Dubbelgangers van Charlie Chaplin

In Mein Kampf formuleerde Hitler een gedachte die mij altijd is blijven intrigeren, al is dat misschien niet het juiste woord voor zoiets lugubers. Een grote leugen, zo beweerde hij, heeft meer kans om geloofd te worden dan een kleine. Mensen liegen zelf wel eens, maar dan liefst een beetje. Ze kunnen zich moeilijk voorstellen dat iemand de brutaliteit heeft om de werkelijkheid op zo’n grote schaal geweld aan te doen. Juist daardoor wordt de grote leugen geloofwaardig. Je moet er kennelijk niet voor terugschrikken om de wereld volledig op zijn kop te zetten. Wie dat met voldoende overtuiging doet, kan er zelfs in slagen de slachtoffers tot daders te maken en de daders tot slachtoffers. De waarheid wordt dan niet langer verdraaid, maar vervangen door iets wat er als waarheid uitziet en zich bovendien beter laat verdragen.

Op 30 januari 1939 gaf Hitler zelf een staaltje van deze omgekeerde logica ten beste. Hij beschuldigde de Joden ervan de volken naar een wereldoorlog te drijven, terwijl hij zelf bezig was de voorwaarden voor die oorlog te scheppen. De toekomstige slachtoffers werden aangewezen als de agressors. De vervolger maakte zich op voorhand tot slachtoffer. Zo kon geweld worden voorgesteld als zelfverdediging en werd de misdaad alvast voorzien van een alibi. Het merkwaardige van zo’n leugen is dat zij niet alleen iets verbergt. Zij brengt ook iets voort. Zodra voldoende mensen erin geloven, ontstaat er een werkelijkheid waarin de leugen waar lijkt te zijn. De feiten kunnen dan nog zo hardnekkig tegenspreken, ze worden eenvoudigweg opgenomen in het verhaal dat de feiten juist verdacht maakt.

Daarmee is Hitler natuurlijk niet verdwenen. Poetin presenteerde de Russische invasie van Oekraïne als een noodzakelijke verdediging tegen een dreiging die Rusland zelf mede tot leven had gewekt. Trump maakte van zijn verkiezingsnederlaag in 2020 een complot en wist een deel van zijn aanhang ervan te overtuigen dat de bestorming van het Capitool een verdediging van de democratie was. Ook elders wordt de macht geconcentreerd door voortdurend te wijzen op vijandige elites, buitenlandse samenzweringen en bedreigingen die alleen door de leider zouden kunnen worden afgewend. De namen en omstandigheden veranderen, maar de constructie blijft herkenbaar. De machthebber ziet zichzelf als de redder van een wereld die hij eigenhandig in gevaar brengt. Hoe groter de chaos die hij veroorzaakt, des te dringender lijkt zijn aanwezigheid noodzakelijk.

In Dubbelganger. Een reis naar de spiegelwereld beschrijft Naomi Klein een verwarring die mij om meer dan één reden bezighoudt. We leven in een wereld waarin de werkelijkheid zich steeds moeilijker laat onderscheiden van haar spiegelbeeld. Politieke tegenstanders nemen elkaars taal over, feiten worden verdacht gemaakt en de meest onwaarschijnlijke verhalen kunnen zich tot een gesloten wereldbeeld verdichten. De dubbelganger is bij Klein niet alleen iemand die op een ander lijkt. Hij is ook degene in wie je iets van jezelf tegenkomt wat je liever niet zou zien. Je denkt dat je naar de ander kijkt, maar ongemerkt komt er iets van jezelf in beeld. Misschien is dat wel de onaangenaamste eigenschap van een spiegel: je kunt er niet naar kijken zonder zelf in het spel betrokken te raken.

