Dictators in soorten en maten

In Mein Kampf formuleerde Hitler een principe dat de politieke geschiedenis sindsdien op lugubere wijze is blijven achtervolgen. Een grote leugen, zo schreef hij, bevat altijd een element van geloofwaardigheid. De massa valt gemakkelijker ten prooi aan een grote leugen dan aan een kleine, omdat mensen zelf wel eens kleine leugens vertellen, maar zich nauwelijks kunnen voorstellen dat iemand de brutaliteit heeft om op grote schaal te liegen. Een onbeschaamde leugen maakt daardoor juist meer kans om zich in het bewustzijn vast te zetten en daar te blijven beklijven. Anders gezegd: als je liegt, doe het dan goed. Liever een leugen die de werkelijkheid op zijn kop zet dan een verzinsel dat bij de eerste kritische vraag al door de mand valt.

Op 30 januari 1939 bracht Hitler dit principe zelf in praktijk. Hij beschuldigde de Joden ervan de volken naar een wereldoorlog te drijven, terwijl hij zelf bezig was de voorwaarden voor die oorlog te scheppen. De toekomstige slachtoffers werden aangewezen als de agressors, de vervolger presenteerde zich als degene die zich moest verdedigen. Zo ontstond een alibi voor geweld dat uiteindelijk zou uitlopen op de vernietiging van miljoenen mensen. De leugen was niet zomaar een middel om de werkelijkheid te verhullen. Zij schiep een alternatieve werkelijkheid waarin de misdaad zich kon voordoen als een daad van zelfverdediging.

Dat mechanisme is niet met Hitler verdwenen. In onze tijd van nepnieuws, sociale media en een eindeloze stroom van desinformatie heeft de Grote Leugen een wereldwijd distributienetwerk gekregen. In 2014 beriep Poetin zich op de vermeende bedreiging door Oekraïense nationalisten en op de noodzaak Russischtaligen te beschermen, terwijl Rusland zelf de onrust aanwakkerde en de Krim annexeerde. De agressor presenteerde zich opnieuw als slachtoffer. De werkelijkheid moest zich voegen naar het verhaal dat de machthebber nodig had.

Ook elders zien we hoe politieke leiders de waarheid ondergeschikt maken aan hun eigen voorstelling van de werkelijkheid. Trump heeft zijn aanhang jarenlang gevoed met complotten en ongefundeerde beschuldigingen, met als dramatisch hoogtepunt de bestorming van het Capitool na zijn verkiezingsnederlaag in 2020. Erdogan en Viktor Orbán hebben op hun beurt laten zien hoe een voortdurend beroep op bedreigingen van buitenaf, vijandige elites en vermeende samenzweringen de greep op de macht kan versterken. De omstandigheden verschillen, maar het procedé vertoont een opvallende overeenkomst: wie de werkelijkheid niet naar zijn hand kan zetten, probeert een werkelijkheid te construeren waarin hij altijd gelijk heeft.

Uiteindelijk ben ik tot de conclusie gekomen dat de parallelle wereld waarin Poetin moet zijn beland voordat hij besloot een grootschalige oorlog in Europa te beginnen, niet los kan worden gezien van het complotdenken. Daarin wordt de leugen niet langer gebruikt om een bepaalde waarheid te verhullen, maar wordt zij zelf tot waarheid verheven. Alles wat het eigen wereldbeeld tegenspreekt, geldt als bewijs van een samenzwering. Hoe overtuigender de tegenargumenten, des te groter kennelijk het complot moet zijn.

Op de dag van de Russische invasie in Oekraïne schreef Tom Nichols in The Atlantic dat Rusland een oude traditie van paranoia omarmt: een mengeling van minderwaardigheidsgevoel en grootheidswaan, waarin Moskou zichzelf tegelijkertijd beschouwt als de redder van andere naties en als het slachtoffer van machtige samenzweringen. Die combinatie is veelzeggend. Een land dat zichzelf als uitverkoren beschouwt, kan iedere tegenstand uitleggen als bewijs van de vijandigheid van de buitenwereld. De eigen agressie wordt dan een noodzakelijke verdediging, de eigen expansiedrift een historische opdracht.

