel goed hebben, maar de feiten fout, vind ik daarom bijzonder treffend. De angst kan ergens op gebaseerd zijn, terwijl de verklaring die ervoor wordt gevonden volkomen verkeerd is.

In mijn eigen analyse van totalitaire ideologieën kwam ik een vergelijkbaar mechanisme tegen. De wereld wordt ervaren als bedreigend en onbegrijpelijk, waarna een allesomvattend verhaal de chaos ordent. Er is een verborgen macht die alles veroorzaakt, een vijand die moet worden ontmaskerd en een gemeenschap die meent als enige de waarheid te bezitten. De aantrekkingskracht van zo’n verhaal ligt niet alleen in wat het beweert, maar ook in de opluchting die het biedt.

Wat bij Klein bovendien sterk naar voren komt, is de rol van het digitale landschap. In mijn boek heb ik het algoritme van de waan niet alleen als een technisch verschijnsel opgevat, maar ook als een beeld voor een psychologisch proces. De mens zoekt bevestiging van zijn overtuigingen en krijgt die in de digitale omgeving steeds vaker aangereikt. Sociale media kunnen een persoonlijke twijfel veranderen in een collectieve zekerheid. Iedere nieuwe boodschap lijkt een ontbrekend puzzelstukje te leveren, totdat het geheel een gesloten wereldbeeld vormt.

Bij Klein zie ik hoe deze ontwikkeling samengaat met de moderne behoefte om van jezelf een herkenbaar merk te maken. De digitale identiteit wordt een spiegel waarin we niet alleen willen zien wie we zijn, maar vooral wie we denken te moeten zijn. Ik vind dat een intrigerende gedachte, omdat de waanwereld daarmee niet langer uitsluitend iets is van dictators en politieke fanatici. Ook de gewone behoefte aan erkenning en zelfbevestiging kan een rol spelen in de constructie van een werkelijkheid waarin we steeds meer op onszelf teruggeworpen worden.

Een ander punt waarop ik mij met Klein verwant voel, is haar aandacht voor het onverwachte samengaan van denkbeelden die vroeger moeilijk verenigbaar leken. Zij beschrijft hoe wellness, New Age, wantrouwen tegenover de wetenschap en extreemrechtse politiek elkaar kunnen vinden in wat zij diagonale politiek noemt. In mijn eigen onderzoek hield ik mij vooral bezig met de manier waarop ideologieën een gesloten wereldbeeld opbouwen en hoe massabewegingen daardoor vatbaar worden voor politieke verblinding.

Bij Klein zie ik hoe dat mechanisme zich in een andere gedaante voortzet. Het verzet tegen gevestigde autoriteiten kan samengaan met een verlangen naar autoritaire zekerheid. Wie zich bevrijd waant van de officiële waarheid, kan zich zonder veel moeite onderwerpen aan een alternatieve waarheid die minstens zo dwingend is. De paradox is dat de zoektocht naar zelfstandigheid juist kan eindigen in een nieuwe afhankelijkheid. Dat vind ik een van de ongemakkelijkste inzichten die uit onze beide boeken naar voren komen.

Maar er is een ook een mindere kant aan het boek van Klein. Gaandeweg krijgt haar betoog wel een erg links-ideologisch tintje, waardoor het af en toe ontaardt in een riedel voor eigen parochie. Zo schrijft zij bijvoorbeeld over… ‘de door Washington gecoördineerde aanval op de ontluikende democratie van de Sovjet-Unie, die de oligarchen in het leven riep en de weg plaveide voor ene Vladimir Poetin’. Hoewel zij eerder in dit boek aangeeft dat ze haar publicaties vooraf altijd ‘door factcheckers laat uitkammen’, is op deze bewering nog wel het een en ander af te dingen. Dat werd voor mij bevestigd toen ik haar door AI liet checken op basis van feiten met bronvermeldingen.

Volgens deze bronnen  heeft Washington de Russische democratie niet aantoonbaar vernietigd via een gecoördineerd plan, maar heeft zij wel gekozen voor de steun aan Jeltsin en zijn economische hervormingen, ook toen die keuzes de ontwikkeling van een rechtsstaat en democratische instituties niet ondersteunden. De oligarchen profiteerden van de zo ontstane verhoudingen. Poetin kon vervolgens voortbouwen op de zwakke institutie, de maatschappelijke ontgoocheling en de machtsconcentratie die in de jaren negentig waren gegroeid. Maar Poetin heeft bij zijn opkomst ook de Russische veiligheidsdienst naar zijn hand gezet.