Klein verwijst in dit verband naar The Great Dictator, de film die Charlie Chaplin in 1940 maakte. Chaplin speelt daarin zowel een Joodse barbier als de dictator Adenoid Hynkel, een karikatuur van Hitler. Ook in werkelijkheid had Chaplin een gelijkenis met Hitler, niet alleen door hun vergelijkbare snorretje, maar ook doo het feite day ze in 1989 slechts vier dagen van elkaar waren geboren. In de film wordt de ene vervolgd, de andere vervolgt. Toch lijken ook die twee ze als twee druppels water op elkaar. Door een toevallige verwisseling komt de barbier uiteindelijk op de plaats van de dictator terecht. Hij wordt aangezien voor de man die hem naar het leven staat en krijgt de gelegenheid een redevoering uit te spreken. Wat volgt, is een van die merkwaardige momenten waarop een komedie plotseling haar eigen grenzen overschrijdt. De man die eruitziet als Hitler, spreekt niet over overheersing en vernietiging, maar over vrijheid, verdraagzaamheid en menselijkheid.

Wat mij daarin treft, is niet alleen de politieke satire. Chaplin brengt de vervolger en de vervolgde letterlijk samen in één lichaam. Natuurlijk heft dat het verschil tussen dader en slachtoffer niet op. De een is verantwoordelijk voor het geweld, de ander ondergaat het. Maar de dubbelrol maakt het onmogelijk om het kwaad uitsluitend als iets vreemds te beschouwen, iets wat alleen bij anderen voorkomt. Het gezicht van de dictator blijkt hetzelfde gezicht te kunnen zijn als dat van een gewone, kwetsbare mens. Dat is een ongemakkelijke gedachte. We zien het kwaad graag als een afwijking die we bij onszelf niet hoeven te onderzoeken. Het is veel prettiger wanneer de schurk er ook uitziet als een schurk. Dan weten we tenminste meteen met wie we te maken hebben.

Bij Chaplin loopt dat anders. Het gezicht bedriegt ons, maar juist daardoor wordt iets zichtbaar. Dezelfde gestalte kan een volstrekt andere betekenis krijgen, afhankelijk van wat eruit spreekt. De barbier neemt de plaats van de dictator in, maar wordt niet diens dubbelganger in de morele betekenis van het woord. Hij gebruikt het masker om iets te zeggen wat de dictator nooit zou kunnen zeggen zonder op te houden dictator te zijn. De uiterlijke gelijkenis wordt zo een middel om het innerlijke verschil zichtbaar te maken. Misschien is dat ook de reden waarom de scène nog altijd werkt. De spiegel laat niet alleen zien hoe bedrieglijk het uiterlijk kan zijn, maar ook hoe weinig we eigenlijk weten wanneer we menen iemand herkend te hebben.

Weer moest ik denken aan de psychose, een onderwerp dat mij al lang bezighoudt en dat in mijn boek De waan van het schrijven. Harry Mulisch en de creatieve psychose een belangrijke plaats inneemt. Ik wil de psychose niet op één lijn stellen met politieke paranoia, laat staan met het kwaad van een dictator. Daarvoor zijn de verschillen te groot. Toch is er een vraag die in beide gevallen terugkeert: wat gebeurt er wanneer de vertrouwde verhouding tussen het zelf en de wereld begint te schuiven? Wanneer iets wat eerst vanzelfsprekend was plotseling een andere betekenis krijgt? Wanneer de werkelijkheid niet meer alleen is wat zij lijkt, maar ook een geheimzinnige boodschap bevat die speciaal voor jou bestemd lijkt te zijn? In een psychose kan de wereld zich verdubbelen. Er is de gewone werkelijkheid die anderen menen te kennen, maar daarnaast ontstaat een tweede werkelijkheid waarin gebeurtenissen, woorden en toevalligheden een bijzondere samenhang krijgen.