In die zin lijkt zich een cirkel te sluiten. De waanwereld van Hitler, de hardnekkige complotten rond de Illuminati, de samenzweringsfantasieën van QAnon en de politieke paranoia van Trump lijken op het eerste gezicht verschillende verschijnselen. Toch delen ze eenzelfde structuur: achter de zichtbare werkelijkheid zou een verborgen macht schuilgaan die alles bestuurt en waartegen alleen de ingewijden zich zouden kunnen verzetten. Angst kan ongemerkt uitgroeien tot een gesloten verklaringssysteem waarin ieder nieuw feit de bestaande overtuiging bevestigt. Bij Poetin krijgt deze manier van denken een geopolitieke dimensie. De complottheorie blijft niet langer beperkt tot de hoofden van haar aanhangers, maar kan uitmonden in een oorlog die de levens van miljoenen mensen ontwricht.

Het gevaar schuilt daarbij niet alleen in de leugen zelf, maar ook in de wereld die zij voortbrengt. Wie eenmaal gelooft dat hij omringd is door vijanden, hoeft zich niet langer af te vragen of zijn eigen handelen gerechtvaardigd is. Geweld wordt een plicht, onderdrukking een vorm van bescherming en oorlog een middel om de vrede te redden. De taal raakt losgezongen van de werkelijkheid en wordt een instrument waarmee de werkelijkheid naar believen kan worden verbogen. Uiteindelijk kan zelfs de meest groteske bewering geloofwaardig worden, zolang zij maar vaak genoeg wordt herhaald en aansluit bij de angst die al aanwezig is.

Juist tegenover deze wereld van leugen, haat en machtswellust staat een rede die mij steeds weer treft door haar bijna naïeve, maar tegelijk onverwoestbare geloof in de mens. Ik doel op de slotrede van The Great Dictator, de film die Charlie Chaplin in 1940 maakte, toen Hitler nog aan de macht was en de afloop van de geschiedenis allerminst vaststond. Chaplin speelt daarin een Joodse kapper die door een speling van het lot wordt aangezien voor de dictator Hynkel. Wanneer hij uiteindelijk het woord krijgt, spreekt hij niet als een machthebber die zijn onderdanen toespreekt, maar als een mens die zich plotseling bewust wordt van de verantwoordelijkheid die op hem rust.

‘Het spijt me, maar ik wil geen keizer zijn,’ begint hij. ‘Dat is niets voor mij. Ik wil niemand overheersen of veroveren.’ Hij zou iedereen willen helpen, zegt hij, Joden en niet-Joden, zwarte mensen en witte mensen. Mensen willen elkaar helpen, zo houdt hij zijn gehoor voor. We willen leven vanuit elkaars geluk, niet ten koste van elkaars ongeluk. Er is in deze wereld plaats voor iedereen en de goede aarde is rijk genoeg om ons allemaal te voeden.

Het leven zou vrij en prachtig kunnen zijn, maar we zijn de weg kwijtgeraakt. Hebzucht heeft de menselijke ziel vergiftigd, haat heeft de wereld achter barricades opgesloten en de vooruitgang heeft ons niet alleen snelheid en macht gebracht, maar ook vervreemding. Machines die overvloed kunnen voortbrengen, hebben ons gebrek niet opgeheven. Onze kennis heeft ons cynisch gemaakt, onze slimheid hardvochtig. We denken te veel en voelen te weinig. Meer dan machines hebben we menselijkheid nodig, meer dan vernuft vriendelijkheid en zachtheid.

Het is een opmerkelijke uitspraak in een tijd waarin de techniek zich steeds nadrukkelijker aandient als de oplossing voor vrijwel ieder menselijk probleem. Chaplin ontkent de betekenis van technische vooruitgang niet. Integendeel, hij wijst erop dat het vliegtuig en de radio de mensen dichter bij elkaar hebben gebracht. Maar die verbondenheid stelt ons ook voor een morele opgave. De middelen om elkaar te bereiken zijn er al; wat ontbreekt, is het vermogen om elkaar werkelijk als medemens te zien. Technische vooruitgang zonder morele vooruitgang kan de wereld kleiner maken, maar ook de middelen verschaffen om haar op ongekende schaal te vernietigen.

Dan richt Chaplin zich rechtstreeks tot de soldaten. Geef jezelf niet over aan mensen die je verachten, die je tot slaaf maken en je voorschrijven wat je moet doen, denken en voelen. Aan machinemensen met machinegeesten en machineharten. ‘Jullie zijn geen machines! Jullie zijn geen vee! Jullie zijn mensen!’ En dan volgt de oproep die de kern van zijn betoog vormt: vecht niet voor slavernij, maar voor vrijheid.