Dat is een wezenlijk verschil. De versie die Klein heeft van deze gebeurtenissen suggereert een doelbewust beleid van Washington De tweede versie beschrijft een historisch proces waarin politieke keuzes, eigenbelang, ideologische overtuigingen en onvoorziene gevolgen elkaar versterkten. En juist dat onderscheid lijkt me van belang in het licht van Kleins vertoog boek over de door jaar aangeduide ‘spiegelwereld’: een overtuigend politiek verhaal kan werkelijke feiten bevatten en toch een te al gesloten verklaring bieden voor de geschiedenis. De vraag is niet alleen of de feiten kloppen, maar ook of de verbindingen die de auteur ertussen legt voldoende door die feiten worden gedragen.

Mar terug naar de spiegelwereld van wanen en complotten die Kein beschrijft. Mijn eigen historische zoektocht bracht mij uiteindelijk terug naar de secularisatie en het verdwijnen van traditionele religieuze kaders. Met het verlies van een gemeenschappelijk religieus verhaal verdween niet noodzakelijk de behoefte aan zingeving. Die behoefte kon zich ook vasthechten aan politieke ideologieën die de functie van een substituutreligie overnamen. Het nazisme bood een mythische voorstelling van het verleden, een absolute vijand en een toekomst die als verlossing werd voorgesteld. De politiek werd een schouwspel waarin symbolen, rituelen en massale ensceneringen de ideologie een bijna religieuze overtuigingskracht verleenden.

Bij Klein speelt deze historische dimensie een minder centrale rol, maar haar analyse roept bij mij dezelfde vraag op: wat gebeurt er wanneer mensen hun houvast verliezen en vervolgens een gesloten verhaal vinden dat alle onzekerheid lijkt op te heffen? De digitale spiegelwereld is uiteraard niet hetzelfde als de totalitaire waanwereld van Hitler. Het zou historisch onjuist zijn die twee gelijk te stellen. Maar het mechanisme waarbij een bedreigend ervaren werkelijkheid wordt vervangen door een allesverklarende fictie verdient in beide gevallen de aandacht.

Dat is ook de reden waarom de dubbelganger mij bij het lezen van Klein steeds meer is gaan bezighouden. Een dubbelganger is niet zomaar iemand die op ons lijkt. Hij confronteert ons met de mogelijkheid dat onze identiteit minder vaststaat dan we denken. Bij Klein krijgt die confrontatie een politieke betekenis: de ander die we menen te herkennen, kan een vervormde afbeelding worden van onze eigen angsten en overtuigingen.

In mijn onderzoek naar de waanwereld kwam ik een verwante paradox tegen. De mens die meent eindelijk door te hebben hoe de wereld werkelijk in elkaar zit, kan juist daardoor het zicht op zichzelf verliezen. Hij ontmaskert de leugens van anderen, maar stelt zijn eigen overtuigingen niet meer ter discussie. De spiegel wordt dan geen middel tot zelfkennis, maar een instrument van zelfbevestiging. Wat we in de ander bestrijden, kan ongemerkt een deel van onszelf zijn geworden.

Het lezen van Klein heeft mij daarom niet zozeer bevestigd in wat ik al dacht, als wel een andere toegang geboden tot een probleem dat mij al langer bezighoudt. Haar persoonlijke confrontatie met de dubbelganger maakt zichtbaar hoe dicht de spiegelwereld bij het alledaagse leven ligt. Mijn historische benadering laat zien hoe gevaarlijk het kan worden wanneer zo’n parallelle werkelijkheid zich verbindt met een allesomvattende ideologie en politieke macht. De routes verschillen, maar de onrust is dezelfde.

We leven in een tijd waarin mensen niet alleen van mening verschillen over de werkelijkheid, maar steeds vaker lijken te verschillen over de vraag wat werkelijkheid überhaupt nog betekent. Het zich wapenen daartegen begint met de bereidheid om je eigen spiegelbeeld te wantrouwen. Het gevaar van een waanwereld is dat je op een dag niet meer merkt dat je de werkelijkheid hebt ingeruild voor een afbeelding van je eigen binnenwereld waardoor je de wereld voor je ogen langzaam in slaap hebt gesust.