Die tweede wereld kan zo overtuigend worden dat de eerste haar geloofwaardigheid verliest. In het politieke complotdenken gebeurt iets wat daar oppervlakkig op lijkt: ook daar kan een gesloten systeem ontstaan waarin alles naar dezelfde verborgen waarheid verwijst. Hoe sterker de feiten tegenspreken, des te groter moet het complot kennelijk zijn. Maar de overeenkomst houdt daar ook op. Een psychose is geen politieke ideologie, en een ideologie is geen psychiatrische diagnose. Wat mij interesseert is het moment waarop de werkelijkheid haar vanzelfsprekendheid verliest en een mens zich in een wereld bevindt die voor hemzelf volkomen logisch lijkt.Tijdens een psychotische toestand kan het eigen ego en de vertrouwde betekenis van de wereld wegvallen, waardoor een mens zichzelf kan ervaren als een mechanisch of zielloos wezen vergelijkbaar met de mythe van de Golem, het  ‘automaton’ of en de gedachteloze ‘machinemens’. 

Ook bij Mulisch – met zijn fascinatie voor de ‘machinemens’, waarvan hij contouren Eichmann herkende – speelt de vraag naar de verhouding tussen werkelijkheid en fictie een rol. De schrijver schept niet alleen een wereld, maar schept daarin ook zichzelf. Hij kan zich verdubbelen in zijn personages, zijn eigen leven tot materiaal maken en vervolgens ontdekken dat de figuur die hij heeft voortgebracht een eigen bestaan lijkt te leiden. Wie schrijft, kijkt naar zichzelf alsof hij iemand anders is. Maar wie is dan die ander? En wie houdt de pen vast? Ik heb mij bij het schrijven over Mulisch steeds meer gerealiseerd dat de waan en de creativiteit elkaar niet eenvoudig uitsluiten. Een ontregeling kan iets openbreken wat in het gewone bewustzijn gesloten blijft. Dat betekent niet dat psychisch lijden vanzelf tot kunst leidt. Het betekent wel dat de grens tussen zelfschepping en zelfverlies minder eenvoudig is dan we graag zouden denken.

De dubbelganger staat precies op die grens. Hij is vertrouwd en vreemd tegelijk. Hij lijkt op mij, maar is mij niet. Ik kan hem als een vijand beschouwen, maar ook als een mogelijkheid die ik bij mezelf niet onder ogen wil zien. Bij Chaplin krijgt die gedachte een politieke lading. Bij Mulisch raakt zij aan de vraag wat een schrijver eigenlijk doet wanneer hij zichzelf in woorden uiteenlegt en opnieuw samenvoegt. En bij Klein wordt zij een manier om naar onze huidige verwarring te kijken. Steeds duikt dezelfde ongemakkelijke vraag op: wat als datgene waarvan ik mij zo nadrukkelijk distantieer, toch iets met mijzelf te maken heeft? Dat is iets anders dan zeggen dat iedereen even schuldig is. Het gaat erom dat een spiegel niet ophoudt een spiegel te zijn zodra het beeld ons niet bevalt.

De Grote Leugen van Hitler berustte op een groteske verdubbeling. De agressor zag zichzelf als slachtoffer, de vervolger als verdediger en de vernietiging als een noodzakelijke reddingsoperatie. In de spiegelwereld van het complotdenken keert die logica telkens terug. De vijand is overal, maar bevindt zich merkwaardig genoeg altijd buiten het eigen kamp. De eigen overtuiging geldt als de laatste waarheid, terwijl iedere afwijkende waarneming verdacht wordt gemaakt. Het is een gesloten circuit waarin angst zichzelf voedt. De wereld wordt steeds bedreigender, en juist daarom lijkt de behoefte aan een sterke leider steeds groter. Dat die leider zelf een belangrijk deel van de dreiging veroorzaakt, verdwijnt uit beeld. Of beter gezegd: het wordt onderdeel van het complot dat hij beweert te bestrijden.