De betekenis van die woorden reikt verder dan de historische context waarin Chaplin ze uitsprak. De machinemens is immers niet alleen de soldaat die zijn bevelen gedachteloos uitvoert. Het is ook de mens die zijn eigen oordeel uit handen geeft aan een systeem, een ideologie of een leider die hem belooft de wereld eindelijk begrijpelijk te maken. Zodra iemand niet meer zelf hoeft na te denken, omdat een ander hem vertelt wie de vijand is en waar het kwaad zich bevindt, wordt hij vatbaar voor de Grote Leugen. De leugenaar hoeft hem dan niet eens meer te dwingen. Hij heeft hem al geleerd de werkelijkheid te wantrouwen en alleen nog te geloven wat in zijn eigen angstige wereldbeeld past.

Daarom is ook Chaplins beroep op de democratie meer dan een politieke leus. In zijn rede klinkt het geloof door dat de macht uiteindelijk bij de mensen zelf ligt. Niet bij één man, niet bij een kleine groep uitverkorenen, maar bij iedereen. De mensen hebben de macht om machines te maken, maar ook om geluk te scheppen. Zij kunnen van het leven een vrij en prachtig bestaan maken, een wonderbaarlijk avontuur. Daarvoor moeten ze zich verenigen en strijden voor een wereld waarin iedereen de kans krijgt om te werken, de jeugd een toekomst heeft en de ouderdom niet in onzekerheid hoeft te leven.

Dictators, zegt Chaplin, hebben zich met precies zulke beloften omhooggewerkt. Maar ze liegen. Ze houden hun beloften niet en zullen dat ook nooit doen. Zij bevrijden zichzelf, maar onderwerpen het volk aan slavernij. Het is een vernietigende samenvatting van het politieke bedrog dat Hitler in zijn Grote Leugen tot een systeem verhief en dat we, in andere gedaanten, ook in onze eigen tijd herkennen.

Chaplins rede eindigt met een oproep om de wereld te bevrijden van nationale barrières, hebzucht, haat en onverdraagzaamheid. Hij verlangt een wereld van redelijkheid, waarin wetenschap en vooruitgang ten dienste staan van het geluk van alle mensen. Het klinkt als een droom, en misschien is het dat ook. Maar tegenover de complotdenker die overal een verborgen vijand ziet, stelt Chaplin een ander mensbeeld: de mens die niet hoeft te heersen om betekenis aan zijn bestaan te geven, die niet hoeft te haten om zichzelf te kunnen zijn en die niet eerst een vijand hoeft te verzinnen om zich met anderen verbonden te voelen.

De Grote Leugen begint waar de mens zijn medemens niet langer als mens kan zien. Zij eindigt wanneer hele bevolkingsgroepen worden gereduceerd tot bedreigingen die moeten worden uitgeschakeld. Daartegenover staat Chaplins eenvoudige, maar allesbehalve gemakkelijke overtuiging dat geen enkele politieke, religieuze of historische bestemming het recht kan rechtvaardigen om anderen hun menselijkheid te ontnemen.

Dat lijk mij uiteindelijk de belangrijkste les van deze twee uitersten: Hitler, die de leugen gebruikte om de wereld in brand te steken, en Chaplin, die zijn film besloot met een oproep tot menselijkheid. Tussen die twee stemmen moeten wij onze positie bepalen. Niet door te geloven dat de waarheid vanzelf zal zegevieren, maar door te weigeren de leugen voor waarheid aan te zien, ook wanneer zij ons geruststelt, onze angsten bevestigt of ons belooft dat wij aan de goede kant van de geschiedenis staan.

Want als de leugen groot genoeg wordt, kan zij een wereld scheppen waarin oorlog vrede heet, onderdrukking bevrijding en haat liefde voor het vaderland. Maar juist dan is het nodig om de woorden van Chaplin opnieuw te horen: we zijn geen machines, we zijn geen vee, we zijn mensen. En de macht om van deze wereld iets beters te maken, ligt niet bij dictators in soorten en maten die beweren namens ons allen te spreken, maar bij de mensen die weigeren zich hun menselijkheid te laten afnemen.