Tegenover deze wereld staat de slotrede van Chaplins film. De Joodse barbier, die voor Hynkel wordt aangezien, begint met de woorden: ‘Het spijt me, maar ik wil geen keizer zijn.’ Hij wil niemand overheersen of veroveren. Hij spreekt over mensen die elkaar zouden moeten helpen, over een aarde die rijk genoeg is om iedereen te voeden en over een leven dat vrij en prachtig zou kunnen zijn. Maar hebzucht heeft de menselijke ziel vergiftigd, zegt hij, en haat heeft de wereld achter barricades opgesloten. We denken te veel en voelen te weinig. Meer dan machines hebben we menselijkheid nodig, meer dan vernuft vriendelijkheid en zachtheid. Het is een rede die je gemakkelijk naïef kunt noemen. Misschien is dat ook wel zo. Maar tegenover de groteske zelfverzekerdheid van de dictator klinkt die naïviteit bijna als een daad van verzet.

Chaplin richt zich vervolgens tot de soldaten. Laat je niet gebruiken door mensen die je verachten en je voorschrijven wat je moet denken en voelen. ‘Jullie zijn geen machines! Jullie zijn geen vee! Jullie zijn mensen!’ De machinemens is hier niet alleen de soldaat die blindelings bevelen opvolgt. Het is ook degene die zijn eigen oordeel heeft uitbesteed aan een leider die hem vertelt wie de vijand is en waar het kwaad zich bevindt. Dat maakt de rede actueler dan Chaplin in 1940 kon vermoeden. We beschikken inmiddels over technische middelen waarmee beelden en verhalen vrijwel onmiddellijk de wereld rondgaan. Maar de techniek heeft ons niet automatisch verstandiger gemaakt. Een leugen kan zich tegenwoordig sneller verspreiden dan ooit, en een mens kan zich via zijn scherm laten opsluiten in een werkelijkheid waarin hij voortdurend gelijk krijgt.

En zo ben je weer terug bij het thema van de dubbelganger. Misschien is de gevaarlijkste spiegelwereld wel die waarin je jezelf niet meer herkent, terwijl je er heilig van overtuigd bent dat je eindelijk de waarheid hebt ontdekt. Je ziet de waan bij de ander, de leugen bij de tegenstander en het kwaad bij degene die niet op je lijkt. Maar zodra je de spiegel wegzet omdat het beeld je niet bevalt, verlies je ook de mogelijkheid om je eigen aandeel in de verwarring te onderzoeken. Dat is geen pleidooi om de waarheid maar relatief te verklaren. Integendeel. Juist wanneer waarheid en leugen door elkaar beginnen te lopen, wordt het noodzakelijker om onderscheid te blijven maken.

Chaplin liet zien hoe een dubbelganger een dictator zijn masker kan afnemen zonder diens gezicht te veranderen. De barbier ziet eruit als Hynkel, maar spreekt met een andere stem. Misschien ligt daar de onverwachte betekenis van zijn film. We hoeven niet te worden wie we lijken, en we hoeven de ander niet te reduceren tot het beeld dat we van hem hebben gemaakt. Tussen het gezicht en de stem, tussen de werkelijkheid en haar spiegelbeeld, blijft ruimte voor een keuze. Hitler gebruikte die ruimte om een wereld van vijanden te scheppen. Chaplin gebruikte haar om een andere mogelijkheid zichtbaar te maken. Zo kan de mens die zijn vijand meent te bestrijden, ongemerkt diens dubbelganger worden.

Als de leugen groot genoeg wordt, kan zij een wereld scheppen waarin oorlog vrede heet, onderdrukking bevrijding en haat liefde voor het vaderland. Maar juist dan is het nodig om de woorden van Chaplin opnieuw te horen: we zijn geen machines, we zijn geen vee, we zijn mensen. En de macht om van deze wereld iets beters te maken, ligt niet bij dictators die beweren namens ons allen te spreken, maar bij de mensen die weigeren zich hun menselijkheid te laten afnemen.